Uw zoekacties: Gemeentelijk ontginningsbedrijf Uden, 1918 - 1979
x7658 Gemeentelijk ontginningsbedrijf Uden, 1918 - 1979 ( Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC) )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

7658 Gemeentelijk ontginningsbedrijf Uden, 1918 - 1979 ( Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC) )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
Voorgeschiedenis

De gemeente Uden bezat ten oosten van de Oosterheide en ten zuiden van de provinciale weg Uden-Mill een flinke hoeveelheid woeste grond. In 1907 werd door de gemeenteraad van Uden besloten een onderzoek in te stellen naar de hoedanigheid en geschiktheid van deze gronden voor ontginning. De Raad benoemde een commissie, die genoemd onderzoek moest instellen. De commissie bestond uit het college van burgemeester en wethouders en de raadsleden A. Tonijs, A. Verkuijlen, A. vd. Wijst en F.H. Verwegen. Bij Raadsbesluit van 5 dec 1907 werd burgemeester en wethouders machtiging verleend om aan de Nederlandse Heide Maatschappij op te dragen een onderzoek in te stellen naar de toestand van de heidegronden. Nadat dit verzoek op 9 dec 1907 was uitgegaan, besloot de Raad op 4 mei 1908 burgemeester en wethouders op te dragen met de heer Veenhuijzen, opzichter bij de Nederlandse Heide Maatschappij, in overleg te treden omtrent een opname van gronden voor ontginning. De leden A. Arts, A. Tonijs, F. Verwegen, P.J. Spierings en F.J. Hermans werden aangewezen om aan dit overleg deel te nemen. In de Raadsvergadering van 21 aug 1908 werd een schrijven van M. van Heel, opzichter der Nederlandse Heide Maatschappij te Roermond, ter tafel gebracht. In dit schrijven werd verslag uitgebracht van de opname van ongecultiveerde gemeente-eigendommen en hieruit bleek, dat een grote uitgestrektheid gemeentegrond geschikt was voor aanleg van weiland, bouwland en mastbos. Er werd voorgesteld een plan te laten opmaken voor ontginning van enige gronden. De kosten hiervan werden geraamd op 150 gulden. Er werd opdracht verstrekt tot het opmaken van een ontginningsplan. Dit plan werd door de heer Van Heel bij schrijven van 21 apr 1909 aan de burgemeester van Uden toegezonden. Met de uitvoering van het plan kon echter geen begin worden gemaakt, omdat er voor de afwatering, welke via de gemeente Zeeland moest geschieden, geen passende oplossing gevonden kon worden.
Nadat in okt 1909 door de Raad besloten was een geldlening aan te gaan van 3.000 gulden voor ontginning van woeste gronden, werd er in 1914 voorzichtig een begin gemaakt met de werkelijke ontginning. Dit geschiedde in het kader van de werkloosheidsbestrijding. In 1916 moest het werk echter worden stilgelegd door gebrek aan geld en aan kunstmeststoffen. Het duurt dan tot 1919 voordat de ontginning wederom daadwerkelijk ter hand wordt genomen.
Stichting van ontginningsboerderijen

In zijn openbare vergadering van 6 dec 1919 werd door de Raad der gemeente Uden een commissie benoemd, die samen met het college van burgemeester en wethouders de ontginning van 140 ha. heidegrond zou moeten voorbereiden. Burgemeester Thijssen wees voor deze commissie voor de ontginning van inculte gemeentegronden - naast de beide wethouders - aan de heren J.G. Wintermans, M.P. van Lieshout en A. Tonijs. Op 5 mei 1920 werd in de gemeenteraad het besluit genomen 140 ha. heidegrond te cultiveren. De kosten van deze ontginning werden geraamd op 100.000 gulden. Dit bedrag kon de gemeente Uden echter niet opbrengen. Men richtte zich tot de Minister van Arbeid met het verzoek te willen bevorderen, dat de gemeente een subsidie zou worden verleend in de ontginningskosten. De minister liet weten steun te verlenen in de vorm van:
a. een vergoeding van 30% in de loonkosten van de tewerkgestelde arbeiders en
b. het verlenen van een renteloos voorschot van 40% van de aan het ontginningswerk verbonden kosten tot een maximum van 40.000 gulden.
Door daarbij een geldlening van 60.000 gulden aan te gaan werden de benodigde gelden verkregen en kon gestart worden met de ontginning. De administratieve leiding van de ontginning berustte bij de Ontginningscommissie en de uitvoering bij de Nederlandse Heide Maatschappij. Intussen was van rijkswege ingesteld de Staatscommissie van advies inzake de ontginning van woeste gronden. Zij adviseerde dat de toekomstige landbouwers van begin af aan eigenaar van de grond moesten zijn en dat de gronden voor een zacht prijsje aan hen verkocht diende te worden. Het Rijk stelde hiervoor voorschotten beschikbaar. Het voorschot werd verleend renteloos voor een tijd van 8 jaar; daarna moest gedurende 2 jaar jaarlijks 4% rente worden betaald en vervolgens moest de betaling van rente met aflossing der schuld geschieden in dertig annuïteiten ieder groot 4 4/5 van het verschuldigde bedrag. Het voorschot zou bedragen: a. ten hoogste 500 gulden per ha. voor de waarde en ontginningskosten van de grond en b. ten hoogste 500 gulden per ha. voor de stichtingskosten der gebouwen met dien verstande, dat het in totaal een bedrag van 12.000 gulden niet zou overschrijden. Het geld werd aan de gemeente uitgekeerd, die het op haar beurt aan de betrokkenen moest verstrekken. De gemeente bleef tov. het Rijk aansprakelijk voor de betaling van rente en aflossing. Op 4 dec 1920 besloot de Raad van Uden accoord te gaan met de voorwaarden voor een voorschot van 140.000 gulden voor de bouw van boerderijen. De Ontginningscommissie werd volledige machtiging verleend tot uitvoering van het ontginningsplan. Volgens dit plan zouden er 14 boerderijen worden gesticht, die 8 tot 12 ha. groot zouden worden. Toen in 1921 de eerste rijksvoorschotten werden uitgekeerd werd het drukker in de Peel.
In mei van dat jaar ontving de gemeente 90.000 gulden voor het stichten van 9 boerderijen en in dec nog eens 28.800 gulden voor 3 bedrijven. Voor de eerste 9 boerderijen bestond grote belangstelling. Liefst 70 gegadigden meldden zich aan. Velen kwamen uit andere delen van het land dan Noord-Brabant. Bij de toewijzing gingen echter de inwoners van Uden voor. Kinderrijke en jonge gezinnen hadden de voorkeur. De grootte van de boerderijen was niet precies gelijk. De oppervlakten ervan verschilden nogal. Dit blijkt uit de bedragen, die de boeren als voorschot kregen. Zo kregen de 9 boeren, die 1.000 gulden per ha. ontvingen, in werkelijkheid de volgende bedragen: A. van den Elzen 9.654 gulden M. de Groot 9.869 gulden J. van Helvoirt 8.013, 50 gulden G. Kroef 9.540 gulden A.A. van Lanen 9.954 gulden Chr. van Lieshout 8.013,50 gulden M. Pittens 12.000 gulden M. Raaymakers 11.528 gulden H. Kuijpers 10.700 gulden
De boeren van de 3 boerderijen, welke een voorschot kregen van 800 gulden per ha., ontvingen: J. Beekmans 8.160 gulden H. Coppens 8.112 gulden A. van Ras 8.368 gulden In de jaren na 1921 werd er bezuinigd in Den Haag. een subsidie van 30% werd geschrapt. Uden kreeg nog wel een bedrag van 20% ter bestrijding van de werkloosheid. Toch kreeg Uden nog een voorschot voor het stichten van boerderijen. Bij besluit van 24 jul 1925 van de Minister van Binnenlandse Zaken en Landbouw werd 12.000 gulden beschikbaar gesteld. Dit bedrag werd verdeeld onder 3 boeren. Zij kregen resp.: Joh. van den Elzen 4.000 gulden Adr. van Boekel 3.000 gulden R. van Hoof 5.000 gulden Bij Ministeriële Beschikking van 7 dec 1916 werd nog eens 5.000 gulden beschikbaar gesteld. Dit bedrag was in zijn geheel bestemd voor Chr. de Vocht.
Stichten arbeiderswoningen

Toen men geen rijksvoorschotten voor de bouw van grote boerderijen meer kon ontvangen, ging men het in Uden in een andere richting zoeken. Men wilde in de Peel - door toepassing van de Landarbeiderswet - eenvoudige arbeiderswoningen stichten, waaraan kleine perceeltjes grond werden toegevoegd. De Nederlandse Heide Maatschappij maakte de benodigde gronden (40 ha. voor 10 bedrijven) in orde, waardoor genoemde kleinschalige landbouwbedrijfjes konden ontstaan. Naast de grote boerderijen ontstonden op deze wijze 9 kleine bedrijfjes, die tezamen de grondslag vormden voor het ontstaan van het dorp Odiliapeel.


Verkoop gronden

Niet de gehele Peel werd door de gemeente Uden ontgonnen. Na 1923 werden op kleine schaal percelen woeste grond verkocht, zonder dat dat leidde tot stichting van boerderijen met rijksvoorschot. Er werden wel boerderijen gebouwd, maar daarvoor moest de betreffende boer hypotheek opnemen bij een bank. Om de waarde te bepalen van de te verkopen percelen woeste grond, benoemde de Raad een schattingscommissie, bestaande uit: B.G. de Koning, J.P. van Geffen en P.H. van Kessel. Deze commissie schatte de gronden op een gemiddelde waarde van 250 gulden per ha.
Echter niet alle grond werd verkocht. De gemeente hield een perceel van 40 ha. in eigen beheer. Dit werd voor een gedeelte de zgn. "gemeenteweide". Hierop konden de inwoners van Uden hun vee inscharen. Het andere deel werd gebruikt voor het verbouwen van rogge en haver. De gemeente deed dat niet zelf, maar verpachtte dit gedeelte. Aanleg wegen en waterwegen Alhoewel de gemeente Uden dus niet altijd de grond in cultuur bracht eer men deze verkocht, zorgde ze er wel voor, dat er wegen en waterlopen kwamen. In 1837 liepen door de Peel slechts de Provinciale grindweg Uden-Mill en de zandweg naar Wanroij. In een paar jaar tijd kreeg de Peel echter de ontsluiting die nodig was voor de ontginning. In 1871 werd de verharde weg Uden-Mill-Oeffelt, de zgn. Nieuwe Dijk, aangelegd. Twee jaar later kwam de spoorlijn Boxtel-Uden-Mill-Wezel. Dan was er verder nog de Oude Dijk, waarvan eerst in 1895 melding wordt gemaakt, maar waar men van vermoed dat hij reeds eerder is aangelegd i.v.m. de benaming van de in 1871 aangelegde weg. In 1920 was er echter nog weinig veranderd aan de situatie zoals die in 1895 bestond. Nu kwam er echter snel verandering. In de jaren 1920-1922 werd een door de Nederlandse Heide Maatschappij geprojecteerd wegennet aangelegd, met een lengte van circa 10 km. Ook deze aanleg geschiedde in het kader van de werkverschaffing. De Peel was echter een kaal en weids gebied. Ook hier werd wat aan gedaan. Langs de aangelegde wegen werden bomen geplant, waardoor het uiterlijk van de Peel veranderde. Ook in de jaren 1927-1930 werden in de Peel diverse wegen aangelegd. De NHM maakte daarvoor steeds de plannen.
Armoede troef

Niet alle landbouwers, die zich in de met rijksvoorschot gestichte boerderijen vestigden, konden zich handhaven. Diverse oorzaken leidden er toe, dat sommige boeren in moeilijkheden kwamen. Daar was allereerst de grondprijs. De ontgonnen grond werd door de gemeente voor 750 gulden per ha. verkocht. Dit bedrag werd niet geheel door het voorschot gedekt, want - zoals reeds eerder gemeld - was slechts 500 gulden bestemd voor verkoop van grond. Verder was er de eis van de gemeente om de ontginningskosten - in strijd met de opzet van het Rijk - terug te betalen in de eerste 8 jaar na ontvangst van het rijksvoorschot. Ook weinig beginkapitaal was vaak een oorzaak van de moeilijkheden. De boer had meestal te veel geld in de gebouwen en te weinig in de grond gestoken. De gemeente (i.c. de Ontginningscommissie) maakte tenslotte de fout te weinig te letten op vakkennis en ondernemingsgeest van de boeren bij de toewijzing van de bedrijven. Naast genoemde plaatselijke moeilijkheden was er ook nog de internationale malaise, want in 1929 brak de economische wereldcrisis uit. Wat deden de getroffen landbouwers? Enkelen verlieten hun boerderij en begonnen op een andere, kleinere boerderij. Sommige verdwenen geheel van de ontginning. De meesten probeerden zich echter - door te leven in uiterste soberheid - te handhaven.
Werkzaamheden Ontginnings (commissie) - bedrijf

Zoals reeds eerder vermeld werd in 1919 de Ontginningscommissie door en uit de Raad benoemd. Deze commissie kreeg tot taak de ontginning voor te bereiden en verder uit te werken. De commissie kreeg daarvoor in eerste instantie een krediet van 50.000 gulden en later, toen bleek dat dit niet voldoende was, zijn er nog enkele bijgekomen. De commissie hield besprekingen met de Nederlandse Heide Mij.; diende een subsidieaanvraag in bij het Rijk; deed voorstellen aan de gemeenteraad om contracten af te sluiten ter verkrijging van rijksvoorschotten; verdeelde de boerderijen; stelde bouwplannen vast, enz., enz. In 1925 werd de Ontginningscommissie omgedoopt in Gemeentelijk Ontginningsbedrijf. In de Raadsvergadering van 31 okt 1925 werd een beheersverordening vastgesteld voor het G.O. Van die tijd af werden alle taken verricht door genoemd bedrijf. Volgens de beheersverordening had het GO ten doel: a. Het ontginnen van daarvoor in aanmerking komende gemeentegronden; b. Het doen exploiteren van die gronden; c. Het door aanleg van wegen enz. voor bewoning of bebouwing geschikt maken der gronden en d. Het doen stichten van boerderijen, landarbeiderswoningen of andere behuizingen op die gronden en het in koop, pacht of gebruik geven daarvan. Zo op papier leek het best veel werk. En dat was het dan ook, totdat de ontginning voltooid was. Toen bleef er maar weinig over, in concreto alleen het exploiteren van gronden en boerderijen. In de loop der jaren werden echter steeds meer eigendommen verkocht aan pachters of gebruikers. Het Gemeentelijk Ontginningsbedrijf werd steeds meer een slapend bedrijf.
Opheffing

In 1978 werd het G.O.B. (zoals dit bedrijf in de volksmond genoemd werd) weer "actief". De Raadscommissie Financiën en Belastingen adviseerde bij rapport van 12 apr 1978 het Gemeentelijk Ontginningsbedrijf op te heffen. Men kwam tot de conclusie, dat het onder de toenmalige omstandigheden niet meer als taak van de gemeente kon worden beschouwd om ten behoeve van de landbouw bedrijfsaccomodaties te stichten en aan ondernemers beschikbaar te stellen. De na-oorlogse financierings-, subsidie- en premieregelingen boden voldoende mogelijkheden om levensvatbare bedrijven te stichten en exloiteren. Er werd wel op aangedrongen, dat de exploitatie van cultuurgronden na opheffing van het bedrijf op andere wijze zichtbaar zou blijven. De administratieve opzet van het Grondbedrijf leende zich daarvoor het beste. Het bedrijfsreserve van 7.571,72 gulden zou toegevoegd moeten worden aan de Algemene Reserve. Burgemeester en Wethouders namen deze adviezen van de Raadscommissie over en stelden de Raad voor het Gemeentelijk Ontginningsbedrijf per 1 jan 1979 op te heffen. De Gemeenteraad van Uden besloot - conform het voorstel van burgemeester en wethouders - in haar vergadering van 30 aug 1979 tot opheffing.
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF

Oude toestand
Onderhavige inventaris omvat de beschrijving van het archief van het Gemeentelijk Ontginningsbedrijf Uden, gevormd onder het beheer van de administrateur van het bedrijf. Bewaring er van geschiedde op verschillende plaatsen. Zo bevonden er zich archiefstukken in archiefdozen op de zolder van de plaatselijke brandweerkazerne en in het archiefdepot van de gemeente Uden en werden er ook stukken aangetroffen in kasten en bureaux op diverse afdelingen ter secretarie. Er was dan ook geen inzicht in de omvang van het archief. De geschatte omvang was 8 meter. De ordening van het archief was zaaksgewijs. Voor de rangschikking van de dossiers maakte men gebruik van de code V.N.G.. De chronologie binnen de dossiers was redelijk aangehouden. Het is niet geheel duidelijk of in het verleden reeds vernietiging heeft plaatsgevonden. Er is wel geconstateerd, dat er nog al wat stukken ontbraken. Deze konden - ondanks intensieve nasporingen - niet worden achterhaald. Van dit archief was - voor zo ver na te gaan - geen inventaris opgemaakt. Sporen van een oude orde zijn nauwelijks gevonden. Ook werden er geen neveningangen, overzichten, schema's e.d. aangetroffen.
Bewerking

De inventaris omvat de periode 1919-1979. Alhoewel pas in 1925 sprake is van een beheersverordening, meen ik toch 1919 als begindatum te moeten aannemen en wel om de volgende redenen. In 1919 werd door de Gemeenteraad van Uden, in zijn vergadering van 6 dec, de Ontginningscommissie - bestaande uit burgemeester Thijssen, J.P. Strik, H. van Mil, J.G. Wintermans, M.P. van Lieshout en A. Tonijs - ingesteld.De commissie verkreeg algehele machtiging tot verdere uitvoering van ontginningsplannen, zoals tekenen contract ter verkrijging van rijksvoorschotten, verdeling boerderijen, vaststelling bouwplannen, keuze eigenaars, enz.. Tevens werden aangetroffen rekeningen en rekeningbewijzen van voor 1925 en wel vanaf 1920. Ook in financiële overzichten wordt steeds gerekend vanaf 1919. De archiefbescheiden, daterend van voor 1919, welke ook in het bedrijfsarchief werden aangetroffen zijn teruggebracht naar het secretarie-archief - in het statisch archief - onder de letter O. Het archief, dat zeer ruim was opgezet - veel dozen waren maar half vol - werd compacter opgezet en sommige dossiers werden gezuiverd van duplicaten. Met betrekking tot de vernietiging wordt het volgende opgemerkt. Na overleg tussen de administratie, archivaris, Interne Zaken en samensteller van deze inventaris werd besloten van de wettelijke mogelijkheden - neergelegd in de "Lijst houdende opgaaf van voor vernietiging in aanmerking komende stukken in gemeente-archieven dagtekenende van na 1850" - geen uitputtend gebruik te maken. Sommige, in administratief opzicht vernietigbare stukken, zijn gehandhaafd, omdat zij in historisch opzicht van belang zijn voor de gemeente Uden en zijn kerkdorpen.
Van de bescheiden, die wel vernietigd zijn, is een overzicht -als bijlage- bij deze inventaris gevoegd. Voor inventarisatie is het inventarisatieschema gevolgd, dat vermeld staat in de bijlage van de circulaire van de Minister van Binnenlandse Zaken van 28 dec 1949, no. 31327: "Algemene regels voor de verzorging van de gemeente-archieven van na 1813". Bij de inventarisatie, welke geschiedde onder mentor J.M.J.F.A. Sluijters, archivaris te Uden, heb ik bijzonder veel hulp gehad van de heer M.J. Voorzee, adjunct-archivaris te Uden. Aan beiden ben ik veel dank verschuldigd. Verder wil ik op deze plaats mijn erkentelijkheid betuigen aan het gemeentebestuur van Uden en het personeel van de afdeling Interne Zaken. Enerzijds stelden zij mij in de gelegenheid de inventarisatie te verrichten, anderszijds stelden zij alle faciliteiten van de gemeente beschikbaar en maakten zij door hun hulp het mogelijk deze inventaris uit te geven.


Nieuwe toestand

Na schoning en inventarisatie van de archiefbescheiden heeft dit archief een omvang van 6 strekkende meter. Het archief is geplaatst in het archiefdepot te Grave.

Bronnen


Bij de geschiedschrijving is, naast het archief van het GOB gebruik gemaakt van:
- privé-documentatie archivaris J. Sluijters;
- "Dorp rondom de dijk" van J.P. Martens, A. v. Ras, J.P. Buur en J. Sluijters;
- "Üden in oude ansichten" door J. Sluijters.
Inventaris
Kenmerken
Vindplaats origineel:
Locatie Den Bosch
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS