Uw zoekacties: Gemeentelijk Industriegebouwenbedrijf Uden, 1946 - 1979
x7657 Gemeentelijk Industriegebouwenbedrijf Uden, 1946 - 1979 ( Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC) )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

7657 Gemeentelijk Industriegebouwenbedrijf Uden, 1946 - 1979 ( Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC) )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
GESCHIEDENIS VAN HET ORGAAN

Uden stond voor een werkgelegenheidsprobleem. Het gemeentebestuur van Uden was zich bewust geworden, dat er iets haperde aan de welvaart van Uden. Om hieromtrent meer informatie te verkrijgen werd het Ekonomisch Technologisch Instituut voor Noord-Brabant (ETIN) te Tilburg opgedragen een onderzoek in te stellen naar de welvaart in de gemeente Uden. In mei 1948 was dit onderzoek beëindigd en in juli d.a.v. bereikte het rapport het gemeentebestuur. Uit het rapport bleek:
a. dat het de boeren in Uden niet voor de wind ging;
b. dat de gemengde zandgrondbedrijven te Uden een te geringe rentabiliteit hadden;
c. dat er in Uden een overcapaciteit in de landbouw was;
d. dat er in Uden in verhouding te veel landbouw en te weinig industrie was;
e. dat in de landbouw te Uden een arbeidsoverschot was van c. 1.000 personen, waarbij naar schatting 300 vrouwen;
f. dat dit arbeidsoverschot jaarlijks nog zou toenemen.
Het gemeentebestuur van Uden wilde dit ontstellende probleem oplossen en stelde zich de vraag: Hoe kan aan het teveel aan beroepsbevolking van nu en van de naaste toekomst bestaansmogelijkheden verschaft worden? Vooral ook omdat naast de werkzaamheid van de daarbij betrokken mannen het bestaan van bijna evenveel gezinnen afhankelijk moest worden gesteld, terwijl de gezinnen in Uden zich in het algemeen verheugden in een grote kinderzegen en het vruchtbaarheidscijfer der Udense vrouwen uitermate hoog lag. Het een en ander deed voor toen en de naaste toekomst een werkgelegenheidsprobleem naar voren komen, dat gezien zijn schrikbarende omvang, door het gemeentebestuur van Uden met de uiterste zorgvuldigheid in goede banen moest worden geleid. Wilde men een redelijk bestaan en een sociaal-economisch verantwoorde welstand aan de bevolking van Uden verzekeren, dan zou alhier een ingrijpende verandering dienen plaats te vinden in de ontplooiing van de economische werkzaamheid.
Alleen een snelle industrialisatie kon nog uitkomst brengen
Voor het teveel aan arbeidskrachten was in de landbouwsektor geen plaats te maken. De boerenbedrijven waren alhier zo klein, dat splitsing van bedrijven vrijwel niet meer aan de orde kon worden gesteld. Voor grondverbetering en grondontginning bestonden slechts geringe mogelijkheden. Een omschakeling van ingrijpende betekenis van landbouw op tuinbouw was uitgesloten. Emigratie (de afvoer van geselecteerden, dus de besten, naar het buitenland om elders hun geluk te beproeven) was slechts voor enkelen mogelijk en niet tot grote proporties op te voeren. Het arbeidsoverschot in de landbouw moest dus voor het grootste gedeelte buiten de landbouw worden te werk gesteld, wilde de agrarische bevolking niet verpauperen. De meest voor de hand liggende en de vrijwel enige oplossing was een snelle industrialisatie van Uden.
Uden moest ook opkomen voor de in deze op haar aangewezen randgemeenten
Het werkgelegenheidsprobleem was niet een probleem, dat in Uden alleen bestond. Het Provinciaal Bestuur van Noord-Brabant hield zich reeds geruime tijd in breder verband met hetzelfde vraagstuk bezig. Genoemd bestuur was daarbij tot de conclusie gekomen, dat voor de welvaart van de provincie het aantrekken van een belangrijke hoeveelheid industrie noodzakelijk was en dat ter bevordering van een juiste spreiding van die industrie kleine industriële centra moesten worden gesticht, die elk het middelpunt zouden moeten vormen van een gebied met een straal van c. 6 km. In dit verband was Uden als industrie-centrum geprojecteerd voor de gemeenten Uden, Zeeland en Nistelrode met een inwonersaantal van respectievelijk (afgrond) 10.800, 3.500 en 3.800 of te samen 18.100 en met een agrarisch arbeidsoverschot van respectievelijk rond 1.000, 800 en 300 of te samen 2.100. Uden had dus als taak zoveel industrie aan te trekken en op te nemen als nodig zou zijn voor het wegwerken van de arbeidsoverschotten in genoemde drie gemeenten. Het was verheugend te weten, dat het Provinciaal Bestuur het o.m. tot zijn taak rekende de komst van industrie in de geprojecteerde nieuwe industrie-centra te bevorderen. Maar men moest daarbij niet uit het oog verliezen, dat het Provinciaal Bestuur gen industrieën plaatste, geen nieuwe bedrijven uitdeelde, noch verlotingen hield met als prijs een fabriek of werkplaats. Wilde de gemeente Uden de nodige industrie verkrijgen, dan zou zij die zelf moeten aantrekken. Zij zou dit moeten doen door het scheppen van gunstige vestigingsfactoren.
Wat had Uden in de voorliggende jaren gedaan om de weg te banen voor meer industrie?
Er was te Uden de laatste jaren hard gewerkt aan het scheppen van gunstige vestigingsfaktoren. De van oudsher reeds bestaande centrumfunctie van Uden werd versterkt. De weekmarkt kwam tot grotere bloei. De fruit- en groenteveiling breidde belangrijk uit en zag haar omzet met sprongen stijgen. De U.L.O. school kwam in een grotere belangstelling. Haar nieuwe huisvesting kwam in voorbereiding; de bouw van een geheel nieuwe U.L.O. school zou spoedig volgen. Er werden een tuinbouwschool en een huishoudschool gesticht. De stichting van een avondnijverheidsschool kreeg haar beslag. Zij zou de voorloopster zijn van de te Uden op te richten dagambachtschool. Voor scholing en herscholing van arbeiders werd een Rijkswerkplaats geopend. Er kwam een Marinierskamp met een bezetting van een kleine 2.000 man. Door het geven van meer bekendheid aan het aanwezige natuurschoon nam het vreemdelingenverkeer sterk toe. De plaatselijk vertegenwoordigde banken, te weten de Amsterdamsche Bank N.V., de Incasso-Bank N.V. en de Coöperatieve Boerenleenbank breidden hun relaties uit. Diverse aan- en afvoerwegen werden verbeterd. Velen zouden in de naaste toekomst nog een beurt krijgen. Straten en pleinen werden vernieuwd. Rond 18 km. zandweg werd verhard. De straatverlichting werd belangrijk verbeterd en uitgebreid.
De moderne natriumverlichting deed haar intrede. Het aantal autobuslijnen werd vermeerderd en het aantal busdiensten nam sterk toe. Naast een treinverbinding voor goederenvervoer kwam een treinverbinding voor het vervoer van personen. De gemeente bouwde woningen. Door particuliere bouw, door woningsplitsing en door woningverbetering werd eveneens veel woonruimte gewonnen.
Aan industrieterreinen was geen gebrek. De gemeente zelf beschikte over centraal gelegen, goedkope, ruime industrieterreinen, waarop zonder bijzondere voorzieningen de zwaarste gebouwen konden worden opgetrokken. De jongste aanwinst in 1949 was een aaneengesloten complex van bijna 25 ha. groot. Een prijs van 15-20 cent per vierkante meter bouwrijp industrieterrein zou voor geen ondernemer bezwaarlijk mogen zijn. Van electriciteit, gas en water zou gebruik gemaakt kunnen worden.
Met dit alles zou de weg voor meer industrievestiging in Uden volkomen gebaand zijn, ware het niet, dat Uden geen industriegebouwen meer aan te bieden had, omdat de toenmalige beschikbare en bruikbare gebouwen inmiddels reeds in beslag waren genomen door een vijftal nieuwe industrieën en door de uitbreidingen van reeds aanwezige ondernemingen.

De stichting van industriegebouwen
Er zouden in Uden dus industriegebouwen moeten worden gesticht. Dit was het voornaamste, het meest urgente, maar ook het moeilijkste en het kostbaarste. Maar Uden zou Uden niet zijn, wanneer voor deze moeilijkheid uit de weg werd gegaan. Men kon er op rekenen, dat ook deze hindernis genomen zou worden.
Het gemeentebestuur van Uden had ondervonden, dat de kleine en middelgrote industrieën - zijnde de industrieën waar Uden het toch van hebben moest - vaak niet voldoende kapitaalkrachtig waren of om andere redenen niet bereid waren naast de kostbare inrichting van hun werkplaats een fabrieksgebouw op te richten.
Dit bracht het gemeentebestuur van Uden op de gedachte industrieruimten te bouwen, die tegen billijke vergoedingen en onder schappelijke voorwaarden door belangstellenden konden worden gehuurd, desgewenst konden worden gekocht. Alvorens hiertoe over te gaan, alvorens deze voor Uden zo gewichtige stap te zetten, stelde het gemeentebestuur zich in contact met vele autoriteiten en diverse alleszins bevoegde instellingen.
Na rijp beraad kwam men tot de conclusie, dat het beoogde doel, n.l. de stichting van industriegebouwen in Uden, het best te bereiken zou zijn via een daarvoor in het leven te roepen stichting. Zo kwam de Stichting "Industriegebouwen Uden" tot stand, waarvan het bestuur uit de navolgende personen bestond:
Voorzitter: G.I.M. van Kemenade, burgemeester van Uden.
Secretaris-penningmeester: drs. H.J.M. van de Laar, werkzaam bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Noord-Brabant te 's-Hertogenbosch.
Leden: J.M.C. Teppema, secretaris van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Noord-Brabant te 's-Hertogenbosch; drs. H.A.G. Moonen, directeur van het ETIN te Tilburg; drs. F.A. van den Hout, directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau te 's-Hertogenbosch; dr. J.A.J.M. Kirch, oud-inwoner van Uden en lid van het College van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant te 's-Hertogenbosch; mr.dr. N.H.L. van den Heuvel, advocaat en procureur en directeur van de diocesane R.K. Middenstandsbond te 's-Hertogenbosch; mr. J.J.M. Werner, burgemeester van Zeeland; L.J.J.M. Aldenhuijsen, fabrikant te Uden; G.H. Coenen, fabrikant te Uden; W.A.C. Jansen, fabrikant te Vught; F.J.M. Kirch, fabrikant te Uden; F. van Lieshout, kassier van de Boerenleenbank en wethouder van Uden; A.C.M. Aldenhuijsen, grossier en wethouder van Uden; L.J.J. van Hezewijk, gemeentesecretaris van Uden. Uit de samenstelling van het bestuur bleek duidelijk, dat zeer bekwame en zeer bevoegde krachten de handen ineen hadden geslagen om Uden naar boven te brengen. Nu de industrialisatie van Uden mede ter hand werd genomen c.q. werd gesteund door prominente figuren van ook buiten Uden, kon resultaat niet uitblijven.
Hoe had men zich het verloop van zaken gedacht?
Dat er voor de nieuwe Stichting veel en belangrijk werk aan de winkel was, behoeft nauwelijks te worden gezegd. Men had zich het verloop van zaken voorlopig als volgt gedacht. Het ontwerpen van de nodige fabrieksruimten zou worden opgedragen aan een erkend architectenbureau, dat met fabrieksbouw door en door vertrouwd was. Dit zou als resultaat hebben, dat de te stichten gebouwen op de eerste plaats aan de hoogste eisen der economie zouden voldoen en dat daarnaast de volle aandacht zou worden geschonken aan de uiterlijke vormgeving. Zoveel mogelijk zou voor iedere onderneming een op zichzelf staand gebouw worden geprojecteerd met enig reserveterrein er om heen; dat laatste met het oog op eventuele latere uitbreidingen. Iedere onderneming zou dus geheel vrij en op zichzelf komen te staan en ter plaatse kunnen uitgroeien. Bij het bouwen werd zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van de ondernemer. Dit sloot niet uit, dat enige normalisatie werd doorgevoerd, wat nodig was om de gebouwen niet te duur te maken. Bovendien zou normalisering tot grotere eenheid voeren, waardoor de massawerking zou worden verhoogd.
Dit vooral met het oog op de betrekkelijk geringe afmetingen van ieder gebouw afzonderlijk. De normalisering zou niet alleen in ramen, deuren e.d. kunnen worden doorgevoerd, maar zij diende grotere eenheden te bevatten, waaruit de fabrieksruimten werden opgebouwd zowel in verticale als in horizontale zin. De fabrieksgebouwen met het bijbehorende terrein konden worden gehuurd en desverlangd direct of later worden gekocht. Ook werd overwogen een huurkoopsysteem in te voeren. Men ziet, Uden gooide haar poorten wijd open. Bijna geen enkele industrie die vestiging zocht, kon nog bezwaren hebben om naar Uden te komen. Gegadigden voor industrievestiging konden zich voor nadere gegevens wenden tot het secretariaat van de Stichting "Industriegebouwen Uden", per adres Kamer van Koophandel te 's-Hertogenbosch.
Taak en werkzaamheden Industriegebouwenbedrijf Uden.
Nadat de Raad in zijn vergadering van 9 dec 1948 door vaststelling van de 34e wijziging van de gemeentebegroting 1948 een krediet van f 3.000,- beschikbaar had gesteld ter bevordering van de vestiging van industrie in Uden en in aansluiting hierop bij akte, verleden voor notaris A.J.J. Stael te Uden, op 21 jan 1949 was opgericht de Stichting "Industriegebouwen Uden", achtte men het toch raadzamer een bedrijf, het Industriegebouwenbedrijf Uden, in te stellen. Dit gebeurde bij Raadsbesluit van 14 apr 1949. Tevens werd dit bedrijf aangewezen als tak van dienst in de zin van art. 252 van de Gemeentewet. Dit hield in, dat t.a.v. de industriehallen de zgn. begrotingsboekhouding los werd gelaten, om daarvoor een administratie te voeren als van en afzonderlijk deel van het gemeentelijk vermogen. De inkomsten en uitgaven werden afgescheiden van de overige inkomsten en uitgaven van de gemeente. Er werd op deze wijze een overzichtelijk beeld van de exploitatieresultaten verkregen. Tegelijk met de aanwijzing als tak van dienst werd voor het industriegebouwenbedrijf een beheersverordening vastgesteld. Hierin werd bepaald, dat het bedrijf beheerd zou worden door het College van Burgemeester en Wethouders. De dagelijkse leiding werd opgedragen aan de directeur van het bureau gemeentewerken. Met het geldelijk n administratief beheer werd belast een door burgemeester en wethouders te benoemen administrateur. Bij raadsbesluit van 30 jun 1949 werd besloten een 5-tal industriehallen te bouwen op het voor industrievestiging bestemde terrein van de gemeente aan de Volkelseweg. De gronden hiervoor, 28.497 vierkante meter, werden genomen uit de algemene dienst van de gemeente en ingebracht in het Industriegebouwenbedrijf Uden.
Het lag in de bedoeling de hallen te verhuren voor een tijdvak van tenminste 10 jaren. Gegadigden hadden zich reeds gemeld, namelijk:
1. N.V. Tilburgsche Garenfabriek Tilga te Tilburg;
2. Nieuwenhuis Kunststoffenindustrie N.V. te Uden;
3. ir. P.H.M. van Gennip te Mill;
4. firma H.W. Ceelen en Zn. te Helmond;
5. N.V. Gruno en Adek Rijwielenfabrieken te Nijmegen;
6. Favro te Bussum.
Met genoemde bedrijven werd een voorlopige huurovereenkomst gesloten, welke bij oplevering van de voor hen bestemde hal omgezet werd in een definitieve. De eerste hallen moesten worden gefinancierd uit eigen middelen. Toen 4 hallen voltooid waren, kwam de eerste rijkssubsidieregeling (circulaire van de minister van Economische Zaken van 22 feb 1951, nr 75371. J.R.). De gemeente heeft nog getracht om voor deze, reeds gerealiseerde hallen een rijkspremie te verkrijgen. Het verzoek werd echter afgewezen. Het industriecomplex aan de Industrielaan werd in de jaren vijftig nog uitgebreid. Aan de Udenseweg 8 werd een hal gebouwd t.b.v. de Rijkswerkplaats voor Vakontwikkeling; aan de Nijverheidsstraat 4 kwam de Haagsche Meubelfabriek J.M. van den Dungen en Zn.; Philips Gloeilampenfabrieken N.V. te Eindhoven bouwde een Philitefabriek en een Keramiekfabriek. De Nederlandse Kroon Rijwielenfabriek N.V., die de hal van N.V. Gruno en Adek had overgenomen, breidde haar complex uit met een derde hal. In 1968 werd de laatste hal door het Industriegebouwenbedrijf Uden gebouwd. Deze hal, gelegen aan de Liessentstraat werd in huurkoop verkocht aan Bruynzeel Fineerfabrieken N.V. te Zaandam. De hallen werden op één na allemaal verhuurd. Dat het voor de bedrijven toch nog moeilijk was zich in Uden te handhaven blijkt wel uit de vele malen dat de huur niet op tijd kon worden voldaan. Enkele bedrijven zijn dan ook na korte tijd opgestapt of gingen failliet.
Zo verdween Tilga en werd die hal verhuurd aan N.V. Philips; werd Gruno en Adek overgenomen door Nederlandse Kroon Rijwielenfabriek N.V. en ging Van Gennip failliet. Zijn bedrijf werd voortgezet door Raaymakers. In 1960 werd een begin gemaakt met de verkoop van de industriehallen. Achtereenvolgens werden verkocht:
Industrielaan 4 aan firma H.W. Ceelen en Zn. (raadsbesluit 3 mei 1960);
Industrielaan 5 aan Raaymakers (raadsbesluit 3 mei 1960);
Industrielaan 8 aan Gebr. Van der Horst (Favro) (raadsbesluit 18 nov 1960);
Nijverheidsstr 4 aan J.M. van den Dungen (raadsbesluit 23 okt 1963);
Industrielaan 7 aan Nieuwenhuis Kunststoffenindustrie (raadsbesluit 22 okt 1964);
Industrielaan 6 aan Nederlandse Kroon Rijwielenfabriek (raadsbesluit 31 mrt 1970):
Industrielaan 2 aan Philips Gloeilampenfabrieken N.V.(raadsbesluit 30 mei 1974).
Sindsdien is het stil geworden rond het Industriegebouwenbedrijf Uden. De huur van de panden, die het bedrijf nog onder zijn beheer had liep gewoon door, totdat de raadscommissie voor Financiën en belastingen bij rapport van 12 apr 1978 adviseerde om - ingaande het jaar 1979 - het industriegebouwenbedrijf Uden op te heffen en de aanwijzing als tak van dienst als bedoeld in art. 252 der Gemeentewet in te trekken. Burgemeester en wethouders hebben zich over dit advies beraden en zijn tot de conclusie gekomen, dat de opheffing van het bedrijf was aan te bevelen.
Burgemeester en wethouders schreven in hun advies aan de raad o.a. het volgende:
"Onder de huidige omstandigheden kan het niet meer als een taak van de gemeente worden beschouwd om ten behoeve van landbouw en industrie bedrijfsaccomodaties te stichten en aan ondernemers ter beschikking te stellen. De na-oorlogse financierings- subsidie- en premieregelingen bieden voldoende mogelijkheden om levensvatbare bedrijven te stichten en te exploiteren."
Naar aanleiding van genoemd rapport besloot de raad der gemeente Uden in zijn vergadering van 20 aug 1979 tot opheffing van het Industriegebouwenbedrijf Uden. De opheffing leidde slechts tot een verandering in de administratieve verantwoording van de exploitatiebaten en -lasten en van het vermogen van het bedrijf. De bezittingen van het Industriegebouwenbedrijf Uden werden in de Algemene dienst geadministreerd en de gevormde bedrijfsreserves ad f 7.571,72 werden aan de Algemene reserve van de kapitaaldienst toegevoegd. Tenslotte zij nog opgemerkt, dat de Stichting "Industriegebouwen Uden" heden (1981) nog steeds bestaat.
Geschiedenis van het archief

Oude toestand
De hierna volgende inventaris bevat de beschrijving van de archiefbescheiden van het Industriegebouwenbedrijf Uden, inegsteld bij raadsbesluit dd. 14 apr 1949 en opgeheven bij raadsbesluit dd. 20 aug 1979. Het archief is in de eerste jaren verzorgd door de administrateur van het bedrijf. In een later stadium is de verzorging overgenomen door de afdeling Interne Zaken ter secretarie. Het archief was oorspronkelijk opgeslagen in c. 35 achiefdozen en een twaalftal ordners. Het besloeg c. 6 strekende meter archiefruimte en stond gedeeltelijk op de zolder boven de brandweerkazerne en gedeeltelijk op diverse afdelingen ter secretarie. De verzorging maakte een goede indruk. Weliswaar waren de bescheiden niet geheel stofvrij, maar zij waren stevig en gelijkmatig in omslagen gehecht en de chronologie binnen de zaaksgewijs gevormde dossiers was redelijk aangehouden. De systematiek was goed; het ordeningsplan bestond uit een op volgorde van codenummer geplaatst dossierbestand, waarbij gebuik was gemaakt van de code V.N.G.. Bij het archief werden geen neveningangen, overzichten, schema's e.d. aangetroffen.
Bewerking
De onderhavige inventaris omvat de periode 1949-1979. Er werden echter bescheiden aangetroffen van een eerdere datum dan 1949. Dit waren bescheiden, welke betrekking hadden op de voorbereiding tot de instelling van het bedrijf. Blijkens hun registratiekenmerk behoren genoemde bescheiden in het secretariearchief thuis en uit oogpunt van "herkomstbeginsel" zijn deze bescheiden dan ook naar hun plaats in dit archief - onder codenummer -1.824.1 - teruggebracht. Ook moet worden opgemerkt, dat in een enkel geval in het secretariearchief bescheiden werden aangetroffen, die duidelijk tot het bedrijfsarchief behoorden. Er bleek dat vermenging van archieven had plaatsgevonden, hetgeen is gecorrigeerd. De dossiers zijn gezuiverd van duplicaten en van stukken, die niet als archiefbescheiden, ingevolge de Archiefwet kunnen worden aangemerkt, zoals kranten- en tijdschriftenartikelen. Met betrekking tot de vernietiging wordt opgemerkt, dat in overleg met de administratie enerzijds en de streekarchivaris anderzijds, van de wettelijke mogelijkheden - neergelegd in de "Lijst houdende opgaaf van voor vernietiging in aanmerking komende stukken in gemeentearchieven dagtekenende van na 1850" - geen uitputtend gebruik is gemaakt. Overwogen is namelijk, dat de door het industriegebouwenbedrijf Uden gevoerde activiteiten in de zestiger jaren een belangrijke basis zijn geweest voor het industrialisatiebeleid in de gemeente Uden en dat het uit dien hoofde gerechtvaardigd is, zeker uit oogpunt van de historische ontwikkeling, om bepaalde bescheiden die volgens de wettelijke normen zouden mogen worden vernietigd, toch te bewaren.
De inventarisatie werd begeleid door de heer J. Sluijters, archivaris te Uden. Hem ben ik bijzonder dankbaar voor zijn begeleiding bij het tot stand komen van deze inventaris. Dank ben ik verder verschuldigd aan de heer M. Voorzee, adjunct-archivaris te Uden, die niet alleen bij de ordening van het onderhavige archief, maar ook bij andere facetten van mijn studie veelvuldig zijn hulp verleende. Verder wil ik op deze plaats mijn erkentelijkheid betuigen aan het gemeentebestuur van Uden en het personeel van de afdeling Interne Zaken. Enerzijds stelden zij mij in de gelegenheid de inventarisatie te verrichten, anderzijds stelden zij alle faciliteiten van de gemeente beschikbaar en maakten zij door hun hulp het mogelijk deze inventaris uit tegeven.

Huidige toestand
Na bewerking van onderhavig archief is dit van zijn oorspronkelijke lengte van c. 6 strekkende meter teruggebracht tot ongeveer 4 meter.
Het archief is geplaatst in het archiefdepot van de gemeente Uden. Opstelling van het archief geschiedt in volgorde van de inventarisnummers, die zowel staan op de dossieromslagen, als op de buitenzijde van de dozen.
Via fusie van archiefdiensten is dit archief, evenals ook andere Udens oude archieven, van
c. 1990-2007 geplaatst geweest bij het streekarchief te Veghel en in laatstgenoemd jaar overgebracht naar de Citadel te 's-Hertogenbosch. In februari 2008 tenslotte zullen de Udense oude archieven overgebracht worden naar de vestiging Grave.

M.A. van Peer
Uden 1981
Inventaris
Kenmerken
Vindplaats origineel:
Locatie Den Bosch
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS