Uw zoekacties: Stadsschouwburg (1), 1876 - 1948.
x1503 Stadsschouwburg (1), 1876 - 1948. ( Groninger Archieven )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

1503 Stadsschouwburg (1), 1876 - 1948. ( Groninger Archieven )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
1. Algemeen
sluiten
1503 Stadsschouwburg (1), 1876 - 1948.
Inleiding
1. Algemeen
Organisatie: Groninger Archieven
De heer K.R. Velthuis, auteur van het boekje "De opkomst van het tooneel in Groningen", eindigt zijn werk in 1883, met de wens, dat de inmiddels gereedgekomen schouwburg er toe mag bijdragen, dat de Groningers in meerdere mate toneelminnaars mogen zijn. In het bovengenoemde boekje verhaalt de heer Velthuis, hoe er in de 19e eeuw te Groningen toneel gespeeld werd en het blijkt duidelijk uit zijn verhaal, dat de Groningers ook reeds voor de opening van de schouwburg liefhebbers waren van het toneel. Wat de toneelspelers en de toneelliefhebbers echter ontbrak was een schouwburggebouw, dat aan alle eisen voldeed.
Op 15 juni 1876 wordt er in de stad Groningen een brochure rondgezonden, waarin over het toneelleven in Groningen geklaagd wordt, met name over het feit, dat een stad als Groningen een eigen schouwburg, "dat zoveel nut kan stichten, als het genot verschaffen kan ontbreekt". De brochure was rondgezonden, door een comité, gevormd door 7 vooraanstaande burgers, dat ten doel had, zoals blijkt uit de brochure, te Groningen een schouwburg op te richten en een vereniging in het leven te roepen, die de zorg voor de exploitatie van deze schouwburg op zich zou willen nemen.
Dit comité, "Comedie-Comité", "Comedie-Commissie", of soms "Voorlopig-Comité genoemd, vroeg aan de burgers om medewerking door middel van een bedrag ƒ 5,-- -te voldoen in twee termijnen- ter dekking van de kosten voortvloeiende uit hun voorlopige werkzaamheden.
Het "Comedie-Comité" richtte zich tot de raad der gemeente met het een verzoek om financiële bijstand voor de bouw van een schouwburg. Op 28 april 1877 werd gunstig op dit verzoek beschikt onder de volgende voorwaarden:
1. De gemeente zou borg staan voor een maatschappelijk kapitaal van ƒ 160.000,-- en daarbij een rentegarantie geven van 2% aan de aandeelhouders. Mocht de exploitatie echter meer dan 2% opleveren, dan zou de gemeente voor de helft of meer in die rente delen. De gemeente zou elk jaar 20 aandelen à ƒ 250,-- uitloten en hiermee telken jare ƒ 5.000,-- op de schouwburg aflossen.
2. Het gebouw moest op gemeentegrond worden gesticht.
Twee van het 7 leden tellende bestuur zouden door de gemeente worden benoemd. Deze door de gemeente benoemde leden behoefden geen leden van de vereniging zijn.
Op 22 mei 1878 werd de oprichtingsakte van de vereniging "Tot het oprichten en in stand houden van een toneelgebouw te Groningen" kortweg "Tooneelgebouw" genoemd, verleden voor notaris A.W.L. Tjarda van Starkenborgh Stachouwer en hiermee was de taak van het "Comedie-Comité" beëindigd.
De werkzaamheden werden nu voortgezet door de vereniging "Tooneelgebouw". Het eerste probleem waarvoor zij zich geplaatst zag, was de plaats waar na de schouwburg gebouwd zou moeten worden. Door het "Comedie-Comité" reeds waren er pogingingen in het werk gesteld het terrein, dat vrij zou komen na de afbraak van het oude provinciale arsenaal, gelegen aan het Schuitendiep bij de Sint Jansstraat, te verkrijgen, maar dezen waren op niet uitgelopen. Verscheidene terreinen werden in ogenschouw genomen onder andere in de Nieuwe Kijk in 't Jatstraat, aan de Rademarkt, aan het eind van de Grote Leliestraat, buiten de Kranepoort, Zuiderkazerne, tussen de beide Ossenmarkten en bij de Zuiderkuipen. Ten slotte bleek toch de minister van oorlog bereid te zijn het terrein, waarop het arsenaal stond, af te staan aan de vereniging "Tooneelgebouw", zo kon met de bouw van de schouwburg worden begonnen. De bouw van de schouwburg werd opgedragen aan de architekt F.W. van Gendt J.G.zn. uit Arnhem, die reeds in zijn eigen stad ervaring had opgedaan bij de bouw van de schouwburg. De uitvoering van het werk werd opgedragen aan de heer G. Schnitger uit Oldenburg.
Tijdens de bouw nog besloot de gemeente -om het brandgevaar zoveel mogelijk te weren- tot het laten aanleggen van centrale verwarming. De aanleg van de verwarming kostte aan plaatsruimte 118 zitplaatsen, zodat de schouwburg in plaats van de 983 geplande zitplaatsen, nog 865 overhield.
Bij de officiële opening kon een ieder, die had meegewerkt aan de bouw, met voldoening constateren, dat de stad Groningen een schouwburg gekregen had, die toen aan alle eisen voldeed.
De vereniging "Tooneelgebouw" was opgericht voor de tijdsduur van 29 jaar en 6 maanden. Nadat deze periode verstreken was, in november 1907, trad het bestuur van de vereniging "Tooneelgebouw" op grond van art. 44 van de statuten op, als een commissie van liquidatie, totdat een nieuwe bestuursvorm gevonden zou zijn.
Op 27 januari 1916 werden de laatste aandelen van de vereniging uitgeloot, zodat sedertdien de gemeente Groningen eigenaresse was van de schouwburg.
Het grote probleem waar de gemeente zich voor geplaatst zag was de goede vorm van exploitatie te vinden. Verhuring leek haar niet de juiste manier, aangezien de mogelijkheid bestond, althans volgens de gemeenteraad, dat de kostbare schouwburg niet nauwkeurig genoeg beheerd zou worden. De exploitatie zelf verzorgen leek de gemeente bezwaarlijk, daar zij vond, dat de overheid geen invloed mocht uitoefenen op de keuze der stukken. Tenslotte werd besloten een vereniging in het leven te roepen, die voor "eigen bate en schade" de exploitatie op zich nemen. Deze vereniging "Vereeniging tot exploitatie van den Stadsschouwburg", die op december 1918 werd opgericht, was voor het gebruik van het gebouw ƒ 2.000,-- per jaar schuldig aan de gemeente en moest jaarlijkse rekening en verantwoording aan het gemeentebestuur afleggen.
Het verschil tussen het bestuur van de nieuwe vereniging en die van de vereniging "Tooneelgebouw" was, dat van de 7 leden 3 in plaats van 2 door de gemeenteraad benoemd werden. De door het gemeentebestuur benoemde leden behoefden geen lid van de "Vereeniging tot exploitatie van den Staddschouwburg" te zijn.
Tijdens de tweede wereldoorlog maakte de vereniging een zware tijd door. In 1943 besloot de burgemeester een lid van de N.S.B. te benoemen in het schouwburgbestuur, waarop de zittende bestuursleden zich genoodzaakt zagen af te treden. Pas na de bevrijding in 1945, kwamen zij weer bijeen als bestuur van de schouwburg.

Bij de inventarisatie is ervan uitgegaan, dat de stukken van het "Comedie-Comité" een op zichzelf staand geheel vormen. Notulen zijn weliswaar niet aanwezig, maar de bewaard gebleven archiefstukken vormen een duidelijke neerslag van werkzaamheden van het comité.
Het archief van de vereniging " Tooneelgebouw" later "Vereeniging tot exploitatie van den Stadsschouwburg" vormt één geheel. De administratie werd na de bestuursoverdracht op dezelfde wijze voortgezet.

De archieven van het "Comedie-Comité" en van de vereniging "Tooneelgebouw", later de "Vereeniging tot exploitatie van den Stadsschouwburg", zijn in juni 1970 naar het gemeentearchief overgebracht, in het algemeen slechts tot en met het jaar 1948. De archieven werden in redelijke, doch ongeordende staat aangetroffen.
2. Literatuur
Inventaris
Kenmerken
Datering:
1876 - 1948.
Beschrijving:
Inventaris van het archief van de Stadsschouwburg (deel 1)
Omvang:
2,9 m standaardarchiefberging
Categorie:
Archiefvormer(s)::
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS