Uw zoekacties: Gequalificeerden / regulateurs belast met de invordering van...
x41 Gequalificeerden / regulateurs belast met de invordering van het recht op successie ( Tresoar (Frysk Histoarysk en Letterkundich Sintrum) )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

41 Gequalificeerden / regulateurs belast met de invordering van het recht op successie ( Tresoar (Frysk Histoarysk en Letterkundich Sintrum) )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
 
 
Inventaris
01. Inleiding
sluiten
41 Gequalificeerden / regulateurs belast met de invordering van het recht op successie
01. Inleiding
Voor deze inleiding is gebruik gemaakt van:
P. Brood -Inventaris van de archieven van de ontvangers der successierechten in Drenthe 1806-1811, 1814-11816, 1818-(1900) - Rijksarchief in Drenthe, 1976.
R.C. Hol -Inventaris van de memories van aangifte der nalatenschappen en de bijbehorende ingangen afkomstig van de ontvanger der successierechten en de tafels IV en VI van de dienst der registratie - Rijksarchief in Gelderland, 1980.
W.F.M. Brieffies -Inventaris van de memories van aangifte en bijbehorende stukken betreffende de invordering van de belasting op het recht van successie 1806-1817 - Rijksarchief in Noord-Holland, 1974.
P. Scherft -De archieven van de Gekwalificeerden tot de directie van de invordering, of Regulateurs der belasting op het recht van successie - in: Gebundelde inventarissen Rijksarchief in Zeeland, deel II, 1976, p. 5-7.
C. Bloemen -Inleiding op de inventaris van de memories van successie, 1962.
Tijdens de regering van Raadpensionaris Schimmelpenninck (1805-1806) kwam onder minister I.J.A. Gogel het eerste nationale belastingstelsel tot stand.
Onderdeel daarvan was de "Ordonnantie eener belasting op het regt van successie, alomme in het Bataafsch Gemeenebest in te vorderen", die op 4 oktober 1805 werd gearresteerd door het Wetgevend lichaam. *  Voor Friesland was successiebelasting niet nieuw. Reeds sinds 1621 kende men er het collateraal (belasting op successie in de zijlijn. * 
De nationale ordonnantie werd per 1 januari 1806 van kracht. De belasting bedroeg in principe 10% (art. 1) en werd van de gehele boedel van de overledene geheven (art. 2). Wanneer broers, zusters, grootouders, ooms, tantes, oom- en tantezeggers erfden, konden ze in bepaalde omstandigheden korting krijgen (art. 7 en 8), Vrijgesteld waren kinderen, kleinkinderen of ouders die erfden (art. 5 en 6), terwijl van de boedels die minder dan 300 gulden waard waren, niets behoefde te worden betaald (art. 23).
De uitvoering van de ordonnantie had de nodige schriftelijke neerslag ten gevolge. Artikel 24 schreef voor, dat "alle lijk-bezorgers, ofte die in eenig sterfhuis het toezigt over de Begrafenis hebben", enige gegevens over de gestorvene op moesten geven aan het plaatselijk bestuur. Dat bestuur maakte dan een lijst van aangegeven lijken op en gaf een permissiebiljet tot begraving uit aan de doodgraver. Deze maakte een lijst van begravenen op. De officiers (= de gerechtelijke autoriteiten) vergeleken de lijst van aangegeven lijken met de lijst van de begravenen, en gaven de laatste lijst aan de ambtenaar die als gekwalificeerde tot de invordering van de successiebelasting optrad. Deze ontving ook van het plaatselijk bestuur een exemplaar van de lijst van aangegeven lijken.
De gekwalificeerde moest volgens art. 25 binnen drie weken een sommatiebiljet afgeven aan de nabestaanden van elke gestorvene. Dezen hadden dan binnen drie maanden een memorie van aangeving in te leveren, waarin de nalatenschap beschreven werd. De gekwalificeerde maakte vervolgens uit de lijst van begravenen en de lijst van aangegeven lijken een register van overledenen op, waarin de data van afgifte van het sommatiebiljet, van inlevering van de memorie van aangeving en van andere ambtelijke handelingen stonden genoteerd. Ook werd daarin aantekening gemaakt als de nalatenschap vrij was van belasting.
Artikel 43 van de Ordonnantie bepaalde, dat een gekwalificeerde, behalve een onkostenvergoeding, 2 1/2% ("de veertigste penning") van de inkomsten uit de belastingheffing in zijn ressort zou ontvangen. Volgens dit artikel en artikel 3 van de "Instructie voor de gequalificeerden ....."van 4 december 1805 moesten zij over elke halfjaarlijkse periode een zgn. "staat van verantwoording" opmaken. Bij die staten moesten zij een aantal bijlagen voegen, waavan de (positieve of negatieve) memories van aangifte en de registers van overledenen de belangrijkste zijn. Volgens ordonnantie en instructie moesten staat en bijlagen bij de Raad van Financiën van elk Departement worden ingediend.
Toen de staten over het eerste halfjaar van 1806 binnenkwamen, was de controletaak van de Raad van Financiën al door de Landdrost, die sinds 16 mei 1807 aan het hoofd van het departementaal bestuur stond, overgenomen. De goedkeuringsbeschikkingen op de staten zijn immers door de Landdrost getekend. Maar voor de staten van verantwoording vanaf het eerste halfjaar van 1808 kreeg het Ministerie van Financiën de controle. *  Dit vroeg echter de staten 1806-1807 met hun bijlagen als noodzakelijke retroacta bij de staten van volgende jaren bij de landdrost op, *  maar zond ze nimmer terug.
Voor de invordering van het recht op successie was Friesland verdeeld in een zestiental ressorten De vier Waddeneilanden stonden apart, de overige twaalf ressorten omvatten meerdere steden en grietenijen. Voor een overzicht zie men Bijlage A., pag. 6.
De inlijving bij Frankrijk maakte, dat per 1 januari 1812 de Ordonnantie van 1805 werd ingetrokken en de Franse wet van 22 Frimaire van het jaar VII (=12 december 1798) ook in ons land werd ingevoerd. * 
Deze wet kende een "droit de mutation par décès" (recht van overgang bij overlijden). Dit recht was geen successierecht: men moest alleen registratierechten betalen op de eigendomsovergang van goederen. * 
Na de aftocht van de Fransen werd bij Souverein Besluit van 23 december 1813, nr. 90 de wet van 22 Frimaire VII (12 december 1798) per 1 januari 1814 buiten werking gesteld, en vervangen door de Ordonnantie van 1805. Nadere bepalingen zouden volgen. Die kwamen bij S.B. van 28 februari 1814, nr. 7. De ambtenaren heetten niet langer gekwalificeerden, maar regulateurs. De artikelen 24 en 25 van de Ordonnantie werden ook gewijzigd. De regulateurs zouden lijsten van sterfgevallen krijgen van de gecommitteerden tot de zaken van de burgerlijke stand. Ze moesten de ingevorderde sommen afdragen aan de ontvanger-particulier in het betrokken arrondissement. *  Ook zij zonden (evenals de gekwalificeerden) elk half jaar hun staten van verantwoording ter afhoring aan het Ministerie van Financiën in.
De ressortering onderging ingrijpende wijzigingen. Het arrondissement Leeuwarden werd in drie ambtsgebieden verdeeld, de arrondissementen Sneek en Heerenveen werden elk één ressort. Voor een overzicht zie men Bijlage B., pag. 7.
De wet van 11 februari 1816, Staatsblad 14, bepaalde in de artikelen 24 en 25, dat het recht van successie in 1816 op dezelfde voet als voorheen zou worden ingevorderd, maar dat per 1 januari 1817 een nieuwe wet van kracht zou worden. Deze nieuwe wet kwam echter pas tot stand in de laatste dagen van 1817 (27 december 1817, Staatsblad 37) en trad pas per 1 januari 1818 in werking. Zo zijn over 1817 geen successierechten geheven. * 
04. Bijlage A
05. Bijlage B
Kenmerken
Omvang:
10,31 meter Amsterdamse dozen
Categorie:
  • Zonder categorie
Archiefvormer(s)::
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS