Uw zoekacties: Gemeente Mesch, 1772-1942 , 1772-1942
x30.019 Gemeente Mesch, 1772-1942 , 1772-1942 ( Regionaal Historisch Centrum Limburg (RHCL) )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

30.019 Gemeente Mesch, 1772-1942 , 1772-1942 ( Regionaal Historisch Centrum Limburg (RHCL) )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
Zoektips!

Wildcards kunnen het zoeken vergemakkelijken:

  • Een ? (vraagteken) vervangt een letter
  • Een * (sterretje) vervangt een aantal letters
  • Door een $ (dollarteken) voor een zoekterm te zetten, zoekt u naar woorden die op elkaar lijken.

Meer zoektips vindt u hier.

 
 
Inleiding
Korte geschiedenis van het plaatselijke bestuur
sluiten
30.019 Gemeente Mesch, 1772-1942 , 1772-1942
Inleiding
Korte geschiedenis van het plaatselijke bestuur
De zeer kleine rijk's heerlijkheid Mesch was een bezitting van het Munsterstift van Aken, wat bevestigd wordt door keizer Frederik II in een oorkonde uit 1226. De proost van het Munsterstift heeft de soevereiniteit over de rijk's heerlijkheid tot aan de Franse tijd weten te bewaren met uitzondering van de aan de voogdij verbonden rechten. De voogdij vormde een leen van het leen hof van de proost. Dit leen was in het bezit van de heren van Valkenburg, wat ondermeer inhield dat deze de aan de hoge jurisdictie verbonden straf rechtspraak uitoefenden. De voogd moest in dat geval de schepenbank voorzitten. De schepenbank oefende verder nog de middelbare en lage jurisdictie uit en had daarnaast nog bestuurlijke taken. (1) *  Deze bestuurlijke taken hielden onder andere in het beheer van de gemene gronden en het vervullen van publieke taken zoals het innen van belastingen en het zorgen voor wegen en waterlopen. In 1794 bezetten Franse troepen een groot deel van de zuidelijke Nederlanden. Bij decreet van 1 oktober 1795 van de Nationale Conventie volgde de definitieve annexatie door Frankrijk. (2) *  Bij de inlijving werd, tegelijk met de invoering van de departementale bestuursvorm, ter vervanging van de plaatselijke besturen, een organisatie van kantons ingevoerd, voortvloeiend uit de grondwet der Franse Republiek van 22 augustus 1795 (5 fructidor an III). Deze kantonnale organisatie ontnam aan alle plaatsen beneden de 5000 inwoners het zelfstandig bestuur; deze plaatsen konden geen eigen municipaliteit meer vormen, men plaatste hen kantons gewijze onder een een gemeenschappelijk bestuur, te weten de z.g. municipale administratie van het kanton
De plaatsen behielden in zoverre nog een restant van hun oorspronkelijke zelfstandigheid, dat ze ieder een agent municipal en adjoint konden kiezen. De gezamenlijke agenten en adjoints vormden de municipale administratie, met aan het hoofd een president die voorzitter was. Naast of boven de municipale administratie stond in ieder kanton een vertegenwoordiger van het departementaal bestuur, de z.g. "Commissaris du directoire exécutif", die zijn instructies ontving door tussenkomst van de commissaris bij het departementaal bestuur. De commissaris van het directoir exécutif bij het kanton Moest toezicht uitoefenen op de plaatselijke gezagsdragers en er voor waken dat de wetten stipt werden uitgevoerd, terwijl hij de municipale administratie bovendien bijstond als raadsman. Bij de beraadslagingen beschikte hij weliswaar niet over het recht om mee te stemmen, maar anderzijds mocht de lokale administratie geen beslissingen treffen zonder zijn medeweten. Wanneer deze hem onwettig voorkwamen beschikte hij over de bevoegdheid ze te annuleren. Hij stond voortdurend in contact met de centrale administratie van het departement om verslag uit te brengen over de toestand en de politieke activiteiten in het kanton, alsmede over het gedrag van de kantonnale bestuurders. Hij werd benoemd door de commissaris van het directoir exécutifbij het departement. (3) *  Mesch werd ingedeeld bij het kanton Eijsden, dat Rijckholt, Eijsden, Oost, Gronsveld, Heugem, Cadier, Eckelrade, St. Geertuid, Herkenrade, Mesch, Noorbeek en hun gehuchten omvatte. (4) *  die in 1799 als zodanig werd opgevolgd door C. Klippert. (6) * 
In 1800, bij de wet van 28 pluviose an VIII (17 februari 1800), werden de "municipalités de canton" opgeheven, waardoor de plaatsen beneden de 5000 inwoners weer in het bezit van een eigen bestuur werden gesteld. In de meeste plaatsen waar voorheen een agent municipal en adjoint was kwam nu een maire met een of meer adjoints (naar gelang het aantal inwoners van beneden de 2500 tot boven de 2500, boven de 5000 en boven de 10.000 varieerde) met daarnaast een conceil municipal van 10 tot 30 leden. (7) *  Het einde van de Franse tijd in 1814 heeft geen onmiddellijke invloed gehad op het plaatselijk bestuur, alleen heette de maire voortaan burgemeester. Ook bij de overgang tot het koninkrijk der Nederlanden bleef de inrichting van het plaatselijk bestuur hetzelfde tot aan de nieuwe bestuurs organisatie in 1818. Eerste maire van Mesch werd C. Klippert. (8) *  Tot leden van de conceil municipal, de gemeenteraad, werden benoemd: M. Straet, H. Pauwen, M. Huijnen, Th. van Hoven, W. Hechtermans, A. Onclin, G. Heijnen en J. Huijnen; 2 zetels bleven voorlopig vacant. (9) *  Bij besluit van de prefect van het departement van de Nedermaas van 23 floréal an XI (13 mei 1803) werd raadslid M. Straet tot maire benoemd ter vervanging van C. Klippert; bij het zelfde besluit werd raadslid H. Pauwen aangesteld tot adjoint. (10) *  2 pluviose an XI (22 januari 1803) was raadslid H. Huijnen gestorven, (11) *  zodat de raad in september 1804 nog maar uit 4 leden bestond, daar Th. van Hoven toen inmiddels demissionair was; deze vier leden waren W. Hechtermans, A. Onclin, G. Heijnen en J. Huijnen
Bij besluit van de prefect van het departement van de Nedermaas van 14 februari 1806 werden G. Onclin, J.J. Frijns, G. Huijnen, A. Dirix, J. Huijnen en M. Straet tot raadsleden benoemd, (12) *  zodat de gemeente Mesch nu voor het eerst over een voltallige raad van 10 leden beschikte. A. Onclin werd bij besluit van de prefect van het departement van de Nedermaas van 27 juni 1906 aangesteld tot maire ter vervanging van M. Straet; hij werd 6 juli d.a.v. geïnstalleerd en bij besluit van voornoemde prefect van 31 december 1807 herbenoemd. (13) *  Toen Onclin in 1808 tot ontvanger der belastingen werd benoemd en tevens tot gemeente-ontvanger werd aangesteld (14) *  werd hij als maire opgevolgd door G.J. Hesselt van Dinter, als zodanig benoemd bij besluit van de prefect van het departement van de Nedermaas van 9 juni 1808. (15) *  Hetzelfde jaar kreeg de gemeente ook een nieuwe adjoint in de persoon van J. Dirix, die H. Pauwen opvolgde; hij werd 4 juli 1808 benoemd en een week later geïnstalleerd. (16) *  Drie jaar later had Mesch al weer een nieuwe maire, C.C.F.M.G. de Geloes, 8 augustus 1811 aangesteld en 19 augustus d.a.v. geïnstalleerd. (17) *  Bij besluit van de prefect van het departement van de Nedermaas van 21 januari 1812 werd J. Frijns tot raadslid benoemd ter vervanging van G. Peetermans. (18) *  Raadslid A. Dirix overleed 29 oktober 1813 op 47 jarige leeftijd, raadslid M. Straet 25 december 1815 op 60 jarige leeftijd. (19) * 
G. Duijsens, Th. van Hoven, Chr. Beckers en J. Heijnen werden bij besluit van de gouverneur der provincie Limburg van 25 januari 1816 tot raadsleden benoemd, terwijl M. Straet bij besluit van dezelfde gouverneur van 29 februari d.a.v. werd aangesteld tot raadslid ter vervanging van J. Huijnen. (20) *  Bij koninklijk besluit van 14 februari 1818, nr. 95 werd een reglement van bestuur voor het platteland vastgesteld. Elke plattelandsgemeente in Limburg kreeg ingevolge dit reglement een schout, benoemd door de koning, aan het hoofd, terwijl het plaatselijk bestuur verder omvatte twee schepenen, benoemd door gedeputeerde staten uit de leden van de gemeenteraad, op voordracht van de raad, uit een dubbeltal, en een gemeenteraad, benoemd door gedeputeerde staten, voor het eerst onmiddellijk, en vervolgens op voordracht van de raad, uit een dubbeltal kandidaten. De leden der plaatselijke besturen werden benoemd voor zes jaren en waren steeds herkiesbaar. De raadsleden werden bij derde gedeelten vernieuwd: om de twee jaar trad een derde gedeelte van de raad en 1 schepen af, terwijl de schout met het laatste derde gedeelte aftrad. Het aantal raadsleden was niet in elke gemeente hetzelfde; het bedroeg, de schout inbegrepen, 12 in gemeenten met meer dan 1.000 inwoners, 9 in die met 500-1.000 en 6 in die met minder dan 500 inwoners. Schout en schepenen benoemden alle andere gemeente functionarissen met uitzondering van de gemeentesecretaris en de gemeenteontvanger, die door gedeputeerde staten werden benoemd uit een dubbeltal kandidaten, voorgedragen door de raad. De gemeente Mesch telde 211 inwoners in 1819. (21) *  Th. van Hoven werd bij koninklijk besluit van 30 maart 1819 tot schout benoemd. (22) * 
Bij besluit van gedeputeerde staten van 26 mei 1819 werden tot raadsleden benoemd: J. Dirix, A. Onclin, Chr. Beckers, W. Janssen en M. Huijnen, die in de raadsvergadering van 15 juli d.a.v. werden geïnstalleerd. Bij besluit van de gedeputeerde staten van 8 oktober 1819 werden A. Onclin en J. Dirix tot schepenen benoemd, A. Onclin tot gemeenteontvanger en J. Huijnen tot gemeentesecretaris, doch deze laatste schreef de schout 25 november d.a.v. "dat hij zijne demissie van gezegd ambt van secretaris is gevende". In de raadsvergadering van 17 december 1819 werden notaris W. Straet en raadslid W. Janssen als kandidaten voor secretaris post voorgesteld en M. Straet en J.J. Frijns als kandidaten voor de raadszetel, mocht het raadslid W. Janssen secretaris worden. (23) *  W. Janssen werd bij besluit van gedeputeerde staten van 8 maart 1820 inderdaad tot gemeentesecretaris benoemd terwijl M. Straet tot zijn opvolger als raadslid werd aangesteld. (24) *  In de raadsvergadering van 29 oktober 1821 werd het volgend rooster van aftreding vastgesteld: 1 januari 1822: schepen J. Dirix en raadslid M. Huijnen; 1 januari 1824: schepen A. Onclin en raadslid M. Straet; 1 januari 1826: schout Th. van Hoven en raadslid Chr. Beckers. Bij besluit van gedeputeerde staten van 21 december 1821 werden M. Straet tot schepen en J. Huijnen en J. Frijns tot raadsleden benoemd als opvolgers van J. Dirix en M. Huijnen. (25) *  Op 15 november 1824 overleed gemeentesecretaris W. Janssen, 42 jaar oud. (26) *  Bij resolutie van de gedeputeerde staten van 16 maart 1825 werd raadslid J. Huijnen tot zijn opvolger aangesteld. (27) *  Bij koninklijk besluit van 22 juni 1825 werd J. Lambert tot schout benoemd, doch hij aanvaardde deze functie niet. (28) * 
Bij het reglement op het bestuur ten platte lande in de provincie Limburg, vastgesteld bij koninklijk besluit van 23 juli 1825, nr. 132, (29) *  werden de namen schout en schepenen veranderd in burgemeester en assessoren, benamingen die in de noordelijke provincies reeds sedert de eerste reglementen voor het bestuur der plattelandsgemeenten in de verschillende provincies (1815-1819) in gebruik waren. Het plaatselijk bestuur bleef bestaan uit een burgemeester, twee assessoren en een gemeenteraad. De burgemeester werd door de koning benoemd, de assessoren vanwege de koning door de staatsraad gouverneur der provincie, uit de leden van de gemeenteraad en de gemeenteraad door gedeputeerde staten, na het plaatselijk bestuur te hebben gehoord. De termijn van benoeming voor al deze functionarissen bleef zes jaar, herbenoeming was steed mogelijk. Om de twee jaar trad een derde of ongeveer een derde gedeelte der gemeenteraad af; de assessoren maakten deel uit van het eerste of tweede aftredende derde gedeelte, de burgemeester behoorde tot het laatste. De gemeenteraad, inclusief burgemeester en assessoren bestond uit 7 of 9 personen, naar gelang de provinciale staten bepaalden. De gemeentesecretaris werd door de koning op voordracht van de gemeenteraad benoemd, de gemeenteontvanger door gedeputeerde staten, eveneens op voordracht van de gemeenteraad. De provinciale staten bepaalden het aantal raadsleden voor Mesch op 7. Bij besluit van gedeputeerde staten van 18 augustus 1825 werden A. Onclin tot assessor en Th. Lejeune, J. Roijen, M. Straet en J. Frijns tot raadsleden en A. Onclin tot gemeenteontvanger benoemd; zij werden in de raadsvergadering van 9 september d.a.v. geïnstalleerd door de eerste assessor A. Onclin, die de functie van burgemeester waarnam
In de raadsvergadering van 22 september 1825 werden Th. van Hoven als assessor, benoemd bij besluit van gedeputeerde staten van 19 augustus 1825, en J. Huijnen als gemeentesecretaris, benoemd bij koninklijk besluit van 30 juli 1825, geïnstalleerd. In de raadsvergadering van 17 oktober 1825 werd het volgend rooster van aftreding vastgesteld: 2 januari 1828: assessor Th. van Hoven en raadslid J. Frijns; 2 januari 1830: assessor A. Onclin en raadslid Th. Lejeune; 2 januari 1832: de burgemeester (bij de vaststelling van het rooster nog niet benoemd) en raadslid M. Straet. (30) *  In 1826 werd A. Onclin tot burgemeester benoemd. (31) *  28 augustus 1826 vroeg gemeenteontvanger A. Onclin ontslag wat hem bij raadsbesluit van 2 oktober d.a.v. werd verleend onder betuiging van "dangbaarheid voor de zorge en ijver die hij altoos in deze bediening getoond heeft". (32) *  Gemeentesecretaris J. Huijnen werd bij besluit van gedeputeerde staten van 15 december 1826 ook tot gemeenteontvanger benoemd. (33) *  Bij besluit van gedeputeerde staten van 28 december 1827 werd W. Loijens tot raadslid benoemd als opvolger van J. Frijns. Bij hetzelfde besluit werd Th. van Hoven herbenoemd als raadslid, terwijl deze bij besluit van de staatsraad gouverneur van 9 januari 1828 eveneens werd herbenoemd als assessor. (34) *  Raadslid M. Straet overleed 24 januari 1828 in de leeftijd van 57 jaar, raadslid en assessor Th. van Hoven op 10 februari 1829, slechts 37 jaar oud. (35) *  Zij werden als raadsleden opgevolgd door B. van Hoven en P. Kruijdt, benoemd bij resolutie van gedeputeerde staten van 12 mei 1829
In de raadsvergadering van 23 januari 1830 werden A. Onclin en Th. Lejeune geïnstalleerd, zij waren als zodanig herbenoemd bij besluit van gedeputeerde staten van 28 december 1829. In dezelfde raadsvergadering werden A. Onclin en P. Kruijdt geïnstalleerd als assessoren, als zodanig respectievelijk herbenoemd en benoemd bij besluit van de staatsraad gouverneur van 31 december 1829. (36) *  Bij de Belgische opstand in 1830 stond bijna geheel Limburg aan de zijde van onze Zuider buren. Ook Mesch heeft negen jaar lang, 1830-1839, deel uitgemaakt van het nieuwe Belgische koninkrijk. Als gevolg van de afscheiding ontstond er een nieuwe bestuursregeling voor de plattelandsgemeenten. Ingevolge het besluit van het gouvernement provisoire van 8 oktober 1830 (37) *  moesten de notabelen (zij die een bepaalde som in de belasting betaalden en zij die een vrij beroep uitoefenden) een burgemeester, assessoren en raadsleden kiezen. Over de termijn van benoeming werd in dit besluit niet gesproken. Het besluit van het gouvernement provisoire van 28 oktober 1830 (38) *  bepaalde, dat de gemeentesecretaris zou worden benoemd door de gemeenteraadsleden en de gemeenteontvanger door de gouverneur der provincie uit een voordracht van 3 kandidaten door de gemeenteraad. Te Mesch, dat 236 inwoners telde in januari 1831 (39) *  vond de verkiezing van burgemeester, assessoren en raadsleden plaats op 26 oktober 1830. De gemeente telde 25 kiesgerechtigden, waarvan er 9, te weten S. Aussems, J. Frijns, M. Huijnen, J. Huijnen, J. Roijen, G. van de Cruijs, zoon van een weduwe, pastoor J.B. Vanckx, G. Gilissen en K. Beckers, verstek lieten gaan bij de eerste raadsverkiezing
De overige 16, M. Debeij, J. Bours, zoon van een weduwe, Ph. Brouwers, zoon van een weduwe, P. Kruijdt, J.J. Frijns, J. Huijnen, kerkmeester, J. Heijnen, Th. Lejeune, A. Onclin, W. Straet, notaris, J. Straet, W. Theunissen, P. Haenen, W. Loijens, Th. Pieters en B. van Hoven, verschenen wel. (40) *  De laatstgenoemde, van Hoven, stond aanvankelijk niet op de lijst van kiesgerechtigden, maar werd daar op de dag der verkiezingen door de president der kiesvergadering, W. Straet, aan toegevoegd. De 16 aanwezige kiesgerechtigden kozen als volgt: 1. tot nominatie van burgemeester dezer gemeente. De daartoe vereenigde stemmen ten getalle vermeld bij gesloten biljetten in eene bus gesteld, is door deszelves opening gebleken dat voor de Heer notaris Straet negen stemmen waren, voor Arnold Onclin twee, voor Paulus Kruijt drie, voor van Hoven een en voor Jan Huijnen mede een stem; ten gevolge is de Heer notaris Straet door de meerderheid van stemmen tot burgemeester dezer gemeente verkozen. 2. tot die van twee schepenen gevoteerd zijnde bij evengelijk aantal biljetten, hebben Paulus Kuijt vereenigd elf stemmen, Arnold Onclin zeven, van Hoven 6, Jan Joseph Frijns drie, Jan Huijnen een, Wijnand Loijens drie en Mathijs Debeij een stem, te dien einde zijn Paulus Kruijt en Arnold Onclin door de meerderheid van stemmen tot schepen dezer gemeente verkozen. 3. En tot noming van vier raadsleden gestemd zijnde mede door 16 kiezers, hebben bij opening der biljetten Wijnand Loijens vereenigd veertien stemmen, Mathijs Debeij vijftien, Balthazar van Hoven dertien, Thomas Lejeune twaalf, Jan Joseph Frijns drie, Jan Huijnen drie, Philippe Brouwers een, Jan Heijnen een, Theodore Pieters een en Willem Theunissen mede een, weshalve zijn tot leden van den raad verkozen en door de meerderheid van stemmen benoemd Loijens Wijnand, Debeij Mathijs, van Hoven Balthazar en Lejeune Thomas. (41) * 
Bij raadsbesluit van 3 januari 1831 werd J. Bours tot gemeentesecretaris benoemd, (42) *  terwijl hij ook tot gemeenteontvanger werd aangesteld. (43) *  Burgemeester W. Straet overleed 4 november 1832, 56 jaar oud. (44) *  Hij werd als burgemeester opgevolgd door P. Kruijdt. (45) *  J. Huijnen en J.J. Frijns werden in 1832 tot raadsleden gekozen ter vervanging van W. Straet en B. van Hoven; J.J. Frijns werd eveneens als assessor gekozen als opvolger van P. Kruijdt. (46) *  J.J. Frijns overleed 18 februari 1835 in de ouderdom van 61 jaar; (47) *  als raadslid werd hij opgevolgd door L. van Aubel, als assessor door M. Debeij. (48) *  J. Bours diende bij schrijven van 13 september 1835 zijn ontslag in als gemeentesecretaris vanwege "de meinigvuldige werkzaamheden der administraici en de meer aangekleeftheid van mijnen staedt aan den landbouw en andere werkzaemheeden". (49) *  Hij werd opgevolgd door F.H. van Haeren. (50) *  In 1836 kreeg Mesch een nieuwe burgemeester in de persoon van M.H. Straet, die 4 maart bekend maakte een dag eerder de eed in hoedanigheid van burgemeester te hebben afgelegd in handen van de districtscommissaris te Valkenburg. (51)10 Met de Belgische gemeentewet van 30 maart 1836 (52)11 traden nieuwe bepalingen in werking en vervielen ipso facto de zo juist genoemde gouvernement besluiten
In deze werd de gemeenteraad, niet meer de burgemeester, op de voorgrond geplaatst. De raadsleden werden door de kiesgerechtigde inwoners (census kiesrecht) gekozen en wel rechtstreeks; de burgemeester en schepenen werden door de koning uit de leden van de raad benoemd. De zittingstermijn der raadsleden, evenals die van burgemeester en schepenen, was zes jaar, maar in de wijze van aftreding kwam enige verandering; deze zou om de drie jaar plaats hebben, de helft der raadsleden trad dan telkens af; de schepenen zouden voor de helft bij de eerste reeks behoren, voor de helft bij de tweede en de burgemeester bij de tweede. Het aantal raadsleden, inclusief burgemeester en schepenen, bedroeg 7 in gemeenten beneden 1.000 inwoners, 9 in die van 1.000-3.000, 11 in die van 3.000-10.000 etc. .... en tenslotte 31 in die van 70.000 en meer inwoners. De gemeentesecretaris werd volgens de gemeentewet van 30 maart 1836 door de gemeenteraad benoemd, welke benoeming moest worden goedgekeurd door de députation permanente du conceil provincial. De eerste benoeming van de secretaris geschiedt bij koninklijk besluit. De gemeenteontvanger werd eveneens door de gemeenteraad benoemd onder goedkeuring van de députation permanente du conceil provincial. In Mesch, dat 239 inwoners telde, (53) *  vond de raadsverkiezing plaats op 14 juli 1836. M.H. Straet en W. Loijens verwierven ieder 20 stemmen, J. Huijnen 18, A. Onclin en Th. Lejeune ieder 16 en G. Huijnen 14. Er namen 20 kiezers deel aan de verkiezing, zodat de vereiste volstrekte meerderheid van stemmen was bepaald op 11. Slechts genoemde 6 personen verwierven die meerderheid direct, zodat er een nieuwe keuze moest gedaan worden voor het zevende lid. Die keuze vond plaats tussen J. Pieters, die 10 stemmen had verworven bij de eerste keuze, en M. Debeij, die 8 stemmen had gekregen. Bij de her keuze werden op ieder 10 stemmen uitgebracht
Daar M. Debeij de oudste van de twee was kreeg hij ingevolge artikel 42 van de nieuwe gemeentewet de voorrang en was hij zodoende gekozen tot raadslid. (54) *  M. Debeij werd ook tot burgemeester benoemd, doch hij diende weldra zijn ontslag in. (55) *  Daar M.H. Straet niet de vereiste minimum leeftijd had om deel uit te maken van de raad (men moest minstens 26 jaar zijn om verkiesbaar te zijn) werd zijn verkiezing geannuleerd en vond 23 augustus 1836 een nieuwe verkiezing plaats waarbij J. Heijnen tot raadslid werd aangewezen. Toen M. Debeij ontslag nam als raadslid werd J.J. Andrien 31 januari 1837 tot zijn opvolger gekozen. (57) *  Nadat M. Debeij in 1836 zijn ontslag als burgemeester had genomen werd de burgemeesters functie tot halverwege 1837 waargenomen door de eerste schepen, W. Loijens. (57) *  Tweede schepen was J. Huijnen, (58) *  die in juli 1837 burgemeester van Mesch werd; (59) *  hij werd als schepen opgevolgd door G. Huijnen. (60) *  Inmiddels was M.H. Straet bij koninklijk besluit van 10 maart 1837 tot gemeentesecretaris benoemd. (61) *  Toen raadslid A. Onclin, die sinds 1800 deel had uitgemaakt van de gemeenteraad, op 18 februari 1838 ontslag nam vanwege zijn hoge ouderdom en drukke werkzaamheden, (62) *  werd M.H. Straet tot zijn opvolger benoemd en weldra ook tot burgemeester aangesteld. (63)10
Na de ingevolge het Londens traktaat van 19 april 1839 weder inbezitneming van Limburg door de Nederlandse koning Willem I, d.d. 22 juni 1839, en de opname van Limburg als hertogdom in de Duitse bond, d.d. 5 september 1839, werd de Nederlandse grondwet bij koninklijk besluit van 24 september 1840 voor Limburg van kracht verklaard. (64) *  Voordien echter waren er al voorlopige bestuurs maatregelen getroffen o.a. dat alle bestaande en werkzame ambtenaren, zonder onderscheid of uitzondering, in de weder in het bezit genomen landstreken van Limburg, aanvankelijk en tot zolang daaromtrent nader zou zijn beschikt, hun bedieningen bleven uitoefenen. Ook na de van kracht verklaring van de grondwet kwamen er nog verschillende wetten omtrent het plaatselijk bestuur in de provincie tot stand. We vatten deze besluiten en wetten voor wat betreft de benoeming van burgemeester, schepenen, raadsleden, secretaris en ontvanger gemakshalve als volgt kort samen: De burgemeester bleef benoemd worden door de koning. De schepenen werden benoemd door de commissarissen, belast met het voorlopig bestuur, later door de staatsraad gouverneur van het hertogdom. De raadsleden werden benoemd door de commissarissen, belast met het voorlopig bestuur, en vanaf 28 september 1841 door de gedeputeerde staten. De secretaris werd benoemd door de koning. De ontvanger werd benoemd door de commissarissen, belast met het voorlopig bestuur, en later door de staatsraad gouverneur van het hertogdom. Bij resolutie van 27 april 1840 werd W.Th. Duijsens door de staatsraden commissarissen des konings tot raadslid benoemd als opvolger van J.J. Andrien, nadat Pinckaers deze functie had geweigerd. (65) *  M.H. Straet werd bij koninklijk besluit van 26 december 1842 herbenoemd als burgemeester. (66) * 
W. Loijens, W.Th. Duijsens en J. Huinen werden in 1843 herbenoemd als raadsleden, de eerste twee bij besluit van gedeputeerde staten van 17 januari 1843, de laatste bij besluit van 9 juni 1843. (67) *  W. Loijens werd bij resolutie van de staatsraad gouverneur van 25 januari 1843 ook herbenoemd als schepen. (68) *  Bij koninklijk besluit van 20 februari 1844 werd Th. M. Lemaire, die al sinds 1841 als gemeentesecretaris fungeerde, ook als zodanig benoemd tot opvolger van M.H. Straet; (69) *  hij werd 18 mei 1844 geïnstalleerd. (70) *  In 1844 publiceerde burgemeester Straet een provinciale bekendmaking van 19 maart van dat jaar inzake een belasting op de bezittingen, verordend bij wet van 6 maart 1844, (71) *  niet op de voorgeschreven datum. Aangezien er voor was gewaarschuwd dat dit beschouwd zou worden als een opzettelijke weigering van dienst, werd de burgemeester bij besluit van de staatsraad gouverneur van 25 maart 1844 in zijn functie geschorst. (72) *  Korte tijd later volgde zijn ontslag als burgemeester. (73) *  Hierop diende een viertal raadsleden, Th. Lejeune, J. Heijnen, W.Th. Duysens en J. Huijnen, hun ontslag in. Daar zij weigerden verder nog deel te nemen aan raadsvergaderingen, die hierdoor onmogelijk werden, schreef de waarnemend burgemeester, schepen W. Loijens, hen 27 april 1844 dat hun ontslagaanvragen bij de staatsraad gouverneur "zeer onverwachts en gelijktijdig zijn aangekomen en er dus in deze omstandigheden geen twijfel kan bestaan of hierin is met onderling overleg te werk gegaan met het kennelijk doel om de gang der gemeente zaken te verhinderen
Zijne Excellentie vertrouwt echter dat UEA den afgelegden ambtseed genoegzaam zult eerbiedigen om de vergaderingen van den gemeente Raad, tot uwe eventuele plaatsvervanging toe, te blijven bijwonen. Vervolgens hoop ik dat UEAs ambtspligten tot definitief ontslag geregeld zullen vervuld worden, want in dit verzuim zou UEA zich aan zware straf pligtig maken". (74) *  Veel indruk maakte dit schrijven echter niet, waarop de schorsing van de raadsleden Duijsens en Heijnen volgde. Na onderzoek was de staatsraad gouverneur gebleken dat op de inzending van de ontslagaanvragen "eene zeer kwaadwillige invloed is uitgeoefend, met het kennelijk oogmerk om de belangen van de dienst tegen te werken, iets waarvan buitendien de leden J. Heijnen en W. Th. Duijsens voor zich een meer bepaald bewijs hebben gegeven, doch niettegenstaande hunne wettige verpligting en herhaalde oproeping, het bijwonen van den raad te weigeren". Hierop besloot hij "tot beperking van alle kwaadwilligheid in deze de voormelde raadsleden der gemeente Mesch, J. Heijnen en W.Th. Duijsens, bij voorraad in de uitoefening hunner functien te schorsen en mitsdien de verdere deelneming aan de werkzaamheden en bemoeijingen van denzelven gemeenteraad te ontzeggen". (75) *  De raadsleden J. Huijnen en Th. Lejeune werden niet geschorst omdat bij hen geen sprake was van kwaadwilligheid: Huijnen had de vergaderingen nog steeds getrouw bij gewoond ofschoon hij zijn ontslag reeds geruime tijd geleden aan de voormalige burgemeester had gevraagd en Th. Lejeune had ook al eerder te kennen gegeven op te willen stappen vanwege zijn minder goede gezondheid (76) * 
Bij besluit van gedeputeerde staten van 14 mei 1844 werden de raadsleden W. Th. Duijsens en J. Heijnen ontslagen "onverminderd de reeds tegen hen uitgesproken schorsing" en werd aan de raadsleden Th. Lejeune en J. Huijnen eervol ontslag verleend "met instandhouding evenwel hunner verpligting om hunne functien te blijven waarnemen tot dat hunnen opvolgers zullen zijn geïnstalleerd". (77) *  Met de benoeming van G. Huijnen tot burgemeester, bij koninklijk besluit van 19 juni 1844, (78) *  en M. Debeij, Ph. Brouwers, P. Pinckaers en G. van der Cruijs tot raadsleden, bij besluit van gedeputeerde staten van 6 juli 1844, (79) *  kwam er een einde aan deze kwestie. M. Debeij, Ph. Brouwers en G. van der Cruijs werden in de raadsvergadering van 31 juli 1844 beëdigd en geïnstalleerd. (80) *  P. Pinckaers had zijn benoeming niet aanvaard daar hij de gemeente waarschijnlijk binnenkort zou verlaten. Bij besluit van gedeputeerde staten van 27 augustus 1844 werd zijn benoeming weer ingetrokken en werd F. Blonden in zijn plaats benoemd, die op zijn beurt echter ook weigerde. (81) *  P. Tossens en B. Frijns werden bij besluit van gedeputeerde staten van 7 maart 1845 tot raadsleden benoemd en in de vergadering van 29 maart d.a.v. geïnstalleerd. M. Debeij volgde G. Huijnen op als schepen, hij werd 31 juli 1845 benoemd en 16 oktober d.a.v. beëdigd en geïnstalleerd. (82) *  Bij resolutie van gedeputeerde staten van 2 januari 1846 werden M. Debeij, Ph. Brouwers en P. Tossens herbenoemd als raadsleden, terwijl M. Debeij bij besluit van de staatsraad gouverneur van 7 januari d.a.v. eveneens werd herbenoemd tot schepen. (83) * 
M. Debeij nam in 1847 ontslag als raadslid en schepen, in beide functies werd hij opgevolgd door W.Th. Duijsens, tot raadslid benoemd bij besluit van gedeputeerde staten van 13 augustus 1847 en als zodanig 1 september d.a.v. beëdigd, tot schepen bij resolutie van de gouverneur van 4 september en als zodanig beëdigd op 18 oktober 1847 (84) *  B. Frijns werd bij besluit van gedeputeerde van 5 mei 1848 op eigen verzoek eervol ontslag verleend als raadslid, terwijl G. van der Cruijs en W. Loyens op 21 maart 1849 werden herbenoemd tot raadslid. (85) *  W. Loyens werd ook herbenoemd als schepen en wel bij resolutie van de gouverneur van 9 mei 1849; hij werd 18 juli d.a.v. als zodanig geïnstalleerd. (86) *  G. van der Cruijs verzocht bij brief van 22 januari 1850 eervol ontslag als raadslid. (87) *  De grondwet van 1848 en de daardoor geëiste gemeentewet d.d. 29 juni 1851, Stb. 85, stellen de raad aan het hoofd van de gemeente. Het bestuur van elke gemeente bestaat uit een gemeenteraad, een college van burgemeester en wethouders en een burgemeester. De leden van de raad worden gekozen door de inwoners van de gemeente volgens census kiesrecht. De raadsleden hebben zitting gedurende 6 jaar; een derde van hen treedt om de twee jaar af en zijn weer herkiesbaar. De wethouders worden door de raad uit zijn midden benoemd; ze worden gekozen voor 6 jaar, de helft treedt om de drie jaar af en zijn weer herkiesbaar. De burgemeester wordt door de koning benoemd voor de tijd van 6 jaar; hij kan na verloop van die tijd herbenoemd worden. Het aantal raadsleden bedraagt, onverschillig of de burgemeester al dan niet lid van de raad is, 7 in gemeenten beneden de 3.000 inwoners, 11 in gemeenten van 3.000-6.000, 13 in gemeenten van 6.001-10.000 inwoners etc. ... en tenslotte 45 in gemeenten boven de 200.000 inwoners
De gemeentesecretaris wordt door de raad, op voordracht van burgemeester en wethouders, benoemd, geschorst of ontslagen. De burgemeester, tot secretaris benoemd, wordt als zodanig niet dan met goedkeuring van de Kroon geschorst of ontslagen. De gemeenteontvanger wordt eveneens door de raad, op voordracht van burgemeester en wethouders, benoemd, geschorst of ontslagen. De grondwet van 1848 en de gemeentewet van 1851 zijn, met inbegrip van hun vele wijzigingen, nog steeds de grondslag voor de huidige samenstelling van het plaatselijk bestuur. De voornaamste wijzigingen in verband met het hierboven behandelde zijn: het algemeen kiesrecht, de zittingsperiode van 4 jaar voor zowel de gemeenteraad als de wethouders en de afschaffing van de periodieke aftreding. Mesch telde 251 inwoners, 130 mannen en 121 vrouwen, en slechts 8 kiesgerechtigden voor de gemeenteraad in 1851. (88) *  Artikel 293 van de gemeentewet bepaalde dat rechtstreekse verkiezing van de gemeenteraadsleden zou worden opgeschort als de gemeente geen 25 kiezers telde; in dat geval zouden de bepalingen van vóór de gemeentewet blijven gelden voor wat betreft benoeming enz. van raadsleden. Mesch telde slechts 8 kiezers zodat er geen raadsverkiezingen plaats vonden in 1851. Bij besluit van gedeputeerde staten van 10 december 1851 werden P. Theunissen en P. Aussems benoemd tot raadsleden ter vervanging van het in 1848 ontslagen raadslid B. Frijns en het in 1850 ontslag genomen hebbend raadslid G. van der Cruijs; bij besluit van gedeputeerde staten van 19 december d.a.v. werden W.Th. Duijsens en Ph. Brouwers herbenoemd als raadsleden en M.H. Straet benoemd ter vervanging van P. Tossens. (89) * 
De nieuwe leden werden in de raadsvergadering van 24 december 1851 geïnstalleerd; in dezelfde vergadering werden W. Loijens en W.Th. Duijsens door de raad tot wethouders benoemd. Burgemeester G. Huijnen werd in de raadsvergadering van 10 januari 1852 met algemene stemmen tot gemeentesecretaris benoemd en J. Bours met algemene stemmen tot gemeenteontvanger. (90) *  De benoeming van de burgemeester tot gemeentesecretaris werd goedgekeurd bij koninklijk besluit van 10 februari 1852. (91) *  G. Huijnen werd bij koninklijk besluit van 11 juni 1853 herbenoemd tot burgemeester. (92) *  Op 18 juli 1854 vond te Mesch de in 1851 opgeschorte raadsverkiezing plaats; er namen 24 kiesgerechtigden aan deel; er werd 1 blanco stem uitgebracht. W.Th. Duijsens verwierf 23 stemmen, P. Theunissen 21, M.H. Straet 21, W. Smeets 20, A. Flamand 20 en J. Frijns 19. Slechts deze 6 personen verwierven de vereiste volstrekte meerderheid van stemmen. Voor het zevende raadslid vond op 1 augustus d.a.v. een nieuwe verkiezing plaats, waaraan nu 14 kiezers deelnamen; ook nu werd er 1 blanco stem uitgebracht. Gekozen werd J. Piters, op wie 9 stemmen werden uitgebracht; de tweede kandidaat, W. Loijens, kreeg 4 stemmen. (93) *  De raadsleden werden in de vergadering van 5 september 1854 beëdigd en geïnstalleerd; in dezelfde vergadering kozen ze W.Th. Duijsens en W. Smeets tot wethouders. W. Smeets en M. Flamand hadden zich eerst in 1843 in Nederland gevestigd en misten zodoende de hoedanigheid van Nederlander, zodat zij ten onrechte tot raadsleden waren gekozen en als zodanig beëdigd. Ten gevolge hiervan moesten de andere raadsleden opnieuw worden geïnstalleerd, wat voor W.Th. Duijsens, P. Theunissen, J. Piters en J. Frijns plaats vond op 10 oktober en voor M.H. Straet op 7 december 1854. (94) * 
Op 6 november 1854 vond de verkiezing plaats ter vervanging van W. Smeets en M. Flamand. Alleen J. Bours kreeg het vereiste aantal stemmen zodat de kiesgerechtigde inwoners van Mesch op 27 november weer naar de stembus moesten gaan. Deze keer kozen ze ... M. Flamand, die bij de eerste verkiezing op 18 juli al was gekozen, maar toen evenmin als nu in aanmerking kon komen voor het lidmaatschap van de raad omdat hij geen Nederlander was. Daar J. Bours niet tot de raad toetrad waren er nog steeds twee vacatures. Hierin werd 10 februari 1855 voorzien door de keuze van W. Loijens en W. Ramaekers. (95) *  Eindelijk, na 5 verkiezingen, had Mesch de raad voltallig. In de raadsvergadering van 23 maart 1855 werden W.Th. Duijsens en P. Theunissen tot wethouders gekozen. In dezelfde vergadering werd, na loting, het volgende rooster van aftreding vastgesteld: 1855: J. Piters en W. Ramaekers. 1857: W.Th. Duijsens en W. Loijens. 1859: M.H. Straet, J. Frijns en P. Theunissen. Bij raadsbesluit van 17 april 1855 werd F. Debeij zowel tot gemeentesecretaris als gemeenteontvanger benoemd. Daar er onregelmatigheden in dit besluit voorkwamen werd het niet goedgekeurd door gedeputeerde staten. Daarop werd in de raadsvergadering van 7 juli d.a.v. een nieuw besluit genomen waarbij burgemeester G. Huijnen als secretaris en J. Bours als ontvanger werden ontslagen en F. Debeij opnieuw in beide functies werd aangesteld. Gedeputeerde staten gingen ook deze keer niet akkoord met de benoeming van de secretaris, doch de raad weigerde in zijn vergadering van 14 oktober 1855 het benoemingsbesluit in te trekken. (96) *  Toch trok de gemeente uiteindelijk aan het kortste eind, burgemeester Huijnen zou gemeentesecretaris blijven tot aan zijn dood in maart 1858. (97) * 
J. Bours zou nog voorlopig gemeenteontvanger blijven en wel tot 8 mei 1857, op welke dag hij werd ontslagen en F. Debeij definitief tot zijn opvolger werd benoemd. (98) *  In maart 1858 overleed G. Huijnen, (99) *  die als burgemeester en gemeentesecretaris werd opgevolgd door P. Theunissen. (100) *  Op 1 januari 1875 telde de gemeente Mesch 236 inwoners, 126 mannen en 110 vrouwen. De gemeenteraad was als volgt samengesteld: P. Theunissen, burgemeester, P. Aussems, tevens wethouder, W. Loijens, tevens wethouder, Chr. Gilissen, J. Brouwers, J. Piters en W. Ramaekers. (101) *  In 1877 overleed burgemeester en gemeentesecretaris P. Theunissen, die in beide functies werd opgevolgd door zijn zoon P.J. Theunissen. (102) *  Bij raadsbesluit van 25 februari 1881 werd L.J. Andrien, tot gemeenteontvanger benoemd als opvolger van F. Debeij. (103) *  Aan burgemeester P.J. Theunissen werd bij koninklijk besluit van 13 april 1886 eervol ontslag verleend. (104) *  Bij koninklijk besluit van 14 mei d.a.v. werd J.H. Ramaekers tot zijn opvolger benoemd; deze volgde Theunissen ook op als gemeentesecretaris. (105) *  In 1893 overleed wethouder P. Aussems, die sinds zijn benoeming tot raadslid in 1857 wethouder was geweest en deze post gedurende 30 jaar samen had bekleed met W. Loijens, die wethouder zou blijven tot in 1899. (106) *  In 1899 kreeg de gemeente ook een nieuwe ontvanger in de persoon van T.V. Huijnen, die de overleden L.J. Andrien opvolgde. (107)10 Bij de eeuwwisseling telde Mesch 246 inwoners, 131 mannen en 115 vrouwen. (108)11
Het bestuur van de gemeente Mesch bestond uit J.H. Ramaekers, burgemeester, L. Huijnen, wethouder, J.D. van der Mullen, wethouder, P.J. Acampo, Th. Pinckaers, M. Houten, Th. Weerts en P.H. Huls, raadsleden. (109) *  Raadslid P.H. Huls werd in 1900 opgevolgd door M. Gilissen. (110) *  In 1906 begroette de gemeente haar 300e inwoner, op 1 januari van dat jaar telde Mesch 291 zielen, op 31 december 311. (111) *  Bij raadsbesluit van 24 juni 1910 werd aan T.V. Huijnen op eigen verzoek eervol ontslag verleend als gemeenteontvanger; J.D. van der Mullen volgde hem op, daartoe benoemd bij raadsbesluit van 14 juli 1910. (112) *  In 1913 werd H.Chr. Pinckaers tot burgemeester van Mesch benoemd, (113) *  als opvolger van J.H. Ramaekers. Bij raadsbesluit van 11 april 1917 werd J.H. Ramaekers ongevraagd ontslagen als gemeentesecretaris, daar hij de hem toevertrouwde taak in geen enkel opzicht naar behoren waarnam, ondanks herhaalde waarschuwingen en aanmaningen. Gemeenteontvanger J.D. van der Mullen werd nog dezelfde maand ook tot gemeentesecretaris aangesteld. (114) *  J.H. Ramaekers werd in 1919 tot raadslid gekozen en tot wethouder benoemd. (115) *  Bij koninklijk besluit van 10 juni 1919 werd J.J. Duijsens tot burgemeester van Mesch benoemd; (116) *  bij raadsbesluit van 11 november 1919 werd hij ook tot gemeentesecretaris benoemd als opvolger van de op eigen verzoek eervol ontslagen secretaris J.D. van der Mullen. (117) *  Per 1 januari 1925 telde Mesch 278 inwoners. (118)10
De gemeenteraad bestond uit burgemeester, tevens raadslid J.H. Duijsens, de wethouders E. Weerts en M. Smeets en de raadsleden L. Reintjens, H. Pinckaers, N.M. Spons en E. Drummen. (119) *  In 1929 nam J.D. van der Mullen ontslag als gemeenteontvanger, wat hem op de meest eervolle wijze werd verleend. (120) *  Hij werd opgevolgd door P.M.J. Wolfs. (121) *  In 1931 ontstond er een ernstige bestuur crisis in Mesch. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van dat jaar werd slechts één kandidatenlijst ingediend met de volgende namen: 1. J.W. Pinckaers, 2. J.G. Thewissen, 3. J.H. Ramaekers, 4. E.H.J. Flamand, 5. E. Drummen, 6. H.J.V. van Hoven, 7. J.H. Erkens en 8. A.J.H. Kevers. Daar er zeven plaatsen te vervullen waren werden de eerste zeven kandidaten door het hoofdstembureau bij besluit van 22 mei 1931 tot lid van de raad benoemd. (122) *  Toen E. Drummen, H.J.V. van Horen en J.H. Erkens hun benoeming niet aanvaardden werd de achtste kandidaat, A.J.H. Kevers, tot raadslid benoemd. (123) *  Doch de raad besliste in zijn vergadering van 3 augustus 1931 om Kevers niet toe te laten als lid van de raad. Toen deze hiertegen bezwaar aantekende vernietigde gedeputeerde staten de
raads beslissing en lieten ze hem alsnog toe. (124) *  Omdat de benoemde raadsleden J.W. Pinckaers, J.G. Thewissen, J.H. Ramaekers en E.H.J. Flamand hun geloofsbrieven niet tijdig indienden bleef er uiteindelijk maar één raadslid over, A.J.H. Kevers. Deze werd dan ook in de raadsvergadering van 1 september 1931 beëdigd en tot wethouder benoemd. Kevers en burgemeester Duijsens bestuurden samen de gemeente, ze hielden met hun tweeën raadsvergaderingen. (125) * 
Hier kwam een einde aan toen A.J.H. Kevers de gemeente in 1932 verliet en zodoende ophield raadslid te zijn. (126) *  Toen ook kwam er een einde aan de bestuurs crisis. Bij besluiten van de voorzitter van het centraal stembureau van 7 mei van dat jaar werden E. Drummen, J.H. Ramaekers, J.G. Thewissen en J.W. Pinckaers tot raadsleden benoemd. (127) *  Ook E.J.H. Flamand werd benoemd doch hij zou nooit de voorgeschreven eed afleggen en werd zodoende geen lid. In de raadsvergadering van 11 juni 1932 werden J.W. Pinckaers en J.H. Ramaekers tot wethouders benoemd. (128) *  In 1935 kreeg Mesch een nieuwe gemeenteontvanger in de persoon van M.H.E. Philippens. (129) *  Op 2 februari 1941 overleed J.H. Ramaekers, oud 85 jaar. (130) *  Hij had sinds zijn benoeming tot raadslid in 1885 een vooraanstaande rol gespeeld in het gemeentelijk politieke leven van Mesch. In 1886 werd hij tot burgemeester en gemeentesecretaris benoemd; de eerste functie bleef hij uitoefenen tot in 1913, de tweede tot in 1917. Als burgemeester was hij gedurende de jaren 1886-1895 ook nog raadslid. In 1919 werd hij weer tot raadslid gekozen en bovendien tot wethouder benoemd. In 1923 verdween hij uit de raad om er 9 jaar later, in 1932, weer in terug te keren en er deel van te blijven uitmaken tot aan zijn dood. In deze laatste periode was hij ook nog wethouder gedurende de jaren 1932-1935. Nadat Nederland in mei 1940 door de Duitsers was bezet, moesten met ingang van 1 september 1941 de werkzaamheden van het college van burgemeester en wethouders en die van de gemeenteraad blijven rusten en ging hun bevoegdheid over op de burgemeester ingevolge verordening no 152/1941 van de rijkscommissaris
Het plaatselijk bestuur van Mesch, dat per 1 januari 1941 336 inwoners telde, (131) *  was toen als volgt samengesteld: J.H. Duijsens, burgemeester, tevens raadslid; J.W. Pinckaers, wethouder; E. Drummen, wethouder; J.G. Thewissen, raadslid; M.H. Beijers, raadslid; H. van Reij, raadslid; G. Weertz, raadslid. Bij beschikking van de secretaris generaal van het departement van binnenlandse zaken van 29 december 1942 werd de gemeente Mesch met ingang van 1 januari 1943 opgeheven en bij de gemeente Eijsden gevoegd. (132) *  Aan het slot van deze korte geschiedenis van het plaatselijk bestuur volgen nu nog lijsten van burgemeesters, wethouders, raadsleden, gemeentesecretarissen en gemeenteontvangers van Mesch, voor zover althans bekend. (133) * 
G. Huijnen, 1836-1837. M. Debeij, 1845-1847. W.Th. Duijsens, 1947-1857. P. Theunissen, 1855-18858. P. Aussems, 1857-1893. N. Loijens, 1859-1863. W. Loijens, 1863-1899. Chr. Gilissen, 1893-1895. J.H. Steijns, 1895-1899. J.D. van der Mullen, 1899-1910. L. Huijnen, 1899-1914. H.Chr.Th. Pinckaers, 1910-1913. J.W. Steijns, 1913-1919. W.N. Loijens, 1914-1919. J.H. Ramaekers, 1919-1923. E. Weerts, 1919-1927. M. Smeets, 1923-1927. H. Pinckaers, 1927-1931. A. Houten, 1927-1931. J.G. Thewissen, 1931. A.J.H. Kevers, 1931-1932. J.H. Ramaekers, 1932-1935. J.W. Pinckaers, 1932-1941. J.G. Thewissen, 1935-1939. P. van Bergen, 1939-1940. E. Drummen, 1940-1941. Raadsleden: M. Huijnen, 1800-1803. M. Straet, 1800-1803. H. Pauwen, 1800-1803. Th. van Hoven, 1800-1804. W. Hechtermans, 1800-..... G. Heijnen, 1800-1816. J. Huijnen, 1800-1816. A. Onclin, 1800-1838. A. Dirix, 1806-1813. M. Straet, 1806-1815. G. Huijnen, 1806-1816. J.J. Frijns, 1806-1819. J. Huijnen, 1806-1819. G. Peetermans, ....-1812. J. Frijns, 1812-1819. G. Duijsens, 1816-1819. J. Heijnen, 1816-1819. M. Straet, 1816-1819. Chr. Beckers, 1816-1825. Th. van Hoven, 1816-1829. W. Janssen, 1819-1820. J. Dirix, 1819-1821. M. Huijnen, 1819-1821. M. Straet, 1820-1828. J. Huijnen, 1822-1825. J. Frijns, 1822-1828. J. Roijen, 1825-1830. Th. Lejeune, 1825-1844. A. Onclin, 1826-1830. W. Loijens, 1828-1854. B. van Hoven, 1829-1832. P. Kruijdt, 1829-1836. W. Straet, 1830-1832. M. Debeij, 1830-1837. J.J. Frijns, 1832-1835. J. Huijnen, 1832-1844. L. van Aubel, 1835-1836. M.H. Straet, 1836. J. Heijnen, 1836-1844. G. Huijnen, 1836-1854. J.J. Andrien, 1837-1840. M.H. Straet, 1838-1844. W.Th. Duijsens, 1840-1844. M. Debeij, 1844-1847. G. van der Cruijs, 1844-1850. Ph. Brouwers, 1844-1854. B. Frijns, 1845-1848. P. Tossens, 1845-1851. W.Th. Duijsens, 1847-1857. P. Aussems, 1851-1854. M.H. Straet, 1851-1860. P. Theunissen, 1851-1877. J. Piters, 1854-1855. J. Frijns, 1854-1860. W. Loijens, 1855-1857
G. Huijnen, 1855-1858. W. Ramaekers, 1855-1885. N. Loijens, 1857-1863. P. Aussems, 1857-1893. J. Piters, 1858-1880. M. Debeij, 1861-1865. J. Bours, 1861-1868. W. Loijens, 1863-1899. Chr. Gilissen, 1865-1895. J. Brouwers, 1869-1877. L.J. Andrien, 1877-1881. P.J. Theunissen, 1877-1886. A. Huijnen, 1880-1883. A.J. Piters, 1881-1889. F. Theunissen, 1883-1897. J.H. Ramaekers, 1885-1895. B.H. Pinckaers, 1886-1889. P. Spits, 1889-1897. L. Huijnen, 1889-1923. J.H. Steijns, 1893-1899. M. Houten, 1895-1909. H.Chr.Th. Pinckaers, 1895-1919. Th. Weerts, 1897-1903. F.J.H. Acampo, 1897-1903. P.H. Huls, 1899-1900. J.D. van der Mullen, 1899-1910. M. Gilissen, 1900-1905. G.P.H. van Hoven, 1903-1906. M.G.H. Duijsens, 1905-1909. W. Lemmelijn, 1906-1909. J. Duits, 1909-1915. J.H. Duijsens, 1910-1911. W.N. Loijens, 1910-1919. J.W. Steijns, 1910-1919. L.J.H. Andrien, 1911-1917. J.H. Kempener, 1915-1923. M. Houten, 1917-1918. Chr.W. Castermans, 1918-1923. A.J.H. Andrien, 1919-1923. J.H. Duijsens, 1919-1923. J.H. Ramaekers, 1919-1923. N.M. Spons, 1923-1927. E. Drummen, 1923-1927. M. Smeets, 1923-1931. L.W. Reintjens, 1923-1931. H. Pinckaers, 1923-1931. J. Huijnen, 1927-1929. J.W. Pinckaers, 1927-1931. A. Houten, 1927-1931. J.G. Thewissen, 1929-1931. A.J.H. Kevers, 1931-1932. J.H. Ramaekers, 1932-1941. E. Drummen, 1932-1941. J.G. Thewissen, 1932-1941. J.W. Pinckaers, 1932-1941. J. Ramakers, 1935-1937. M.H. Beijers, 1935-1941. P. van Bergen, 1939-1940. H. van Reij, 1939-1941. J.H. Duijsens, 1940-1941. G. Weertz, 1941. Gemeentesecretarissen: W. Janssen, 1820-1824. J. Huijnen, 1825-1830. J. Bours, 1831-1835. Th. van Haeren, 1835-1837. M.H. Straet, 1837-1844. Th.M. Lemaire, 1844-1852. G. Huijnen, 1852-1858. P. Theunissen, 1858-1877. P.J. Theunissen, 1877-1886. J.H. Ramaekers, 1886-1917. J.D. van der Mullen, 1917-1919. J.H. Duijsens, 1919-1942
Gemeenteontvangers: A. Onclin, 1808-1826. J. Huijnen, 1826-1830. J. Bours, 1831-1857. F. Debeij, 1957-1881. L.J. Andrien, 1881-1899. T.V. Huijnen, 1899-1910. J.D. van der Mullen, 1910-1929. P.M.J. Wolfs, 1929-1935. M.H.E. Philippens, 1935-1942
Verantwoording van de ordening en inventarisatie
Inventaris van de archieven der gemeente Mesch, 1772-1942
Kenmerken
Datering:
1772-1942
Auteur:
W. van Mulken
Inventaris:
Inventaris van de archieven der gemeente Mesch, 1772-1942, Maastricht 1988
Omvang:
7,6 meter
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS