Uw zoekacties: Lycklamahuis te Beetsterzwaag

329-01 Lycklamahuis te Beetsterzwaag ( Tresoar (Frysk Histoarysk en Letterkundich Sintrum) )

Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

beacon
 
 
Inventaris
1. Inleiding
1.3. De bewoners
Zoals in de vorige paragraaf reeds vermeld is, was het jkvr. Catharina Johanna Aebinga van Humalda die het Lycklamahuis heeft laten bouwen en er als eerste in is gaan wonen. Zij is gehuwd geweest met Reinhard baron van Lynden die reeds in 1819 was overleden. Hun huwelijk is kinderloos gebleven. Reinhard was eerder gehuwd geweest met Ypkjen Hillegonda van Boelens. Uit dit huwelijk zijn wel kinderen geboren. Hoewel één van deze kinderen, nl. Eritia Ena Romelia barones van Lynden, de moeder was van de volgende eigenaresse en bewoonster van het Lycklamahuis is het eigendomsrecht toch niet langs deze weg in het bezit gekomen van jkvr. Ypkjen Hillegonda van Eysinga. Zoals ook al in de vorige paragraaf is vermeld liet Catharina Johanna haar bezittingen na aan de drie dochters van haar neef jhr. Binnert Philip van Eysinga, een zoon van haar zuster Clara Tjallinga Aebinga van Humalda. Eén van deze drie was Ypkjen. Veel belangrijker echter dan dit huis waren de boerderijen en landerijen die Ypkjen bij deze gelegenheid erfde. *  En daar bleef het niet bij.
Bestudering van de fragment genealogieën welke als bijlagen bij deze inventaris zijn gevoegd, zullen al snel duidelijk maken dat, met name doordat veel verwanten ongehuwd dan wel kinderloos zijn overleden, er vaak eerder sprake is geweest van een samenkomen, een verenigen van (familie)bezittingen dan van een steeds verder gaande versnippering, hetgeen eerder te verwachten zou zijn geweest. Dit alles werd dan nog eens versterkt door de vele huwelijken tussen verwanten onderling. Eén en ander had tot gevolg dat met name de kinderen van Binnert Philip van Eysinga en die van zijn broer ldsert Frans grote hoeveelheden onroerend goed verkregen. Het overgrote deel van de bezittingen van de familie Lycklama à Nijeholt is zelfs hierop terug te voeren. Iets dergelijks heeft zich trouwens later binnen de familie Lycklama à Nijeholt zelf nog wel eens herhaald. Gezien het feit dat er van Catharina Johanna Aebinga van Humalda of van haar echtgenoot Reinhard van Lynden maar heel weinig stukken in het archief voorkomen, zal ik over hen niet verder uitweiden. Enkel nog dit. In een aan haar testament gehecht codicil verplichtte zij haar erfgenamen om tenminste nog zes weken na haar overlijden haar huishouding voort te zetten.
Daarna mochten haar erfgenamen het huis betrekken. *  Waarschijnlijk kort daarop is jhr. Jan Anne Lycklama à Nijeholt, die toen al verloofd was met Ypkjen Hillegonda van Eysinga, er gaan wonen. Begin 1836 huwden zij en vanaf dat moment zullen zij er beiden wel gewoond hebben. Alvorens verder te gaan eerst iets over Jan Annes's voorouders. Jan Anne stamt uit een oude Friese grietmansfamilie. De man die als stamvader van de familie wordt beschouwd, Lyckle Eables, werd in 1517 grietman van Schoterland en Weststellingwerf. Zijn nakomelingen bleven hoofdzakelijk in de zuidoosthoek van Friesland. H.B. van Sminia noemt in zijn Naamlijst van grietmannen Lycklama's à Nijeholt in onder andere de volgende grietenijen: Ooststellingwerf 1610-1773, Opsterland 1693-1781 en Utingeradeel 1752-1795. Tinco Martinus Lycklama à Nijeholt, de vader van Jan Anne, werd in 1795 tegelijk met alle andere grietmannen in de rest van Friesland afgezet als grietman van Utingeradeel.
Tot eind 1801 bleef hij ambteloos, toen werd hij weer betrokken bij het bestuur van Friesland. Na het einde van de Franse overheersing werd hij achtereenvolgens lid van de Staten Generaal (1814), de Tweede Kamer (1815-1831) en de Eerste Kamer (1835 1844). Koning Willem I verhief hem en zijn wettige nakomelingen in 1817 in de Nederlandse adelstand met het predicaat Jonkheer. *  Jan Anne werd in 1809 geboren uit het tweede huwelijk van Tinco Martinus met Francina Johanna Blomkolk. Het gezin bewoonde toen Andringa State te Oldeboorn. Toen hij achttien jaar oud was trad Jan Anne in dienst bij de marine. In de woelige jaren 1830-1831 bevond hij zich aan boord van Z.M. schip De Zeeuw op de Schelde. Hij heeft zich daar onderscheiden tijdens een' schermutseling voor Biervliet. Van 1832-1834 maakte hij aan boord van Z.M. fregat Algiers een retourreis naar Nederlands-lndië. Kort voor zijn huwelijk met Ypkjen Hillegonda verliet hij als luitenant tweede klasse de dienst weer.
Eenmaal in Beetsterzwaag woonachtig stortte hij zich, wat gezien zijn voorgeslacht geen verwondering behoeft te verwekken, op het plaatselijke en provinciale bestuur. In 1837 werd hij gekozen tot lid van de Raad van de grietenij Opsterland, kort daarna tot assessor (wethouder). In 1853 werd hij vervolgens tot burgemeester benoemd, een ambt dat hij tot 1865 vervuld heeft. *  Van 1841-1886, met een onderbreking van 1862-1865 was hij lid van de Provinciale Staten van Friesland waar hij zich vooral en nadrukkelijk bezig hield met waterstaatsen landbouwzaken. *  Van zijn hand zijn op deze gebieden dan ook enige publicaties verschenen. In dit verband moet zeker ook genoemd worden zijn tot op perceelsgrootte gedetailleerde kaart van de gemeente Opsterland waarop grondsoorten en bodemgebruik staan aangegeven. Bij deze kaart is tevens een uitgebreide toelichting gemaakt. *  Al zijn er in zijn persoonsarchief dan niet veel stukken over te vinden, toch moet zijn verkiezing in 1841 tot volmacht voor de ingelanden van Opsterland bij het bestuur van het zeewerende waterschap De Zeven Grietenijen en de Stad Sloten eveneens genoemd worden. Een flinke hoeveelheid stukken daarentegen heeft de laatste functie welke ik hier moet noemen opgeleverd.
Van 1843-1891 was Jan Anne administrerend gecommitteerde van de Opsterlandse Veencompagnie. Tussen deze compagnie-officieel ?De Gezamentlijke Compagnons der Opsterlandsche en Ooststellingwerfsche Veenen en Vaerten'-en de familie Lycklama à Nijeholt bestond een speciale band. Voor de geschiedenis van deze compagnie en het aandeel daarin van vooral de oudere Lycklama's à Nijeholt, van wie zich overigens in dit archief geen bescheiden bevinden, wordt verwezen naar de in 1957 verschenen inventaris van het archief van deze compagnie door J. Visser. * 
Van de situatie van rond 1800 toen alle aandelen eigendom waren van de familie Lycklama à Nijeholt was omstreeks 1875 niet veel meer over. De familie was zelfs al lang niet meer de grootste aandeelhouder. Toch hebben veel leden van de familie bestuursfuncties in de compagnie vervuld, ook na haar omzetting in 1908 in een N.V. Het archief van de compagnie heeft lange tijd op zolder van het Lycklamahuis gestaan en misschien daardoor komen er in het archief van de compagnie bouwtekeningen van het Lycklamahuis voor. *  Toen in 1854 Ypkjen Hillegonda overleed had het echtpaar vier kinderen. Van dezen stierf het jaar daarop een zoon. Jan Anne bleef tot zijn dood op het Lycklamahuis wonen waar hij het grootste deel van de tijd gezelschap had van zijn ongehuwd gebleven dochter Eritia. Een deel van het jaar verbleven zij in een door Jan Anne gehuurd huis in het Bezuidenhout in Den Haag. Zijn twee zonen Tinco Martinus en Augustinus verlieten beiden reeds vroeg het ouderlijk huis. De eerste om te gaan reizen en om zich tenslotte rond 1875 in Cannes te vestigen en de tweede liet voor zich in Beetsterzwaag het landhuis Lauswolt bouwen en ging daar met zijn gezin wonen. Het was dan ook Eritia die na het overlijden van Jan Anne in 1891 het Lycklamahuis toebedeeld kreeg. Tevens nam zij de huur over van het huis in Den Haag. Een groot deel van haar tijd bracht zij echter door met het maken van reizen door Europa. *  Hierdoor stond het Lycklamahuis een groot deel van het jaar leeg. Haar twee broers en hun gezinsleden waren daardoor in de gelegenheid om er te logeren wanneer zij in Beetsterzwaag waren. Tinco Martinus schijnt daar niet vaak gebruik van gemaakt te hebben maar voor zover bekend is hij sinds 1875 ook niet meer zo vaak in Friesland terug geweest. Augustinus daarentegen logeerde er wel geregeld.
Al in 1878 had hij Lauswolt verkocht aan Reinhard baron van Harinxma thoe Slooten. Sindsdien woonden Augustinus en zijn vrouw Anna Adriana Cornelia Sixma barones van Heemstra en kinderen onder andere in Den Haag, Amersfoort, Doorn en vooral in het om zijn zoutwaterbronnen beroemde Wiesbaden. Reden voor dit laatste was de slechte gezondheidstoestand van enkele gezinsleden. Augustinus zelf leed aan epilepsie, dochter Ypkjen heeft meerdere malen in sanatoria in Duitsland en Zwitserland gelegen. *  Naar Beetsterzwaag kwam het gezin of Augustinus alleen voor familiebezoek en in verband met het beheren van de onroerende goederen. Augustinus is degene die het grootste persoonsarchief heeft nagelaten, wat gerust een klein wonder mag heten wanneer we rekening houden met waar hij wel niet overal gewoond heeft. In zijn persoonsarchief komen veel ontvangen brieven voor. Hieronder bevindt zich een hele mooie serie qua omvang en qua inhoud van, aanvankelijk zijn verloofde en later zijn echtgenote, Anna Sixma van Heemstra. De oudste brieven daarvan zijn soms nog versierd met droogbloemen of poëziealbumplaatjes *  .
Augustinus heeft niet veel indrukwekkende functies uitgeoefend. In dit opzicht verschilde hij duidelijk van zijn voorouders. In 1891 volgde hij zijn vader op als gecommitteerde bij de Opsterlandse Veencompagnie en bleef dat tot zijn dood in 1906. Veel tijd en energie besteedde hij aan zijn grootste hobbies: genealogie en heraldiek. Naast de uitgave van 1883-1885 van het ?Jaarboekje van den Frieschen Adel in Verband tot de Ridderschap van Friesland' (mede in verband met overigens mislukte pogingen om de ontbinding van de Ridderschap te voorkomen), vervaardigde hij uitgebreide genealogieën van collatoren en collatrices van het Boshuisen Gasthuis en van het Eritia de Blocq wed. van Frankenaleen, beide te Leeuwarden. Van deze beide genealogieën zijn de manuscripten in het archief aanwezig. *  Dit is helaas niet het geval met een door Augustinus vervaardigde genealogie van zijn eigen geslacht, slechts veel aantekeningen (en afschriften) van door hem hiervoor verzamelde stukken zijn bewaard gebleven. Ook over het beheren van zijn onroerende goederen heeft Augustinus veel stukken nagelaten. Naast stapels huurcontracten van boerderijen en landerijen en vele andere stukken treffen we ook hier de nodige correspondentie met onder andere boeren aan. Heel aardig zijn enkele brieven over de voor sommige boeren in hun huurcontracten vastgelegde verplichtingen tot levering van agrarische produkten. *  Zelfs in de tijd dat de familie in Wiesbaden woonde, liet zij zich geregeld boter, kaas, aardappelen etc. opsturen vanuit Friesland. Interessant zijn ook de in veel huurcontracten van met name op de klei gelegen boerderijen opgenomen verplichting tot levering van, soms aanzienlijke hoeveelheden, kievitseieren * 
Augustinus zelf overleed in 1906. Daarvoor waren reeds overleden zijn broer Tinco Martinus in 1900, zijn zuster Eritia en zijn dochter Clara Tjallinga in 1902 en zijn echtgenote in 1903. Hun nalatenschappen kwamen tenslotte alle terecht bij de twee overgebleven kinderen van Augustinus. Van deze twee was de dochter, Ypkjen Hillegonda gehuwd met Carl Grundtmann, een officier in Duitse dienst. Zij bleven definitief in Duitsland. De zoon, Jan Anne Augustinus Cornelis Schelto ging nu op het Lycklamahuis wonen. Over deze Jan valt niet veel te vertellen. Het aantal van hem bewaard gebleven archiefstukken is helaas gering. Een verklaring daarvoor kan ik niet geven. Van de stukken die wel bewaard zijn hebben de meeste weer betrekking op het beheer van de bezittingen. Hij overleed reeds in 1917, ongehuwd en zonder kinderen na te laten. Zijn zuster Ypkjen was het jaar daarvoor al overleden. Beiden lieten hun bezittingen na aan de drie kinderen van Ypkjen en Carl Grundtmann.
Om voor mij onduidelijk gebleven redenen is er toen iets niet gebeurd wat tot dan toe, hoewel in een enkel geval pas na enige tijd, altijd wel was gebeurd. Anna, Fritz en Clara Grundtmann hielden alle onroerende goederen, aandelen en schuldbekentenissen, het inkomen verschaffende deel van de nalatenschappen, in gezamenlijk bezit. Elk van hen had recht op 1/3 deel van de opbrengst. De aldus ontstane ?Massaliteit Grundtmann' lieten zij aanvankelijk geheel door zaakwaarnemers beheren. In feite was hierdoor nagenoeg het gehele complex aan bezittingen dat door jhr. Jan Anne Lycklama à Nijeholt was opgebouwd weer hersteld. Aandelen en schuldbekentenissen speelden in dit geheel een ondergeschikte rol. Het zwaartepunt lag heel duidelijk bij het onroerend goed. Dat onroerend goed viel in twee delen uiteen. Ten eerste was daar een groep boerderijen en landerijen op de klei in en rond Hennaarderadeel. De meeste van deze boerderijen zijn rond 1700 gekocht door Hobbe Baerdt van Sminia en zijn dochter Catharina Aurelia Lucia. Via leden van de families Aebinga van Humalda en Van Eysinga vererfden deze bezittingen tenslotte op de families Lycklama à Nijeholt en daarna Grundtmann. Daarnaast bezaten deze twee families veel onroerend goed in Opsterland zelf en in de grietenijen daar omheen-in tegenstelling tot ?op de klei' vaak ?in de Wouden' genoemd. Naast' ook hier weer een aantal boerderijen en landerijen en enkele woningen, bezaten zij tevens grote complexen heide en bossen rond Duurswoude.
Over de exploitatie in eigen beheer hiervan ontbreken in het archief echter nagenoeg alle stukken. Afgezien van een enkel los stuk, geven eigenlijk alleen de ?staten van uitgaven aan arbeidslonen en materialen' van de opzichter J. Brouwer hierover enige informatie. *  In de loop van 1921 werd Fritz zo ernstig ziek dat zijn twee zusters zich genoodzaakt zagen een voorziening te treffen waardoor de continuïteit van het beheer van hun bezit in Friesland gewaarborgd werd. Zij stelden een akte op waarin zij verklaarden samen Fritz' belangen te zullen behartigen. *  Om praktische redenen werd Anna, die toen al in Beetsterzwaag woonde, gemachtigd om in haar eentje de lopende zaken af te handelen. Beider handtekeningen waren echter nodig bij zaken van doorslaggevende aard. Fritz overleed in 1924, ongehuwd en kinderloos. De opbrengst van de massaliteit behoefde nog slechts door zijn twee zusters gedeeld te worden. Clara is gehuwd met Max Fremerey, een officier in Duitse dienst. Zij bleven in Duitsland.
Reeds in 1918 was Anna definitief in Beetsterzwaag op het Lycklamahuis komen wonen. Langzamerhand begon zij zich meer en meer met het praktische beheer van de familiebezittingen te bemoeien. Dit werd nog versterkt na haar huwelijk met jhr. Joan de Jonge van Zwijnsbergen in 1930. Beheerders e.a. dienden in het vervolg bij haar hun nota's en rekeningen en verantwoordingen in. Indien nodig zond zij de stukken ter ondertekening door naar Duitsland. Op een gegeven moment moet er weer een soort machtiging zijn opgemaakt want na enige tijd tekende Anna alleen, mede namens haar zuster. Deze machtiging ontbreekt echter in het archief. Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog bracht niet veel verandering in deze situatie. Dat deed de beëindiging van die oorlog wèl. De helft, de ?Duitse helft', van de familiebezittingen in Nederland werd als vijandelijk vermogen geconfisqueerd. Vanaf dat moment bestond er geen ?Massaliteit Grundtmann' meer, Anna Grundtmann was nu alleen eigenaresse. Naast deze massaIiteit-die ik in de beschrijvingen altijd heb aangeduid als: bezittingen van Anna Grundtmann c.s.-bestonden er nog een aantal andere massaliteiten. Deze waren alle veel kleiner.
De grootste-massaliteit Eritia Lycklama à Nijeholt-bestond uit vijf boerderijen en landerijen. Met deze massaliteiten was iets eigenaardigs aan de hand. Zij waren enkel en alleen bedoeld om de uitkering van in testamenten vastgelegde periodieke toelagen zeker te stellen. Daartoe verplichtte de legetaris zijn of haar erfgenamen in zijn of haar testament om een hypothecair beslag te nemen op een bepaald goed of goederen. Verkoop werd daardoor onmogelijk en uit de opbrengst moesten de toelagen worden uitgekeerd. Het beslag kon pas worden opgeheven nadat alle uitkeringen waren geëindigd. Dat dit soms een langdurige aangelegenheid werd zal niemand verbazen. Jkvr. Eritia Lycklama à Nijeholt overleed in 1902 en één van de door haar begunstigde uitkeringsgerechtigden leefde eind 1942 nog steeds. Jhr. Joan de Jonge van Zwijnsbergen heeft op zijn beurt bestuursfuncties verricht bij de N.V. De Opsterlandse Veencompagnie en bij het waterschap De Zeven Grietenijen en de Stad Sloten. Hierover zijn helaas weinig stukken bewaard gebleven. Na 1940 neemt het aantal archiefstukken überhaupt snel af. Anna Grundtmann overleed in 1960, haar echtgenoot in 1971. Hun erfgenamen, in het geval van Anna zijn dat de kinderen van haar zuster Clara, ontruimden en verkochten het Lycklamahuis. Doch over dit alles komen al helemaal geen stukken meer in het archief voor.

Kenmerken

Datering:
1658-1969
Periode:
1658-1969
Beschrijving:
Lycklamahuis te Beetsterzwaag