Uw zoekacties: Hoofdmeesters
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
Van 1517 af wordt van den jongsten timmermeester in de stedelijke administratie niet meer gesproken en wordt de schepen die met diens functies, de zorg voor de hoofden en kribben in den Ijssel, belast was voortaan hoofdmeester genoemd. Ook deze werd oorspronkelijk op St Petersoctaaf door de raden uit de schepenen en, evenals de cameraar en timmermeester, sedert 1607 door de 4 raden en 4 jongste schepenen uit de 8 oudste schepenen aangewezen, een wijze van verkiezing die tot 1795 is blijven bestaan en een gevolg was van de inkrimping van het aantal raden.
In de 2e helft der 17e eeuw is de keur een bloote formaliteit geworden: hij die het ene jaar timmermeester was geweest werd steeds het volgend jaar tot hoofdmeester verkozen. En zelfs toen Gisbert Timan Jordens, die in 1753 het timmermeesterschap had waargenomen bij de keur voor het volgend jaar verzocht om hem "soo om sijn indispositie als menigvuldige occupacien" niet als hoofdmeester te verkiezen en ook Schepenen en Raad dit verzoek bij de heeren die de keur uitoefenden in ernstige overweging aanbevalen, zijn deze desniettegenstaande daarop niet ingegaan.
Van geschillen tusschen Raad en Gezworen Gemeente over de bezetting van het hoofdmeesterschap wordt nimmer gewag gemaakt: blijkbaar werd aan dit ambt minder gewicht gehecht dan aan dat van timmermeester.
Ook de rekeningen der hoodmeesters werden in den beginne opgenomen door Schepenen en Raad en daaran door de in het laatst der 16e eeuw opgerichte Rekenkamer. In de vergadering van 30 augustus 1597 waren plannen beraamd tot instelling van een rekenkamer, die de rekeningen der stadsrendanten vooraf meer nauwkeurig zou kunnen nagaan. Immers het lezen in pleno senatu leverde feitelijk geen genoegzame controle op. Het heeft echter nog enkele jaren geduurd alvorens de instelling van een rekenkamer definitief haar beslag kreeg. Voor het eerst werd de rekening van Herman Scharff over 1597 in Juni 1602 door deze kamer afgehoord.
Evenals die van den timmermeester bestonden de ontvangsten van den hoofdmeester in den aanvang uit bijdragen van den cameraar, waarnaast vaak als extraordinaris ontvangsten de opbrengst van verkochte twijg en bijdragen van de Achtenkamer geboekt werden. Van 1596 af waren de gewone ontvangsten bepaald op 14 g gld per week, die voldaan werden uit den accijns op bier, doch van 1741 af wegens de lagere opbrengst dier belasting verminderd zijn. Gelijk door den timmermeester hield ook voor den hoofdmeester deze vaste bijdrage uit de bierkamer op ingevolge het besluit van Schepenen en Raad dd 25 November 1757 en het concordaat van 14 December d.a.v. Sindsdien bestaan zijne ontvangsten uitsluitend uit de opbrengst de jaarlijksche twijgverkoopingen, in gevallen van grootere uitgaven vermeerderd met bijdragen uit het cameraarschap.
Inventaris
Rekeningen van de hoofdmeester
Kenmerken
Datering:
1517-1794
Omvang:
0,9 m
Opmerkingen:
Zie ook ID 690 en 691
Citeerinstructie:
Bij het citeren in annotatie en verantwoording dient het archief tenminste eenmaal volledig en zonder afkortingen te worden vermeld. Daarna kan worden volstaan met verkorte aanhaling.
VOLLEDIG:
NL-DvHCO, HCO Stadsarchief Deventer, ID 1403, Hoofdmeesters, inv.nr. …
VERKORT:
NL-DvHCO, ID 1403, inv.nr. ….
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS