Uw zoekacties: Vereniging voor Gereformeerd Schoolonderwijs te Zwolle
x0970 Vereniging voor Gereformeerd Schoolonderwijs te Zwolle ( Historisch Centrum Overijssel (HCO) )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

0970 Vereniging voor Gereformeerd Schoolonderwijs te Zwolle ( Historisch Centrum Overijssel (HCO) )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
Zoektips!

Wildcards kunnen het zoeken vergemakkelijken:

  • Een ? (vraagteken) vervangt een letter
  • Een * (sterretje) vervangt een aantal letters
  • Door een $ (dollarteken) voor een zoekterm te zetten, zoekt u naar woorden die op elkaar lijken.

Meer zoektips vindt u hier.

 
 
Inleiding
1. Geschiedenis
sluiten
0970 Vereniging voor Gereformeerd Schoolonderwijs te Zwolle
Inleiding
1. Geschiedenis
Om de oprichting van bijzondere scholen in de loop van de negentiende eeuw en de schoolstrijd, die in het verlengde daarvan ligt, te kunnen begrijpen, moeten we terug naar de Bataafse omwenteling van 1795.
Staat en kerk werden toen gescheiden, waardoor de staat zijn gereformeerd karakter verloor. Ook het onderwijs werd als een staatsaangelegenheid beschouwd en moest daarom aan de invloed van de kerk onttrokken worden. In overeenstemming met het beginsel dat bij een neutrale staat ook een neutrale staatsschool behoorde, ging de schoolwet van 1806, opgesteld door Van den Ende, uit van de gemengde school waar leerlingen van alle gezindten gezamenlijk onderwijs ontvingen. De scholen moesten opleiden tot alle "maatschappelijke en christelijke deugden", waarbij we onder christelijk moeten verstaan een algemeen christendom waaraan geen der gezindten, die de school bezochten, zich mocht ergeren. Onderwijs gebaseerd op de leer van een kerkgenootschap was geboden.
Een gelovig onderwijzer kon binnen de ruimte van de wet christelijk onderwijs geven, zolang niemand tegen dit onderwijs bezwaar maakte. Dit gebeurde in de eerste helft van de negentiende eeuw in toenemende mate. De Rooms-Katholieken stoorden zich aan de protestantse geest die nog altijd heerste op de openbare scholen en maakten vooral bezwaar tegen het gebruik van de Bijbel op school. Het rationalisme, dat vele aanhangers telde onder de onderwijzers en schoolopzieners, wilde de godsdienst geheel van de scholen bannen. Tenslotte wilde de heersende Groninger richting in de Hervormde kerk, die zich steeds verder verwijderde van de gereformeerde beginselen en waartoe ook vele onderwijzers behoorden, dat haar kritische houding ten opzichte van de Bijbel en de persoon van Jezus ook zou doorklinken in het onderwijs. In orthodoxe ogen was deze leer net zo verderfelijk als het rationalisme of het Rooms-Katholicisme. Uitgaande van het beginsel van de wet dat de school plaats moest bieden aan alle gezindten, moest de gelovige onderwijzer onder druk van deze groeperingen al het aanstootgevende uit zijn onderwijs verwijderen. In streken met gemengde bevolking werd het onderwijs steeds neutraler. In protestantse gebieden domineerde de Groninger richting. * 
Vele ouders zonden hun kinderen met tegenzin naar school. Ze konden niet anders, omdat de wet van 1806 niet voorzag in de oprichting van bijzondere scholen. De wet sprak wel over bijzondere scholen, maar deze bepaling was opgenomen om de in 1806 bestaande bijzondere scholen te legaliseren, niet om de stichting van nieuwe bijzondere scholen mogelijk te maken. Dat zou immers in strijd zijn met het beginsel dat het gehele onderwijs een staatsaangelegenheid moest zijn. Stichting van scholen was volgens de wet een monopolie van de overheid. Bijzondere scholen waren, volgens de wet van 1806, scholen die niet door de overheid bekostigd werden. Zij werden verdeeld in twee klassen. Bijzondere scholen die eigendom waren van een kerk of diakonie, van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen of andere zelfstandige instellingen, of van particulieren die zich voor de oprichting en instandhouding van een bijzondere school verenigd hadden, behoorden tot de eerste klasse. Alleen ouders die lid waren van die kerk, van het Nut of van die instelling, of die behoorden tot die vereniging, mochten kinderen naar die school sturen. Tot de tweede klasse behoorden de bijzondere scholen die geheel bekostigd werden uit de schoolgelden en in feite particuliere ondernemingen van onderwijzers. * 
Langzamerhand werd men zich bewust van de geest die de staatsscholen beheerste en die het logisch gevolg was van de toepassing van de beginselen waarop de wet gebaseerd was. De ontevredenheid groeide in orthodox-protestantse kringen onder invloed van het Reveil en vooral de Afscheiding. Derk Hoksbergen, een boer uit Wilsum tussen Zwolle en Kampen, was één van de eersten die zich in gedrukte vorm *  keerde tegen het onderwijssysteem. Treffend schreef hij: "De schoelen bint net zo bedurven as de karken. En zollen wie er uut blieven, maar sturen onze kinders der hinne?" Hij bedoelde: nu wij ons zelf onttrokken hebben aan de verderfelijke leer van de Hervormde Kerk, mogen wij ook onze kinderen niet meer sturen naar de scholen die net zo bedorven zijn. Voor de Afgescheidenen bracht reformatie van de kerk noodzakelijkerwijze reformatie van de school met zich mee. Reformatie in haar diepste betekenis grijpt in op alle terreinen van het leven. Ook anderen, zoals Groen van Prinsterer en Da Costa, keerden zich in woord en geschrift tegen de ontkerstening van de openbare school. Men begon naar wegen te zoeken om het onderwijs te veranderen. * 
Groen zocht het in een reformatie van de openbare school. Dit was de consequentie van zijn beginsel dat het Evangelie normatief moest zijn voor de gehele natie; dus ook voor de openbare school. *  Anderen, zoals Van der Brugghen, verschilden principieel met hem van mening, omdat zij de staat een neutraal karakter toeschreven. Zij zochten de reformatie van het onderwijs in de oprichting van bijzondere scholen en onderzochten daartoe de mogelijkheden die de wet hen bood. In verschillende plaatsen vroegen zij de gemeentebesturen, aan wie het recht om scholen te stichten door de wet van 1806 was toegekend, om toestemming. Veelal werd dit geweigerd, waardoor men soms overging tot illegale stichting, zoals in Heerde, Smilde, Ruinerwold en Zuidwolde. Door ingrijpen van de overheid werd meestal snel een eind gemaakt aan het bestaan van deze schooltjes. *  Slechts enkelen lukte het om de onwil van gemeentebesturen te doorbreken. Zo b.v. in Amsterdam, waar de Afgescheiden Gemeente een diakonieschool stichtte en in Nijmegen, waar de eerste bijzondere school uitgaande van een vereniging werd opgericht in 1844. * 
Ook in Zwolle vroeg de kerkeraad van de Afgescheiden Gemeente in augustus 1843 toestemming aan het stadsbestuur om een diakonieschool te mogen oprichten. Het verzoek werd afgewezen, omdat er volgens B en W geen behoefte aan een dergelijke school bestond. Ook een beroep op Gedeputeerde Staten in 1844 haalde niets uit. Evenals in zoveel andere plaatsen kwam de bijzondere school in Zwolle er niet; nog niet! * 
In 1848 veranderde de situatie. Onder de indruk van revolutiespook dat door Europa waarde, stemde Willem II toe in een herziening van de Grondwet. Natuurlijk kwam hierbij ook de onderwijskwestie ter sprake. Onder invloed van Thorbecke die, hoewel libertaal, niet afkerig stond tegenover het bijzonder onderwijs, werd in de ontwerp-Grondwet de vrijheid van onderwijs opgenomen. Tijdens de parlementaire behandeling stuitte dit op grote bezwaren. Het artikel werd gehandhaafd, maar zo geamendeerd dat de openbare school met allerlei waarborgen werd omgeven. De voorstanders van het openbaar onderwijs kregen de verzekering dat overal van overheidswege voor voldoende openbaar onderwijs gezorgd zou worden. Juist deze passage, later de "ellendige zinsnede" genoemd, zou voor de liberalen een argument zijn om de oprichting van bijzondere scholen tegen te houden. Bovendien bleef de Onderwijswet van 1806 van kracht totdat een nieuwe wet grondwetsartikel 194 zou uitwerken. Maar in de Grondwet was nu vastgelegd de vrijheid om bijzondere scholen op te richten en velen wensten vanaf 1848 van deze mogelijkheid gebruik te maken. Om de gemeentebesturen tot meegaandheid te bewegen, zond Thorbecke in 1849, als minister, een circulaire aan Gedeputeerde Staten van de verschillende provincies, waarin hij hen opwekte bij de oprichting van bijzondere scholen de meest mogelijke vrijheid te betrachten. Ondanks tegenwerking van de veelal liberale gemeentebesturen verrezen in verschillende plaatsen nu bijzondere scholen. * 
Ook in Zwolle schepte men nieuwe moed. Op 4 juni 1949 kwam de oprichting van een christelijke school ter sprake op de kerkraadsvergadering van de Afgescheiden Gemeente. Er werd besloten eerst de uitspraak van de synode, die een week later zou bijeenkomen, af te wachten. De synode oordeelde, dat het tot de verplichting van de kerk behoorde om voor goede scholen te zorgen. De Zwolse kerkeraad benoemde hierop op 19 februari 1850 een commissie, bestaande uit: ds. D. Postma, A. Bosch, L. Pessink en G. Louman. Ze wendden zich op 9 april tot het stadsbestuur met het verzoek een bijzondere school der eerste klasse te mogen oprichten. Meester Weenink werd, voordat de beslissing op dit verzoek bekend was, aangesteld als hoofdonderwijzer. Voorlopig moest hij zonder school doen, want de overheid, eerst B en W, later Gedeputeerde Staten, werkte tegen. De commissie vroeg advies aan de grote voorvechter van het christelijk onderwijs Groen van Prinsterer, tevens kamerlid voor het district Zwolle, en aan baron Mackay. Uiteindelijk verkreeg zij op 31 oktober 1850, na zich in augustus nog tot de Koning gewend te hebben, de begeerde toestemming. * 
De commissie richtte zich nu in een circulaire tot de ouders, waarin zij stelde ".dat het onderwijs op de openbare scholen, hoe voortreffelijk het wetenschappelijk ook wezen moge, niet voldoet aan de behoefte van christelijke ouders, wie het eene heilige roeping is hunne kinderen op te voeden in de vrees des Heeren, die het beginsel is van alle wijsheid." Het hoofddoel van het onderwijs op de op te richten school zal zijn de kinderen op te voeden ".naar het woord Gods, in de vermaning des Heeren." ".met één woord: den Heere Jezus Christus voor te stellen als te zijn de enige naam, die onder den Hemel gegeven is, waardoor wij zalig worden." *  De ouders werden opgeroepen het Reglement van deelneming te ondertekenen om zo het recht te verwerven hun kinderen naar een christelijke school te mogen sturen. Zij richtte zich niet alleen tot de leden van de Afgescheiden Gemeente, maar ook tot de orthodoxe gelovigen in de Hervormde Gemeente en in de Gereformeerde Gemeente onder het Kruis. Om de op 6 januari 1851 geopende school ook voor hen aantrekkelijk te maken breidde de commissie, onder goedkeuring van de kerkeraad, haar ledenaantal uit met de heren E. Neuteboom en J. van der Kolk, beiden lid van de Hervormde Gemeente. *  In het Reglement van deelneming en in het Reglement van orde van 1852 *  ) wordt niet gesproken over een band tussen de Afgescheiden Gemeente en de commissie, juist om mensen van een ander kerkgenootschap niet af te schrikken. Een dergelijke statutaire binding achtte de kerkeraad niet nodig, omdat de meerderheid van de bestuursleden lid was van de Afgescheiden Gemeente (verhouding 4:2) en zij er wel voor zouden zorgen dat de commissie dezelfde lijn zou volgen als de kerkeraad.
Maar hierin vergiste deze zich. Doordat in 1852 Bosch overleed en Pessink de Afgescheidenen Gemeente verliet *  , vormden de Afgescheidenen opeens een minderheid in de commissie (2:3). De drie niet-afgescheiden leden werkten de benoeming van nieuwe Afgescheidenen tegen, waardoor de vacatures niet vervuld werden. *  Bovendien verliet ook hoofdonderwijzer Weenink, die in 1850 bij zijn benoeming tot de Afgescheiden Gemeente was toegetreden, deze kerk in 1852 weer. De commissie wenste niet in te gaan op het verzoek van de kerkeraad Weenink om deze reden te ontslaan. *  Door deze oorzaken daalde het vertrouwen van de Afgescheidenen in de commissie en daarmee ook de vrijgevigheid. De financiële situatie werd steeds slechter. Bovendien overwoog de kerkeraad van de Afgescheiden Gemeente om een eigen school op te richten. *  De commissie, tenslotte nog slechts bestaande uit drie leden door het overlijden van Neuteboom en het vertrek van Postma, maar met nog altijd een hervormde meerderheid (1:2), zag steeds minder kans de school te onderhouden en bood deze in 1859 met al ".hare lasten en lusten." aan de kerkeraad van de Afgescheiden Gemeente aan. Deze accepteerde, waardoor de school in 1859 terugkwam aan de kerk die haar gesticht had. *  In het nieuwe Reglement van orde werd nu duidelijk vastgelegd, dat de school eigendom was van de Afgescheiden Gemeente en dat de bestuursleden door de kerkeraad benoemd zouden worden. * 
De school kwam nu kerkelijk in rustiger vaarwater. Het grootste probleem bleef de financiën. Het bijzonder onderwijs ontving tot 1889 geen enkele tegemoetkoming van de overheid, maar moest wel aan de dezelfde eisen voldoen als de openbare scholen. Een legaat vormde een welkome aanvulling op de inkomsten. De aanvaarding van een dergelijk legaat in 1889 gaf problemen, omdat de som was vermaakt aan de Christelijke Nationale School te Zwolle. Uit alles bleek dat hiermee de school werd bedoeld, maar officieel heette zij niet zo. Waarschijnlijk was dit de populaire naam, ook vanwege de jaarlijkse subsidie die zij ontving van CNS. Om het legaat te kunnen aanvaarden moest de school zich zo gaan noemen. De opstelling van de hiervoor benodigde statuten vormde de aanleiding tot bezinning op de band tussen het schoolbestuur en de kerkeraad. *  Voorlopig leidde dit niet tot veranderingen, maar de kwestie bleef spelen. *  De mogelijke oprichting van een MULO-school door een aantal inwoners van Zwolle, die hiertoe wilden samenwerken met de commissie, maar huiverig waren voor het kerkelijk karakter van de school, deed het bestuur in 1892 een verzoek richten tot de kerkeraad om de band met de school losser te maken. De kerkeraad weigerde vooralsnog. * 
Een uitspraak van de synode van de Geformeerde Kerken in Nederland dat het wenselijk is dat christelijke scholen zich laten erkennen als verenigingen in de zin van de wet, maakte de kwestie opnieuw actueel. * 
In samenwerking met de kerkeraad van de Gereformeerde Kerk A *  werden statuten opgesteld voor de nieuw te vormen vereniging. De kerkeraad kreeg het recht om toezicht uit te oefenen op het onderwijs en om drie van de negen bestuursleden te benoemen. *  Op 15 februari 1894 werd tijdens een vergadering van ouders, voogden en contribuanten de Vereniging voor Geformeerd Schoolonderwijs (GSO) opgericht en werden zes bestuursleden gekozen. In een gecombineerde vergadering van het oude en het nieuwe bestuur op 15 juni droeg de oude commissie haar rechten en verplichtingen over aan de vereniging voor GSO. Het nieuwe bestuur zou het schoolgebouw huren van de Gereformeerde Kerk A, die eigenaar bleef. * 
De vereniging voor GSO kreeg al spoedig te maken met de concurrentie van de Afdeling Zwolle van de Vereniging voor Christelijk Volksonderwijs. Om de oprichting van deze organisatie te kunnen verklaren moeten we terug naar het begin van de schoolstrijd, om onze aandacht te richten op verschillende organisaties die werkzaam waren op het terrein van het christelijk onderwijs. De eersten die zich organiseerden, waren de christelijke onderwijzers; zowel aan bijzondere als aan openbare scholen. Zij richtten in 1854 de Vereniging voor Christelijkgezinde onderwijzers op. *  Op 30 oktober 1860 werd opgericht de Vereniging voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs (CNS). Zij bestond uit personen die het bijzonder onderwijs een goed hart toe droegen en stelde zich o.a. tot taak de financiële ondersteuning van scholen en de opleiding van christelijke onderwijzers. *  Haar grondslag luidde: ".de onveranderlijke waarheden wier levenskracht zich in het tijdperk der Reformatie ook hier ten lande, voor kerk en school, met zegenrijken luister geopenbaard heeft." * 
Velen die de gereformeerde leer toegedaan waren, met name de Afgescheidenen, vonden deze grondslag te ruim. Bovendien hadden zij bezwaar tegen het overwegend hervormde karakter van CNS. IN 1868 richtten zij de Vereniging voor Gereformeerd Schoolonderwijs op. Zij ijverde, net als CNS, voor de ondersteuning van scholen en de opleiding van onderwijzers; maar dan wel scholen en onderwijzers die de gereformeerde beginselen onderschreven. *  Hoewel er een naamovereenkomst is met de latere Zwolse schoolvereniging, mogen we niet concluderen tot een band tussen beide verenigingen. De Zwolse organisatie was plaatselijke vereniging van personen, die zich ten doel stelde bijzondere scholen te stichten en te onderhouden. Het landelijk GSO was een vereniging van personen die het gereformeerd onderwijs in het algemeen een goed hart toe droegen. Zij stelde zich niet ten doel bijzondere scholen op te richten en geheel te onderhouden, maar om bestaande bijzondere scholen te subsidiëren en om onderwijzers op te leiden. Tot de door GSO ondersteunde scholen behoorde niet de Zwolse school. Die kreeg vanaf 1869, dus na de oprichting van GSO, een jaarlijkse subsidie van fl 200,-- van CNS. *  Het schoolbestuur stond zelfs afwijzend tegenover de oprichting van GSO, getuigende brieven van haar voorzitter ds. Gispen aan Groen van Prinsterer *  en getuige het negatief advies aan hoofdonderwijzer Wijnbeek om een secretarisfunctie bij het landelijk GSO te bekleden. * 
Naast de drie genoemde verenigingen werd in 1879 opgericht de Unie Een School met den Bijbel. Zij was het gevolg van het streven om de organisatie die het Volkspetionnement van 1878 tegen de Schoolwet-Kappeyne van de Coppello had georganiseerd, te behouden. De toen opgerichte locale comité's gingen zich nu toeleggen op de stimulering van het bijzonder onderwijs op plaatselijk niveau. De belangrijkste activiteit van de Unie was de organisatie van de jaarlijkse collecte voor het bijzonder onderwijs, waarvan de opbrengst voor het grootste gedeelte ten goede kwam aan de plaatselijke scholen, maar waarvan CNS en GSO ook een deel kregen. *  De vier genoemde verenigingen hadden gemeen, dat zij gevormd werden door natuurlijke personen. Rechtspersonen, b.v. schoolbesturen, konden zich niet aansluiten. Het ontbreken van een bond van schoolbesturen werd als een gemis gevoeld. Bovendien bestond er vanwege de verheviging van de schoolstrijd een grotere behoefte aan samenwerking tussen de verschillende verenigingen. Daarom werd in 1890 opgericht de Schoolraad voor de Scholen met den Bijbel, die bestond uit vertegenwoordigers van de vier verenigingen en van de aangesloten schoolbesturen. De Schoolraad stelde zich tot taak hulp te verlenen aan de schoolbesturen bij o.a. de oprichting van scholen, de beslechting van geschillen, de regeling van onderwijzerspensioenen en de handhaving en verbetering van de rechtspositie. De grenzen met de vier andere verenigingen werden streng afgebakend, zodat de Schoolraad zich niet zou begeven op het terrein van werkzaamheden van één van hen. * 
Nog een nieuwe organisatie maakte zijn opwachting. Als gevolg van de Doleantie van 1886 was een nieuwe scheuring ontstaan in de Hervormde Kerk. Kerkelijke groeperingen die hun kerkgebouwen in handen zagen van de tegenpartij, hielden vaak hun diensten in schoolgebouwen. Zo werden deze in de kerkelijke strijd betrokken. Ook was voor sommige ouders het al of niet meegaan met de Doleantie door de onderwijzers een reden om hun kinderen thuis te houden. Op de landelijke vergadering van CNS van 1887 werden deze problemen besproken. Een groep Hervormden wilde het de Dolerenden onmogelijk maken om door CNS ondersteunde scholen voor hun diensten te gebruiken. Bovendien wilden zij de invloed van de Dolerenden in de schoolbesturen terugdringen, door deze te plaatsen onder toezicht van hervormde kerkraden. Hun motie haalde het niet, wat voor een aantal van hen aanleiding was CNS te verlaten. In 1890 vormden zij de Vereniging voor Christelijk Volksonderwijs (CVO). Zij week in opzet af van CNS en GSO, omdat ook rechtspersonen, met name schoolbesturen, lid konden worden. Bovendien streefde zij niet naar subsidiëring van bestaande scholen maar naar oprichting en instandhouding van scholen, waar mogelijk in verband gebracht met de kerkeraad van de plaatselijke Hervormde Gemeente. * 
Om leden te winnen voor deze vereniging hield ds. van Noort op 9 februari 1896 een rede in Zwolle. Het resultaat was vierentwintig leden en achtentwintig begunstigers, zodat overgegaan kon worden tot de oprichting van een Afdeling Zwolle. Een voorlopig bestuur werd gevormd en op de eerste ledenvergadering op 23 februari werd een Reglement vastgesteld. De doelstelling zou zijn: oprichting en instandhouding van scholen, waar de jeugd onderwezen en opgevoed zal worden overeenkomstig de pedagogische beginselen neergelegd in de Heilige Schrift. Het bestuur zou bestaan uit zeven leden allen lidmaten van de Hervormde Kerk. *  Het bestuur van GSO voelde de oprichting van deze schoolvereniging, gezien haar doelstelling, als een bedreiging, omdat veel hervormde kinderen nu nog naar hun school gingen. *  In de komende jaren bleken echter beide verenigingen naast elkaar te kunnen bestaan.
Voor een goed begrip van de inventaris is het niet nodig om uitgebreid in te gaan op de geschiedenis van beide schoolverenigingen vanaf 1896 tot 1964. Beide verenigingen bloeiden en breidden hun scholenbestand gestadig uit. De eerste bijzondere school in Zwolle, in 1851 ondergebracht in een gebouw in de Goudsteeg, werd in 1871 verplaatst naar het kerkgebouw van de voormalige Gereformeerde Gemeente onder het Kruis, ook in de Goudsteeg. *  In 1906 kocht de vereniging voor GSO dit gebouw van de kerkeraad van Gereformeerde Kerk. Na de nodige verbouwingen werd in 1907 in deze school tevens een school voor MULO gevestigd. Deze werd al in 1909 verplaatst naar de Schoutensteeg, waarin later ook nog een school voor LO werd ondergebracht. *  In 1920 volgde de opening van een school aan de Middelweg, in 1929 aan de Wipstrikkerallee en in 1931 in de Hortensiastraat. In 1930 kregen de scholen de namen D. Wijnbeekschool (Goudsteeg), Groen van Prinstererschool (Schoutensteeg), dr. H. Franssenschool (Middelweg), Elout van Soeterwoudeschool (Wipstrikkerallee) en Da Costaschool ( Hortensiastraat). *  De Groen van Prinstererschool werd in 1958 verplaatst naar de Zevenalleetjes. In samenwerking met CVO werden gesticht de Valeriusschool aan de Schubertstraat (1965) en de Delta aan de Botlek (1969). Naast de lagere scholen werden diverse kleuterscholen opgericht. * 
CVO opende op 15 augustus 1898 haar eerste school: de kleuterschool De Dageraad. In 1902 werden twee scholen voor lager onderwijs geopend: de Marnixschool in de Korte Kamperstraat en de Oranjeschool aan de Jufferenwal. Ook een School voor MULO werd ondergebracht in de Marnixschool. In de loop van de jaren volgden de Koningin Wilhelminaschool aan het Assendorperplein (1910), de lagere scholen te Schelle (1923) en Westenholte (1924), de Prinses Julianaschool in de Warmoesstraat (1923), de nieuwe Oranjeschool aan de Jufferenwal (1929), de Koningin Emmaschool in de Jacob Catsstraat (1930), de nieuwe Marnixschool aan de Westerlaan (1934), de Prinses Beatrixschool in de Primulastraat (1953), de Prinses Margrietschool voor schipperskinderen (1951), gevestigd in de nieuwe Marnixschool en de Mr. J.J.L. van der Brugghenschool in de Geert Grootestraat. Bovendien nog als samenwerkingsscholen de Dr. J.Th. de Visserschool aan de Beethovenlaan (1961) en de Monteverdischool aan de Montiverdilaan (1966). De meeste lagere scholen hadden een kleuterschool naast zich. Tot de overdracht aan de in 1968 opgerichte Christelijke Scholengemeenschap voor Algemeen Vormend Onderwijs behoorden ook nog de Marnix-ulo (later mavo) en de prins Bernhard-ulo (later mavo) tot het CVO. * 
In verband met de ontvolking van de binnenstad en de groei van de buitenwijken na de Tweede Wereldoorlog was samenwerking gewenst tussen GSO en CVO om te komen tot een doelmatige spreiding van christelijke scholen over de gemeente Zwolle. Na een aantal voorbereidende besprekingen tussen beide besturen werd op 27 maart en 9 april 1963 door de ledenvergaderingen van CVO resp. GSO een akte van samenwerking aanvaard. In artikel 1. werd als uiteindelijk doel van de samenwerking genoemd op den duur te komen tot één organisatie voor de behartiging van het christelijk onderwijs in Zwolle op een beginsel-grondslag die voor beide partijen aanvaardbaar zou zijn. Vooralsnog was de vorming van een dergelijke organisatie niet haalbaar en bleven beide verenigingen zelfstandig bestaan. De samenwerking zou vooral inhouden: regelmatige contacten tussen beide besturen voor de behartiging van de belangen van het christelijk onderwijs in de gemeente Zwolle, gezamenlijke stichting en bouw van nieuwe scholen en gemeenschappelijk optreden naar buiten, met name in het overleg met de gemeente, de rijksinspectie en het ministerie. In de nieuwe woonwijken werden gezamenlijk nieuwe scholen gesticht, waarbij beurtelings het beheer aan één van beide verenigingen werd opgedragen. Het schoolbestuur van een dergelijke samenwerkingsschool bestond, evenals het personeel, in de regel uit evenveel hervormden als gereformeerden. Als orgaan voor onderling contact en samenwerking werd gecreëerd het Overkoepelend Orgaan: een samenwerkingscommissie bestaande uit vier leden aangewezen door GSO en vier door CVO. Voorzitterschap en secretariaat rouleerden om de vier jaar over beide verenigingen. * 
Hoewel de samenwerking niet zonder moeilijkheden verliep, groeide een zodanig wederzijds begrip en vertrouwen dat de geesten rijp werden voor de laatste stap: opheffing van de oude verenigingen en stichting van een nieuwe organisatie, die de rechten en verplichtingen van CVO en GSO zou overnemen. In het najaar van 1969 namen de leden van CVO en GSO de beslissing om ". alle van de vereniging uitgaande scholen en in het bijzonder ook het bestuur over die scholen, alsmede alle bezittingen en onroerende goederen, alle rechten en verplichtingen uit wet of overeenkomst voortvloeide, van de vereniging over te dragen aan de nieuw op te richten vereniging "Vereniging voor Christelijk Onderwijs" te Zwolle." *  Een door het overkoepelend Orgaan ingestelde Fusiecommissie regelde de praktische kant van de fusie en belastte zich met de opstelling van de concept-statuten van de te vormen vereniging. Op 13 april 1970 werd de nieuwe vereniging opgericht door de bestuursleden van CVO en GSO, die als eerste leden toetraden. Vanaf 1 augustus 1970 begon de Vereniging voor Christelijk Onderwijs (VCO) te functioneren. Aan het bestaan van de verenigingen voor Gereformeerd Schoolonderwijs en Christelijk Volksonderwijs was hiermee een eind gekomen. * 
2. Organisatie
3. Lotgevallen van de archieven
4. Verantwoording van de inventarisatie
5. Gebruikte afkortingen
6. Literatuurlijst
Inventaris
Kenmerken
Datering:
1850 - 1970
Omvang archiefblok:
4,85 m
Toegang:
Nagelhout, H., Inventaris van het archief van de Vereniging voor Gereformeerd Schoolonderwijs te Zwolle, 1850 - 1970 (1981).
Openbaarheid:
Het archief is openbaar.
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS