Uw zoekacties: Collectie Firma Jansen-De Wit te Schijndel
x5020 Collectie Firma Jansen-De Wit te Schijndel ( Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC) )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

5020 Collectie Firma Jansen-De Wit te Schijndel ( Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC) )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
‘JéDéWé ofwel De Sok’ en zijn voorgeschiedenis

Helmond

Het boerengezin Jansen dat in 1829 vanuit Weert naar Helmond was getrokken begon een winkel in Veestraat. (Naderhand - veel later - zal het bedrijf Jansen de Wit als oprichtingsjaar 1830 noemen.) Zoon Martinus is echter al jaren eerder kousenmaker van beroep.
Stratum - Opwetten - Tongelre

Zoon Martinus (Weert, 17 juni 1802 – 5 januari 1879), de kousenmaker, trouwde op 11 augustus 1834 met Hendrika van den Boomen. Zij was dochter van Christiaan van den Boomen, die van 1851-1859 burgemeester van Tongelre is geweest. Het echtpaar ging wonen in Stratum, verhuisde in 1837 naar Opwetten en in 1840 naar Tongelre.
Daar beginnen Martinus en Hendrika een kleine machinale kousenbreierij. Hier, in een rij arbeidershuisjes die tot een geheel waren samengetrokken, werden vooral priesterkousen vervaardigd. De gewone grove wollen kousen werden gebreid door een aantal thuiswerksters in dienst van Martinus. Deze thuisbreisters woonden niet alleen in Tongelre, maar ook in de omliggende plaatsen als Nuenen en Geldrop.
Priesterkousen werden machinaal gebreid in de fabriek en grovere sokken werden door thuisbreisters uit de omliggende plaatsen gebreid. Dit was in feite het fabrikeurssysteem. Aldus werd Martinus kousenfabrikant. Met de hondenkar ging hij de breisters langs om garens te brengen en kousen op te halen.
Het echtpaar kreeg drie zoons: Christiaan, Jacobus en Martinus (29 augustus 1855-26 december 1929). Dezen zetten na de dood van vader Martinus het bedrijf voort. De oudste twee zoons bleven ongehuwd, maar Martinus trouwde op 16 juni 1892 te Stratum met Catharina de Wit uit Valkenswaard. Het bedrijf te Tongelre heeft nog bestaan tot 1910 en werd geleid door Christiaan en Jacobus.
Woensel

Martinus en zijn vrouw Catharina begonnen in Woensel op het Fellenoord onder de naam De Sleutel een blauwververij, kousenhandel chemische wasserij en textielververij. De kousen betrok Martinus onder meer uit de breierij van zijn broers in Tongelre. Niet lang daarna begon hij ook zijn eigen breierij, die hij mede naar zijn vrouw vernoemde: "Machinale Breierij M. Jansen de Wit".
Door de grondstoffenschaarste tijdens de eerste wereldoorlog ging Philips toeleveringsprocessen in eigen beheer uitvoeren en door de expansie werd het voor andere bedrijven steeds moeilijker om aan arbeidskrachten te komen. De oudste zonen van Martinus en Catharina, Martin en Harry zochten daarom de omgeving af naar een gunstige vestigingsplaats.
Schijndel

Uiteindelijk werd gekozen voor Schijndel, waar nog geen grote industrieën waren en wat ver genoeg van Eindhoven lag om de invloed van Philips niet te merken. Slechts enige industrialisatie bestond in de vorm van fabriekjes voor klompen en hoepels. Twintig Schijndelse meisjes leerden het vak van kousenbreister in Woensel, men kocht enkele herenhuizen aan De Kluis en begon in 1915 met de fabriek. Vrijwel direct werd een stuk grond aan de Hoofdstraat gekocht. Al gauw werd er gebouwd aan de Hoofdstraat en op 1 mei 1916 werd de eerste steen gelegd voor "M. Jansen-de Wit, Stoomkousenfabriek".
Groei

Er werkten aanvankelijk 70 mensen, onder wie 66 vrouwen. De leiding van het bedrijf was in handen van Martinus jr. (Martien), die de commerciële leiding had, en Hendricus (Harry), die de dagelijkse leiding op zich nam. De gasmotor uit Eindhoven had hier een gasgenerator nodig, want het plaatselijke gasfabriekje was al gesloten. De motor wekte ook elektriciteit op voor de verlichting, wat nieuw was voor het dorp dat pas in 1920 op het elektriciteitsnet zou worden aangesloten. Ook de fabriek werd hierop aangesloten en er werden rondbreimachines aangeschaft.
In 1919 kwam ook Mathieu Jansen naar Schijndel. Na enige jaren van stagnatie overschreed het aantal personeelsleden de 100 in 1924, waarna zich een sterke groei inzette. Steeds meer handelingen konden met behulp van steeds geavanceerder machines worden gemechaniseerd. In 1923 werd rayon in de kousenindustrie geïntroduceerd, waarvan zogenaamde sjanskousen werden gebreid, de voorloper van de nylonkous. Deze rayon werd geleverd door de Algemene Kunstzijde Unie te Arnhem. Deze kousen, waarvoor verfijnde machines noodzakelijk waren,
Andere vestigingen van Jansen in Geldrop en in Turnhout

Ook in de crisistijd groeide het bedrijf. Men kocht de inventaris van een spinnerijtje in Geldrop, De Helze genaamd, dat tijdens de Eerste Wereldoorlog was ontstaan en in de crisistijd failliet was gegaan. Aldaar werd een eigen spinnerij opgezet onder leiding van Hendricus. Deze breidde uit en telde in 1940 al 150 tot 200 arbeiders.
Het Schijndelse bedrijf had in 1934 reeds 768 mensen in dienst, in 1938 werd de duizendste medewerker verwelkomd en in 1939 werkten er 1435 mensen. In 1939 begon men een vestiging in Turnhout en op 1 februari 1940 werd ook daar een Cottonmachine in werking gesteld.
Oorlog

Bij de bezetting bleven de fabrieken onbeschadigd, maar een klein aantal nazigezinde Duitse arbeiders probeerde nog kwaad aan te richten. Ze moesten echter onder dienst en verdwenen. Het bedrijf breidde aanvankelijk nog verder uit en betrok ook een pand aan de Herengracht 318 te Amsterdam.
In mei 1943 brak er een landelijke staking tegen de bezetter uit waaraan ook de arbeiders in Schijndel deelnamen, en de fabriek werd gebruikt als geheime vergaderplaats voor vertegenwoordigers van de gijzelaars van het Gijzelaarskamp Sint-Michielsgestel, waaronder Wim Schermerhorn. Op 17 september 1944 landden de Amerikaanse parachutisten in Schijndel maar pas op 22 september werd Schijndel bevrijd. Krijgsgevangen Duitsers werden in de kousenfabriek ondergebracht en vervolgens afgevoerd. Maar de Amerikanen bleven niet en de Duitsers kwamen terug, want Schijndel lag juist buiten de corridor. Nu werd luchtafweergeschut op de kousenfabriek geplaatst en op 26 september 1944 werd Schijndel door de geallieerden gebombardeerd, waarbij zeer veel schade werd aangericht. Ook de fabriek was zwaar getroffen en werd daarna nog geplunderd door de vluchtende bezetters. Uiteindelijk werd Schijndel definitief bevrijd op 27 oktober 1944. Men begon met het herstel van de fabriek en in januari waren de gebouwen winddicht. De machines werden hersteld en in april 1945 werd de eerste kous geproduceerd.
De Koninklijke

In 1946 waren er weer 1116 personeelsleden en in 1947 begon men met nieuwbouw. Toen werd, in 1948, de nylonkous geïntroduceerd. Ook los daarvan nam de productie snel toe en in 1951 werkten er meer dan 2000 mensen in de fabriek. Mede dankzij de Marshallhulp kon er veel worden geïnvesteerd. Het bedrijf groeide en ging voor de export produceren. In Schijndel waren niet genoeg werkkrachten voorhanden en er ontstonden ateliers in de omliggende plaatsen. In 1948 gebeurde dit reeds in Oploo en Uden, in 1949 in Boxmeer, in 1951 in Veghel en in 1953 in Sint-Oedenrode. In totaal werkten er 400 meisjes in de ateliers, en zelfs in een aantal zusterkloosters hield men zich bezig met het afwerken van de kousen. In de eigenlijke fabriek werkten in 1953 2100 mensen. Ook de personeelsbezetting in Turnhout nam toe, van 30 in 1948 tot 156 in 1954. In Schijndel werkte toen de helft van de werkende bevolking in de fabriek van Jansen de Wit. Het bedrijf werd betiteld als de grootste kousen- en sokkenfabriek van West-Europa. Halverwege de jaren 60 werden vanwege krapte op de arbeidsmarkt Spaanse gastarbeiders aangenomen. Tussen 1965 en 1974 hebben er een kleine 300 Spanjaarden gewerkt.
Bij het 125-jarig bestaan van het bedrijf en het 40-jarig vestiging in Schijndel in 1955 kreeg het bedrijf het predikaat Koninklijk. Anton Coolen schreef voor die gelegenheid het boek ''Van de breischei tot 75 gauge : Het verhaal van een kousenfabriek 1830-1955 : Gedenkboek uitgegeven bij het veertig jarig bestaan van M. Jansen de Wit's kousenfabrieken N.V. in Schijndel in het honderd vijf en twintigste jaar na de oprichting van het bedrijf".
Behalve de fabrieken in Schijndel waren er in vestigingen als : spinnerij Geldrop, ateliers Boxmeer, Deurne, Luijksgestel, Sint-Oedenrode, Uden en Veghel en Belgische fabrieken in Turnhout en ateliers in Hamont en Overpelt.
Verdere avonturen

Nog groeide het bedrijf, bekend om de brandnames 'B.X', 'Veronica', 'Jovanda', 'Setter Set' en 'MAHAMA', gedurende een vijftiental jaren, maar begin jaren 70 van de 20e eeuw ontstonden ernstige moeilijkheden door een toenemende concurrentie, aanvankelijk vooral vanuit Italië, Oost-Europa en Israël, en door de problematiek van de opvolgingskwestie van de derde generatie, de twee oliecrisissen en de algehele malaise in de Nederlandse textielindustrie. In 1974 besloot het kabinet om aan regeringssteun de voorwaarde te verbinden dat Jansen de Wit moest fuseren met een andere kousenfabriek, en wel Danlon Hin uit Emmen. Met deze fabriek ging het echter nog veel slechter en veel geld verdween in een bodemloze put. Toen ook nog de panty-productie om politieke redenen naar Emmen werd verplaatst en niettemin op beide locaties 400 ontslagen vielen, vond in januari 1977 een demonstratie van Schijndelse burgers plaats, waarbij burgemeester Scholten in een bewogen toespraak het regeringsbeleid hekelde.
Op 3 januari 1985 ging het bedrijf failliet en de arbeiders werden ontslagen. Het werd opgekocht door Nedac-Sorbo. Nog even werd onder die naam de productie voor korte tijd hervat, vanwege de toenemende vraag door het koude winterweer. Daarna viel het doek voorgoed. De indrukwekkende betonnen fabrieksgebouwen werden gesloopt. Tijdelijk ontstond het gat van Schijndel, waar uiteindelijk woningcomplexen zijn verrezen.
Ook gebleven is het Jansenpark te Schijndel, dat in 1955 tegenover de fabriek werd aangelegd en in 1975 aan de gemeente Schijndel werd geschonken. In dit park worden de diverse leden van de familie Jansen herdacht met een borstbeeld, en herinnert het beeld de kousenbreister aan de vele werkneemsters die hier hun brood hebben verdiend.
Bronnen

- Van de breischei tot 75 gauge, het verhaal van een kousenfabriek 1830-1955, door Antoon Coolen (gedenkboek 40 jarig bestaan te Schijndel en 125 jarig bestaan van het bedrijf)
- in ts. Textielhistorische Bijdragen, nr. 46 (2006): Kennis en kousen. De introductie van nylon in de productie van dameskousen bij Jansen de Wit, 1945-1955, p. 73-91.
- Wikipedia.
- Voor foto's en films zie blok 1906 Beeldcollectie Jansen-De Wit Schijndel.

Brabants Historisch Informatie Centrum, 2015
Aanwijzingen voor de gebruiker
Inventaris
Schijndel
Andere plaatsen
Financiën
Documentatie
V.V.V.
Kenmerken
Vindplaats origineel:
Locatie Den Bosch
Openbaarheid:
Deze toegang bevat een of meer stukken die tot 1 januari 2060 niet zonder meer openbaar zijn.
Het precieze jaar van openbaarheid kun je per inventarisnummer vinden.

Bij vragen kun je contact opnemen met het BHIC.
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS