Uw zoekacties: Nederlandsche Kultuurkamer
x104 Nederlandsche Kultuurkamer ( NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

  • Kenmerken van het archief
  • Inleiding op het archief
  • Inventaris of plaatsingslijst
  • Eventueel bijlagen
  • De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

    De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

    De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

    Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

    104 Nederlandsche Kultuurkamer ( NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies )
    Zoek in deze inventaris
    >
    Zoektermen
     
     
    Openbaarheid
    Het archief is in zijn geheel beperkt openbaar. Het is slechts raadpleegbaar na verkregen toestemming van de directeur van het NIOD. Voor bezoekers die deze toestemming willen hebben, ligt een formulier bij de balie van de studiezaal van het NIOD.
    Inleiding
    titel archief
    archiefvormer
    omvang
    citeer- en aanvraaginstructie
    periode van ontstaan
    beheersgeschiedenis/overbrenging naar het niod
    aard van de archiefbestanddelen
    ordening van de archiefbescheiden
    selectie, vernietiging en bewerking
    aanvullingen
    wettelijke status
    reproductiebeperkingen
    taal van de archiefbescheiden
    materiële staat
    bewerking
    Geschiedenis
    Bij Verordening van 22 november 1941 (VO211/41) maakte Rijkscommissaris Seyss-Inquart het besluit tot oprichting van de Nederlandse Kultuurkamer bekend. Als president van de Kultuurkamer stelde hij de secretaris-generaal van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten prof.dr. T. Goedewaagen aan. Het kantoor was gevestigd aan de 2e v.d. Boschstraat 44 in Den Haag. In januari 1942 richtte Goedewaagen het tijdschrift "De Schouw" op als officieel orgaan van de Kultuurkamer. Het blad verscheen elke veertien dagen en was gelijktijdig de officieuze spreekbuis van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten. De Kultuurkamer was geënt op de Duitse Reichskulturkammer en werd ingesteld op last van het Berlijnse ministerie voor propaganda van Joseph Göbbels. Via de Kultuurkamer wilde de Duitse bezetter het culturele leven in zijn grip krijgen. Het was Goedewaagens opdracht om het Nederlandse culturele leven in nationaal-socialistische geest om te vormen. Omdat het joden verboden was lid te zijn, was de Kultuurkamer tegelijkertijd een instrument voor de arisering van de cultuursector.
    Landelijk werden gewestelijke bureaus ingesteld "om het bijzondere culturele karakter van de verschillende gouwen van ons land tot zijn recht te laten komen". De verschillende beroepsgroepen waren vertegenwoordigd in zes Gilden met elk een Gildeleider aan het hoofd:
    Gilde voor Bouwkunst en Beeldende Kunsten: Jan Bakker (tot sep. '42), dr.ir. G.A.C. Blok (na sep. '42)
    Persgilde: Max Blokzijl (tot juni '42), mr. J.W. Huijts (na juni '42)
    Muziekgilde: Hendrik Rijnbergen
    Filmgilde: Jan Teunissen
    Gilde voor Theater en Dans: Jan C. de Vos
    Letterengilde: prof.dr. Jan de Vries
    In een plechtige inwijdingsbijeenkomst in de Haagse Stadsschouwburg op 30 mei 1942 schetste Goedewaagen zijn drie kerntaken. Allereerst moest de Kultuurkamer niet alleen de cultuur "steunen, stuwen, zuiveren, ordenen" , maar ook hoeder zijn van de zedelijkheid in kunstuitingen. Daarnaast diende de Kultuurkamer het gehele volk in aanraking te brengen met cultuur om te voorkomen dat de "zegeningen, de vreugde, de innerlijke verrijking, die cultuurgoed de mens geeft, slechts het voorrecht van enkelen zouden [...] blijven". Als instrument van de "volkse staat" moest de Kultuurkamer tenslotte grip houden op de beroepsoefenaren en hen "bewust te maken van hun verantwoordelijkheid tegenover de volksgemeenschap".
    Ieder die zich beroepshalve toelegde op cultuuruitingen was verplicht lid te worden van de Kultuurkamer. Dit gold niet alleen voor individuen maar ook voor organisaties. Een vereniging die dit zou weigeren, "onderteekent daarmede haar eigen doodvonnis", dreigde Goedewaagen in maart 1942. Leden van orkesten, zangverenigingen, fanfarekorpsen en koren hoefden zich niet individueel aan te melden. Dergelijke verenigingen dienden zich als geheel te registreren. Ook journalisten en toonkunstenaars werden via hun vakvereniging collectief lid gemaakt van de Kultuurkamer.
    Hoewel de Kultuurkamer bedoeld was om de nazificatie van Nederland te bevorderen, droeg het ook bij aan verbetering van de sociale positie van kunstenaars. Door toedoen van Goedewaagen stegen de salarissen van orkestmusici en kregen toneelspelers betere arbeidsomstandigheden. Ook verleende hij een groot aantal subsidies waardoor het Gemeentelijk Theaterbedrijf Amsterdam het eerste volledig door de overheid gesubsidieerde theatergezelschap kon worden.
    Inventaris
    aanvraaginstructie
    Archiefstukken uit dit archief kunnen in de studiezaal van het NIOD worden aangevraagd
    onder vermelding van: archief 104, inv.no. ...
    Het inventarisnummer is vermeld in numeriek oplopende volgorde,
    links naast de beschrijving van de stukken
    1. Kultuurkamer
    2. Gilden
    3. Gewestelijke Bureaus
    Kenmerken
    Datering:
    [1919] 1940 - 1945 [1947]
    over het archief:
    De Kultuurkamer, opgericht op 25 november 1941, was een zelfstandige afdeling van het departement van Volksvoorlichting en Kunsten (DVK). De oprichting vond gelijktijdig plaats met het adviserend orgaan, de Nederlandsche Kultuurraad. De Kultuurkamer bestond uit zes gilden die de terreinen theater, film, muziek, letteren, pers en beeldende kunst omvatten. De Kultuurkamer moest in nationaal-socialistische geest leiding geven aan het culturele leven in Nederland.
    Openbaarheid:
    Deze stukken zijn beperkt openbaar. Zij zijn slechts raadpleegbaar na verkregen toestemming van de directeur van het NIOD. Voor bezoekers die deze toestemming willen hebben, ligt een formulier bij de balie van de studiezaal van het NIOD.
    Omvang:
    10 meter (861 inventarisnummers)
    Categorie:
     
     
     
    MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
    meer informatie over MAIS-(M)DWS