Uw zoekacties: Polder van Empel en Meerwijk, (1315) 1619-1942
x7423 Polder van Empel en Meerwijk, (1315) 1619-1942 ( Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC) )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

7423 Polder van Empel en Meerwijk, (1315) 1619-1942 ( Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC) )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
Ontstaan van de polder. Wanneer de polder van Empel en Meerwijk ontstaan is, kan niet exact worden vastgesteld. Uit een akte van de schepenen van de stad ’s-Hertogenbosch van 1315, waarvan een kopie voorkomt in het “Rood Privilegieboek” (Gemeente-Archief van ’s-Hertogenbosch, inv. Nr. A 525 fol 97 vv.) van ’s-Hertogenbosch, blijkt achter, dat er reeds toen heemraden van Empel en Meerwijk waren en dat er reeds een vrij uitvoerig dijkrecht bestond met betrekking tot de dijken onder Empel.
Grenzen. De polder van Empel en Meerwijk werd in het noorden begrensd door de Empelse Maasdijk, in het oosten en zuiden door de polder “Van der Eigen”, waarvan hij gescheiden werd door de Plooijse Wetering, de Ulpersloot en de Benedenste Plooijse wetering en in het westen door de Diezedijk. ( Zie de getekende en gekleurde “Caart Figuratief der geformeerde inundatie van de Hoofd-Stad, Forten en Situatie van ’s-Hertogenbosch”van de geadmitteerde landmeter voor de Hove van Brabant en Gelderland, Joh. Camp. 1785. Gemeente-Archief van ’s-Hertogenbosch). Het grondgebied van de polder lag geheel binnen de Heerlijkheid Empel en Meerwijk, die het dorp Empel en de buurtschappen Meerwijk en Gewande omvatten. Dit grondgebied is vrijwel ongewijzigd gebleven tot 1942, toen de polder als zelfstandig waterschap werd opgeheven en tezamen met de polder Van der Eigen werd omgezet in het waterschap “Polder van den Eigen en Empel”.
Dijkstoel Uit een oorkonde van Hertog Jan IV van Brabant van 5 februari 1419 ( Gemeente-Archief van ’s-Hertogenbosch, inv. Nr. 353) blijkt onder meer, dat de dijkstoel van de polder gevormd werd door de Dijkgraaf en zeven Heemraden, die door de Hoogschout van de Meijerij te ’s-Hertogenbosch beëdigd werden. In deze oorkonde verordineerd de hertog tevens, dat de poirters van ’s-Hertogenbosch aan de jurisdictie van de dijkstoel van Empel en Meerwijk onderworpen waren en zich niet zouden kunnen beroepen op hun privilege,
dat zij slechts in de stad ’s-Hertogenbosch konden terechtstaan. Op 11 november 1737 werd door de Raad van State een Reglement op de dijkproceduren voor de polder goedgekeurd. Volgens dit reglement zal de dijkstoel blijven bestaan uit de dijkgraaf en zeven heemraden. De dijkgraaf zal aangesteld worden door de Heer van Empel “die daartoe van ouds gerechtigd is”. Tot heemraden zullen in het vervolg gekozen worden degenen, die in de polder “het notabelst” geërfd zijn, daar woonachtig zijn en in de polder minstens vijf morgen land in eigendom hebben. Zij worden door de dijkgraaf beëdigd.
Dijkschrijver en dijkbode. Het ambt van dijkschrijver zal, naar het reglement van 1737 mededeelt, door de Heer van Empel vergeven worden en ook hij moet de eed afleggen in de handen van de dijkgraaf, evenals de dijkbode, waartoe de vorster van Empel gebruikt wordt.
Gecommitteerden De geërfden stellen uit hun midden drie gecommitteerden aan, waarvan er twee moeten wonen binnen de stad ’s-Hertogenbosch (zg. binnengecommitteerden) en de derde in Empel (zg. buitengecommitteerde). Zij worden telkens voor een termijn van drie jaar gekozen. Zij leggen hun eed af in handen van de dijkgraaf. Om tot gecommitteerde aangesteld te kunnen worden, moest men tenminste tien morgen land in de polder in eigendom hebben. De taak van de binnengecommitteerden bestond in toezicht op het bestuur en de financiën van de polder, op de verpachtingen en aanbestedingen en op het beheer van de penningmeester. De taak van de buitengecommitteerde bestond in het toezicht op onderhoud en reparaties van sluizen, bruggen, draaibomen en andere polderwerken en op het onderhoud en opmaken van de dijken en achterdijken, het graven en uitdiepen van weteringen en sloten en het openen en sluiten van de sluizen. Over het uitvoeren van kleine reparaties, waarvan de kosten beneden de fl. 6,-- bleven, kon hij zelfstandig beslissen, over grotere reparaties besliste hij samen met de beide binnengecommitteerden.
Geërfden Om als geërfde stamrecht te hebben, moest men volgens het reglement van 1737 tenminste vijf morgen land in de polder in eigendom hebben. Onder de geërfden werd nog onderscheid gemaakt tussen gewone geërfden en hoofdingelanden, n.l. de rentmeesters van het land, de Heer van Empel, de rentmeesters van het Gasthuis, het Geefhuis en de kerken en de grootste geërfden. Deze hoofdingelanden mochten hun stem het eerst uitbrengen en deze motiveren, voordat de gewone geërfden mochten stemmen.
Penningmeester. Volgens het reglement van 1737 wordt de penningmeester door de geërfden aangesteld en legt deze zijn eed af in handen van de dijkgraaf ten overstaan van tenminste twee gecommitteerden. Om steeds gemakkelijk bereikbaar te zijn, moet hij zijn normale beroep uitoefenen binnen de stad ’s-Hertogenbosch. Voor hij zijn ambt aanvaardt, moet hij een zekerheid stellen van fl. 1.000,--. Zijn taak omvat naast de normale werkzaamheden als penningmeester ook het houden van de notulen van de vergaderingen van de gezamenlijke geërfden en van de gecommitteerden en het doen van aanbestedingen en verpachtingen, verkoop van hout en oude dijkmaterialen en dergelijke. Hij is gehouden jaarlijks rekening en verantwoording af te leggen. Zijn rekeningen worden gesloten door de gecommitteerden ten overstaan van de dijkstoel en in het bijzijn van de geërfden. Geschillen in verband met de rekening worden door de dijkstoel beslecht, behalve die, welke gerezen zijn over de posten, die de dijkstoel, de dijkschrijver of de gecommitteerden aangaan. Deze laatste worden afgedaan bij meerderheid van stemmen van de geërfden. Van de beslissingen staat beroep open door de Raad van State te benoemen commissarissen. Voor het invorderen van huren, pachten, omslagen etc. was de penningmeester bevoegd om gebruik te maken van alle rechten, die de polder op dit stuk toekwamen, terwijl hij gemachtigd was, mits hij de gecommitteerden hiervan mededeling deed,
aan de Raad van State een executoriaal voor de invordering te vragen.
Schouwvoering. Uit de eerder genoemd schepenakte van 1315 blijkt, dat er toen reeds driemaal per jaar een dijkschouw moest plaatshebben, te weten op Sint Gertrudisdag in maart, Sint Jans Geboorte en Sint Martinus in de winter (17 maart, 24 juni en 11 november). Tot deze schouw waren de landsheer en de heemraden gehouden en zij hadden de bevoegdheid om boeten op te leggen, defecte dijken te doen herstellen en de kosten hiervan op de nalatigen te verhalen. Blijkens de eerder vermelde oorkonde van Hertog Jan IV van Brabant van 1419 was de Hoogschout van de Meierij te ’s-Hertogenbosch bevoegd als “overste dijkgraaf”de Maasdijken van Grave tot de Dieze te schouwen. Het reglement op de dijkprocedures van de polder van 1737 onderscheidde drie soorten schouwen:
A. Schouw van de Maasdijken. In de maand maart moest de dijkstoel een keur uitvoeren op de Maasdijken, waarbij de toestand van de dijken werd onderzocht. Het resultaat hiervan werd te Empel bekendgemaakt, zodat alle voor bepaalde dijkvakken aansprakelijke personen (dijkgeslaagden) wisten, in welke toestand hun dijkvakken verkeerden. In juni of juli (ter halver aarde) en in september (ter voller aarde) werden dan schouwen gevoerd. Naast deze beiden konden nog buitengewone schouwen plaatshebben indien dit noodzakelijk werd door watersnood, ijsgang, dijkdoorbraken e.d. De schouw diende te geschieden door de dijkgraaf, de heemraden, de dijkschrijver en de dijkbode, doch indien bij buitengewone schouwen de tijd ontbrak, dit gehele college bijeen te roepen, waren de heemraden bevoegd de schouw uit te voeren zonder de dijkgraaf. De dijkgraaf inspecteerde de dijk aan de hand van de gegevens, verkregen uit de in het voorjaar uitgevoerde keur. Als hij bevond, dat bepaalde dijkvakken gebreken vertoonden, vroeg hij telkens van de heemraden een declaratoir vonnis. Deze spraken dan uit, dat het betreffende dijkvak gebreken vertoonde,
dat het schouwbaar was en zij legden een boete op aan de betrokken dijkgeslaagde. De dijkgraaf vroeg dan tot viermaal toe, of er iemand was, die het dijkvak wilde onderstaan (“er voor wilde geloven”). Kwam er dan een gelover opdagen, dan moest hij de opgelegde boete voldoen en werd hem een bepaalde termijn gegund, waarbinnen hij het dijkvak alsnog in orde kon brengen. Kwam er geen gelover, dan werden de nodige werkzaamheden onmiddellijk op last van de dijkgraaf door de dijkbode aanbesteed op kosten van de nalatige dijkgeslaagde. De kosten van de aanbesteding werden op ordonnantie van de gecommitteerden door de penningmeester voorlopig betaald. Voor het terugvorderen van deze kosten en het innen van de opgelegde boetes bestonden twee mogelijkheden: de dijkgraaf kon op de dijkprocederen of de gecommitteerden konden verklaren, dat de polder zelf het gebrekkige vak alsnog onder beding van het boezemrecht wilde onderstaan. In dit geval werden de goederen van de nalatige dijkgeslaagde in beslag genomen, om door de polder verhuurd te worden, zodat uit de opbrengst de kosten verhaald konden worden. Was deze huur niet voldoende, dan kon door executoriale verkoop hetzelfde doel bereikt worden. Welke mogelijkheid gevolgd zou worden, hing af van de gegoedheid van de dijkgeslaagde. In de dijk- of klopcedule was van alle dijkgeslaagden aangetekend, welke onroerende goederen in en buiten de polder hun eigendom waren.
B. Klopschouw. Te beginnen met het jaar 1738 moest om de vijftien jaar een klopschouw op de Maasdijken gevoerd worden. De datum, waarop deze schouw zou worden gevoerd, werd zes, vier en twee weken tevoren op zondagen te Empel en ’s-Hertogenbosch openbaar bekend gemaakt. Bij deze schouw werd men slechts als gelover toegelaten, als men zijn titel van eigendomsverkrijging kon tonen of, als men als gemachtigde van een ander geloofde, als men bewees, dat die ander nog in leven was.
Voor het overige verliep de schouw geheel overeenkomstig de normale schouw van de Maasdijken.
C. Binnenschouw. De binnenschouwen moesten ten minste driemaal per jaar gevoerd worden over de “wegen, straten, stegen, achterdijken, zeedijken, wateringen, tochtsloten en was des meer zij”. Over de noodzaak en data van de schouwen besliste de dijkstoel, na de gecommitteerden hierover advies gevraagd te hebben. De schouwdata moesten tenminste vier dagen tevoren te Empel bekend gemaakt worden. Ook deze schouw werd gevoerd door de dijkgraaf en de heemraden. Als zij bevonden, dat een object niet goed onderhouden was, moesten de heemraden doen geloven, dat vóór de veertiende daarop volgende of een latere, door hen vast te stellen dag, het achterstallige onderhoud alsnog zou worden verricht. Kwam er geen gelover, dan vond weer openbare aanbesteding plaats om het werk binnen veertien dagen of een langere, door heemraden vast te stellen termijn te verrichten. Bleek na afloop van de gestelde termijn, dat het onderhoud niet of niet voldoende had plaatsgevonden, dan werd daarvan aan gecommitteerden kennis gegeven, die dan aan de penningmeester opdracht gaven om het werk aan te besteden en de kosten voorlopig voor rekening van de polder te nemen. Om de kosten terug te krijgen mochten de gecommitteerden ten overstaan van de dijkgraaf het land, waarop de onderhoudsplicht rustte, na voorafgaande publicatie verhuren, om de polder uit de huuropbrengst schadeloos te stellen. Was de opbrengst van het land onvoldoende, dan konden gecommitteerden aan de dijkstoel een akte van executabelverklaring vragen, om ook de overige eigendommen van de in gebreke zijnde eigenaar in beslag te nemen en te verhuren. De eigenaars konden binnen het jaar na de aanbesteding hun eigendommen weer terug krijgen, mits zij de door de polder voorgeschoten som met de bijkomende kosten terug betaalden. Deden zij dit niet, dan bleef het land in bezit bij de polder.
Zeeuwse Keur. Om te voorkomen, dat wegens dijkherstelkosten door te talrijke dijkgeslaagden hun landerijen in de steek gelaten werden, werd bij dijkdoorbraak, als een deel van de dijk weggeslagen was, de z.g. Zeeuwse Keur toegepast. Op grond hiervan werd ten koste van de polder door het doorgebroken gat een voorlopige dijk aangelegd tot een breedte van acht voet en een hoogte van vier voet boven het naaste aangelegen vasteland. Dit voorlopige dijklichaam werd meestal ook Zeeuwse Keur genoemd.
Oprichting van het Hoogheemraadschap van Maasland, 1825. Het reglement van 1737 bleef gelden tot het jaar 1825. In deze periode was de waterstaatkundige toestand van de vier Maaspolders, die van Empel en Meerwijk, Van der Eigen, Het Hooghemaal en het Laaghemaal, tengevolge van jaarlijkse overstromingen en gebrek aan samenwerking tussen de betrokken polderbesturen zeer slecht geworden. Om verbetering te brengen in deze deplorabele toestand werd – zij het tegen de wil van de betrokken polders – bij Koninklijk Besluit van 31 oktober 1825 het Hoogheemraadschap van Maasland opgericht. Artikel 1 van dit K.B. bepaalde dat de dijkstoelen van de betrokken polders werden opgeheven en de leden en dijkgraven eervol ontslagen werden. In de plaats hiervan werd één dijkstoel ingesteld onder de naam Hoogheemraadschap van Maasland. (Zie inv. no. 94). Artikel 4 bepaalde: “De Dijkgraaf en de Hoog-Heemraden zullen alle zoodanige magt en jurisdictie hebben en hetzelfde gezag uitoefenen, als de bij artikel 1 ontslagen Dijkgraven en Heemraden, ieder in de hunne, ten gevolge van de onderscheidene polder-reglementen, dijkkeuren, wetten of ordonnantiën, hebben gehad en uitgeoefend; zullen het inwendige beheer der polders in deszelfs geheel worden gelaten, behoudens echter die veranderingen of wijzigingen, welke daarin in het vervolg, en na dat het nieuw Dijkbestuur zal zijn ingevoerd, nuttig of dienstig zouden mogen worden geacht, terwijl dien onverminderd reeds dadelijk alle de
polders-sluizen, kribben, dammen, bermen en rivierwaterkeerende of leidende werken, hoe ook genaamd, onder het beheer van het Hoog-Heemraadschap zullen moeten worden gesteld”. Voor de polder van Empel en Meerwijk bleef een polderbestuur voortbestaan, bestaande uit drie gecommitteerden, dat speciaal over de financiële aangelegenheden, de sluizen en watergangen en alles wat de polder bekostigde, de directie bleef voeren. (Zie “Statistiek Tableau der Polders in Noord-Brabant”, bldz. 340-341, ’s-Hertogenbosch, 1843). De schouw over rivierwaterkerende dijken werd dus voortaan gevoerd door de dijkgraaf en de hoogheemraden van Maasland. De schouwen over de binnenpolder bleven echter aan het polderbestuur opgedragen.
Opheffing van het Hoogheemraadschap van Maasland, 1849. Het Hoogheemraadschap heeft niet voldaan aan de bij de instelling ervan gekoesterde verwachtingen. Pogingen om de steeds opnieuw rijzende bezwaren en geschillen, onder meer over de te hoge kosten van het Hoogheemraadschap, op te ruimen, zijn niet geslaagd. Bij K.B. van 18 mei 1849 werd het Hoogheemraadschap van Maasland opgeheven. Dit K.B. bepaalde onder meer dat de vier Maaspolders terugkeerden in hun respectieve betrekkingen van voor de oprichting van het Hoogheemraadschap en dat zij daarom werden opgenomen in de staat van dijk- en polderbesturen in de provincie Noord-Brabant, die zee- of rivierwaterkerende werken onder hun beheer hebben.
Lotgevallen van het archief. Het archief van de polder van Empel en Meerwijk is slechts gedeeltelijk met diverse grote lacunes bewaard gebleven. Deze lacunes zijn deels het gevolg van oorlogshandelingen bij de bevrijding van ’s-Hertogenbosch in oktober 1944, toen het pand Stationsplein 15 aldaar, waar het archief met het archief van de polder Van der Eigen destijds bewaard werd, door granaatinslagen zwaar beschadigd werd. Vele archiefstukken dragen nog de sporen van granaatsplinters.
Het gespaarde gedeelte van het archief heeft voor een groot deel veel te lijden gehad van vocht. In 1951 werd het archief door de toenmalige secretaris-penningmeester van het waterschap “Polder van Eigen en Empel” overgedragen aan de Provinciale Griffie van Noord-Brabant blijkens een schrijven van hem aan het Provinciaal Bestuur d.d. 20 augustus 1951. (Kopie begeleidend schrijven gevoegd bij proces-verbaal d.d. 7 oktober 1960, 29, Gemeente-Archief ’s-Hertogenbosch). In 1958 werd het archief door de gemeente-archivaris van ’s-Hertogenbosch overgenomen van het archief der Provincie. (Gemeente-archief van ’s-Hertogenbosch, Rapporten en Manuscripten 002.6. Stukken betreffende schenkingen, bruikleningen en inbewaargevingen, 20 december 1958).
Verantwoording van de inventarisatie. Bij de ordening van het archief was het vrijwel onmogelijk, een oude orde te herstellen. Min of meer volledige series waren te onderscheiden van de correspondentie, de rekeningen met bijlagen en de keuren op de dijken. De kennelijk bij deze series behoord hebbende stukken, die los werden aangetroffen, werden elk op zijn plaats in deze series teruggebracht. Van de contracten van aanbestedingen, van verpachtingen van land en visserijen en van de houtverkopingen werden kennelijk door latere penningmeesters gevormde, onvolledige series aangetroffen. Aangezien op deze contracten meestal tevens de kwitanties waren geplaatst, werden deze stukken op hun oorspronkelijke plaats als bijlagen tot de polderrekeningen teruggebracht. In verband met de latere samenvoeging van de polder van Empel en Meerwijk en de polder Van der Eigen tot één waterschap, werd zoveel mogelijk deze inventaris ingedeeld overeenkomstig de reeds bestaande inventaris van het archief van de polder van der Eigen, dat eveneens in de archiefbewaarplaats van de gemeente ’s-Hertogenbosch bewaard werd.
Uit het archief moesten stukken verwijderd worden betreffende de polder van der Eigen, de polder de Vliert, de commissie van de vier Maaspolders met betrekking tot de Schutlakense dam, de Osserkade en de Leuterdijk, de commissie tot een verbeterde afwatering tussen Grave en
’s-Hertogenbosch en particuliere stukken van voormalige bestuursleden en penningmeesters. Het veelvuldige voorkomen van deze stukken in het onderhavige polderarchief houdt verband met herhaaldelijk gebleken cumulaties van functies van betrokkenen bij verschillende polders en commissies.
In verband met de soms vrijwel onleesbare staat, waarin vele stukken verkeren, is niet overgegaan tot vernietiging van eventueel hiervoor in aanmerking komende stukken, zodat hieruit eventueel aanvullende gegevens geput kunnen worden.
Het polderarchief bevat behoudens enkele uitzonderingen geen stukken van vóór 1700. Wel werden in de collectie Ackersdijk, een vroegere beheerder van het kantoor van de Domeinen van ’s-Hertogenbosch, een aantal kopieën aangetroffen van oudere stukken betreffende deze polder.
De inventaris werd gemaakt onder leiding van dr. L.P.L. Pirenne (destijds gemeente-archivaris van ’s-Hertogenbosch).
Inventaris
Kenmerken
Vindplaats origineel:
Locatie Den Bosch
Categorie:
  • Zonder categorie
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS