Uw zoekacties: Veeartsenijkundige Dienst 's-Hertogenbosch, 1922 - 1969
x137 Veeartsenijkundige Dienst 's-Hertogenbosch, 1922 - 1969 ( Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC) )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

137 Veeartsenijkundige Dienst 's-Hertogenbosch, 1922 - 1969 ( Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC) )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
Zoektips!

Wildcards kunnen het zoeken vergemakkelijken:

  • Een ? (vraagteken) vervangt een letter
  • Een * (sterretje) vervangt een aantal letters
  • Door een $ (dollarteken) voor een zoekterm te zetten, zoekt u naar woorden die op elkaar lijken.

Meer zoektips vindt u hier.

 
 
Inleiding
Historisch overzicht
137 Veeartsenijkundige Dienst 's-Hertogenbosch, 1922 - 1969
Inleiding
Historisch overzicht
 * 
De bemoeienis van de staat met de uitoefening van de veeartsenijkunst vangt aan in 1868. Het voornaamste doel dat de overheid voor ogen stond, was het afweren van gevaar bij besmettelijke veeziekten.
Wat betreft de uitoefening van de diergeneeskunde werd geconstateerd dat de omvang van de veestapel in Nederland zo groot was, dat driemaal zoveel veeartsen als beschikbaar waren, te werk konden worden gesteld.
Over de opleiding aan de rijksveeartsenijschool te Utrecht werd opgemerkt, dat de ijver van de studenten zeer gering was en mede daardoor waren de resultaten zeer slecht. Dit gebrek aan ijver werd toegeschreven aan de oppervlakkige kennis van de voorbereidende wetenschappen.
Ook wilde de overheid een einde maken aan de praktijken van de empirici of „koedokters" en, zoals toen in België al gebruikelijk was, alleen maar patenten geven aan mensen die bij een examen blijk van hun kunnen hadden gegeven.
In 1868 werd het eerste wetsvoorstel, regelend het veeartsenijkundig staatstoezicht, ingediend bij de Staten-Generaal. Dit voorstel werd in juni 1868 verworpen, maar nog in december van dat jaar werden twee nieuwe ontwerpen van de wet bij de Tweede Kamer ingediend. De Wet, regelend het veeartsenijkundig staatstoezicht, heeft op 20 juli 1870 haar beslag gekregen. Op 1 januari 1871 trad zij in werking. Het land werd in acht distrikten verdeeld; met aan het hoofd van ieder distrikt een distriktsveearts, die geen praktijk mocht uitoefenen. Hij kreeg een bezoldiging van f 800,- per jaar.
Het distrikt Noord-Brabant omvatten de gehele voornoemde provincie. De eerste distriktsveearts werd L. van Driel, die in 1844 tot rijksveearts werd bevorderd. Zijn standplaats werd Stratum.

Vóór de aanvaarding van de wet waren in Noord-Brabant 12 veeartsen en 101 empirici werkzaam. Nog in 1871 werden in het gelijknamige distrikt 13 patenten afgegeven aan rijksveeartsen en 107 aan empirici.
Als gevolg van de wet op de diergeneeskunst van 8 juli 1874, was een gestage toename van het aantal rijksveeartsen en een grote afname van empirici te zien. In het distrikt Noord-Brabant waren in 1879 15 rijksveeartsen en nog maar 49 empirici werkzaam.

De taken van de distriktsveeartsen werden als volgt omschreven:
a. Belast met het onderzoek naar de algemene gezondheidstoestand van de veestapel.
b. Geeft aanwijzingen tot bevordering en middelen tot verbetering.
c. Toezicht op de handhaving van wetten en verordeningen die in het belang van de algemene gezondheidstoestand van de veestapel zijn vastgesteld.
Het distrikt Noord-Brabant bleef bestaan tot 1913. Toen trad een nieuwe distriktsveearts in dienst, P. J. 't Hooft. Zijn standplaats werd 's-Hertogenbosch en zijn distrikt Oost-Brabant, in het westen begrensd door en met uitzondering van de gemeenten Hooge- en Lage Zwaluwe, Terheijden, Teteringen, Ginneken en Chaam.
Deze plaatsen en het gebied ten westen hiervan behoorden tot het distrikt West-Brabant en Zeeland. Het land van Cuyk kwam bij het distrikt Limburg.

In 1922 werd de titel van distriktsveearts gewijzigd. Vanaf toen was zijn titel inspecteur van de Veeartsenijkundige Dienst in de provincie. Een veel meer ingrijpende reorganisatie vond plaats in 1924, naar aanleiding van de Vleeskeuringswet, die in 1922 volledig in werking trad. Tot dan zien we naast de inspecteur van de Veeartsenijkundige Dienst ook een inspecteur van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid, belast met het toezicht op de naleving van de Vleeskeuringswet. Zijn ambtsgebied omvatte in 1924 de provincies Limburg en Noord-Brabant en een deel van Gelderland.

Per 1 januari 1925 werden beide diensten samengevoegd. Dr. J, H. Picard, tot dan inspecteur van de Veeartsenijkundige Dienst in Limburg, werd benoemd tot inspecteur van het distrikt Oost-Brabant met een dubbele funktie: inspecteur van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid, voor zover zijn taak het toezicht op de vleeskeuringskringen betrof én inspecteur van de Veeartsenijkundige Dienst, belast met werkzaamheden voortvloeiend uit de toepassing van de Veewet. Hieruit volgt ook dat hij voor twee departementen werkte: Volksgezondheid ressorteerde in 1925 onder het Departement van Arbeid- Handel- en Nijverheid en de Veeartsenijkundige Dienst onder het Departement van Binnenlandse Zaken en Landbouw.
Inmiddels had per 16-6-1924 weer een grenscorrectie plaatsgevonden. Het Land van Cuyk en de Noord-Limburgse gemeenten Bergen, Gennep, Mook en Ottersum werden bij Noord-Brabant gevoegd. De Noord-Brabantse gemeenten Maarheeze en Budel kwamen bij distrikt Limburg.
In 1925 werd het distrikt uitgebreid met het gebied van de provincie Gelderland ten zuiden van de Waal. Na de tweede wereldoorlog werd het kantoor gevestigd te Boxtel en werden de Limburgse en Gelderse gemeenten afgestoten.

Met de pensionering van Dr. C. J. A. Kerstens, inspecteur-distriktshoofd van het distrikt West-Brabant en Zeeland, op het einde der vijftiger jaren, werd Zeeland een zelfstandig distrikt en kwam West-Brabant bij het distrikt Oost-Brabant, zodat het ambtsgebied dus weer de hele provincie Noord-Brabant omvatte.
Door een interne regeling bleef de vleeskeuringskring Breda en het gebied ten westen hiervan *  tot 1961 zelfstandig functioneren onder adjunkt-inspecteur Meijer. Per 1 januari 1961 kwam hieraan een einde en werd ook de administratie overgebracht naar Boxtel. Het kantoor werd op 1 april 1968 weer gevestigd te 's-Hertogenbosch.
De taken van de dienst, die in 1969 ressorteerde onder de Departementen van Landbouw en visserij én Sociale Zaken en Volksgezondheid, bestonden toen uit contrôle op de naleving van de Veewet, de Vleeskeuringswet en de Destructiewet en contrôle op vee, vlees en vleeswaren bestemd voor de export.

Direkt na het in werking treden van de Vleeskeuringswet werden de distrikten verdeeld in een aantal vleeskeuringskringen, welke werden gecontrôleerd en geadviseerd door de veterinair inspecteur van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid. Het doel van deze kringen was het treffen van gemeenschappelijke regelingen voor het keuren van vee en vlees in de aangesloten gemeenten, het samenstellen van een commissie, die op verzoek of op eigen initiatief adviezen kon uitbrengen betreffende aangelegenheden, de vleeskeuring in de kring betreffende en het verplichten van iedere aangesloten gemeente am een vleeskeurings- en keurloonverordening vast te stellen. Hierin werden onder meer de slachtingen en de zorg voor de destructie van afgekeurd vlees en vee geregeld.
In 1947 was de provincie Noord-Brabant verdeeld in 26 vleeskeuringskringen, waarvan il kringen onder volambachtelijke leiding en 15 kringen onder halfambachtelijke leiding. Door een economisch motief én om hygiënische redenen, waardoor een juiste uitvoering van de Vleeskeuringswet beter gewaarborgd werd, was het aantal keuringskringen in de provincie in 1964 teruggebracht tot 17 vleeskeuringskringen, waarvan er 15 onder vol-ambachtelijke leiding stonden.
Het archief
Aanwijzingen voor de gebruiker
Bijlagen
Kenmerken
Vindplaats origineel:
Locatie Den Bosch
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS