Uw zoekacties: Stadsbestuur Zwolle, archieven van de opeenvolgende stadsbesturen

0700 Stadsbestuur Zwolle, archieven van de opeenvolgende stadsbesturen ( Collectie Overijssel locatie Zwolle )

Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

beacon
 
 
Inleiding
'Dit zint de koeren ende willekoeren, de de scepenen ende raidt ende de gemene stadt van Swolle gewillkoert hebben.
Ende van de koeren de men brecket mach men elcke betuygen met twen gueden knapen offte met enen manne ende met eenre vrouwen.
Mer van vrede sal men elck betuygen met tween gueden mannen'.
Stadsrecht van Zwolle
1. Papier en werkelijkheid
2. Geschiedenis van het archief
3. De inventarisatie
4. De Ordening
5. Gesloten testamenten
Inventaris
3. Archief van het Comptoir van de Administratie der Geestelijke Goederen
Het Comptoir-of Kantoor-van de Administratie van de Geestelijke Goederen te Zwolle ontstond als gevolg van de Reformatie in de 16e eeuw en van de 'confiscatie' door de stedelijke overheid van de goederen van de binnen de stad en de stadsvrijheid gelegen geestelijke instellingen. De aanwending van de opbrengsten van deze goederen diende in het verlengde te liggen van waarvoor zij oorspronkelijk bedoeld waren, n.l. 'ad pios usus'-voor vroom gebruik .
In 1573 was de magistraat, die op de hand van de Reformatie was, uit het zadel gelicht en vervangen door een koningsgezinde raad, die de katholieke godsdienst was toegedaan. Aan de hervormden was de weinig prestigieuze O.L.Vrouwenkapel gegeven als plaats van samenkomst, nadat als gevolg van de in 1578 uitgevaardigde plakkaat van de Staten-Generaal ook de hervormden vrije uitoefening van hun godsdienst verkregen en daarvoor ook kerken dienden te worden afgestaan. Ondertussen vergrootte zich binnen de stad Zwolle de menigte die zich tegen de koningsgezinden keerden en derhalve ook tegen het katholicisme, waarvan de landsheer, koning Philips II van Spanje, dè exponent was.
Aan de vooravond van de magistraatsverkiezing van 25 januari 1579 ging het roer om en de situatie van vóór 1573 werd hersteld. Dat betekende de definitieve overwinning van de hervormingsgezinde partij en bracht de stad Zwolle uiteindelijke ook definitief in het kamp van de Opstand.
Wel deed zich al spoedig het probleem gevoelen hoe de leraren van de nieuwe leer of predikanten in hun onderhoud te laten voorzien. Ondertussen verliepen de kloosters, met uitzondering van de Dominicanen in het Broerenklooster en waren de goederen van de verschillende kloosters en conventen reeds onder het beheer van de magistraat gekomen, zij het onder het rentmeesterschap van hun eigen rentmeesters of ambtslieden, dan wel door lieden die bij provisie door de stedelijke magistraat waren aangesteld.
Als gevolg van een bezending van enkele burgemeesters naar de de landvoogd te Brussel, aartshertog Matthias van Oostenrijk, stond deze laatste de stad toe om in ieder geval over de inkomsten van de kloosters Bethlehem en Windesheim te beschikken voor de betaling van de praeceptoren van de Latijnse school en voor het onderhoud van de arme studenten, ten einde die inrichting weer tot bloei te kunnen brengen. Verder mochten ook andere zaken uit die opbrengsten betaald worden, zoals de bekostiging van de stedelijke verdedigingswerken en de alimentatie-onderhoud-van de oud-conventualen, die in het profane leven geen emplooi konden vinden.
Daarmede was de trend gezet, zodat spoedig ook de overige geestelijke goederen onder beheer van de stedelijke magistraat kwamen. Maar nu liet ook de meente zich horen. Deze eiste nu ook zeggenschap op over de geestelijke goederen. Daarom werd besloten, dat het beheer van de goederen gecontroleerd zou worden door enigen uit de raad en enkelen uit de meente, de zogenoemde gecommitteerden. Ten overstaan van dit college en de cameraars van de stad vond de verantwoording plaats van de inkomsten en uitgaven van de Administratie van de geestelijke goederen, die ondergebracht waren in een apart Kantoor of Comptoir. Dit was eigenlijk een logisch vervolg op een besluit van Raad en Meente uit 1558, waarbij reeds geregeld was, dat de inkomsten uit goederen en renten van kerken, gasthuizen, broederschappen en andere huizingen door de rekenplichtigen ten overstaan gecommitteerden uit de stedelijke regering moesten worden verantwoord.
Onder bezwaar van de stad Deventer eigende zich Zwolle in 1585 ook het beheer toe van de goederen van het voormalige Agnieten- of Bergklooster in de buurschap Berkum in het schoutambt Zwolle . Deventer verzette zich daartegen, omdat onder meer die goederen eertijds waren toegewezen aan de bisschop van Deventer in 1559 als diens tafelgoed.
Allengs blijkt ook duidelijk, dat de inkomsten van de geestelijke goederen werden aangewend tot onderhoud van die goederen, maar vooral ook voor het betalen van de tractementen van de predikanten en de onderwijzers, maar ook die van organisten, voorzangers, kosters en stovenzetters, voor zover zij ook niet nog betaald werden uit andere 'potjes'.
De stad kreeg uiteindelijk het beheer over de goederen van de volgende instellingen: klooster Bethlehem, Broerenklooster, Buschklooster, Maatklooster, Fraterhuis, Kinderhuis en Wytenhuis
Was aanvankelijk het beheer van de geestelijke goederen nog in handen van de oude ambtslieden en rentmeesters van de verschillende instellingen, al spoedig bemerkte men daardoor niet een goed overzicht te krijgen. Raad en Meente besloten dan ook in 1593 om de goederen in zijn geheel te administreren en te beheren door twee provisoren.
3.3. Derde afdeling: overgenomen administraties
3.3.6. Fraterhuis
0700 Stadsbestuur Zwolle, archieven van de opeenvolgende stadsbesturen
Inventaris
3. Archief van het Comptoir van de Administratie der Geestelijke Goederen
3.3. Derde afdeling: overgenomen administraties
3.3.6.
Fraterhuis
In maart 1384 vroegen enkele Zwollenaren aan Geert Grote om hulp om in Zwolle een broederhuis van de Broeders van het Gemene Leven op te richten in navolging van wat Geert Grote in Deventer had gedaan ten aanzien van het daar opgerichte zusterhuis. Daartoe hadden zij een erfje gekocht in de Begijnenstraat - de Praubstraat - te Zwolle .
De stichting ging echter niet door, omdat de Zwolse magistraat tegenwerkte en vooral bezwaar had tegen de wijze van leven, die gezamenlijk was, maar niet gebonden aan aparte regels. Naderhand vestigden de broeders zich op de Nemelerberg, waar het klooster ontstond.
In 1393 werd een nieuwe poging tot het stichten van een fraterhuis van de Broeders van het Gemene Leven ondernomen door Meinold van Windesheim in de Praubstraat. Deze stichting gelukte en kwam tot grote bloei, met name onder de tweede rector Derk van Herxen. Deze laatste bedacht het fraterhuis na zijn dood met een aanzienlijke schenking, waardoor het fraterhuis het voornaamste van de congregatie werd. Het huis was gewijd aan de heilige Gregorius .
Naderhand verwierf de stichting bijna alle huizen aan de oostzijde van de Papenstraat, toentertijd ook wel Kosterssteeg of Keizerssteeg genoemd. Deze huizen bevinden zich nog steeds ter plaatse. Na de dood van Van Herxen vond een stilzwijgende splitsing plaats van de stichting in het Rijke Fraterhuis, de conventshuizen aan de Papenstraat en de westzijde van de Praubstraat, en het Arme Fraterhuis, met een huis aan de oostzijde van de Praubstraat, waarvan alleen de achtergevel nog in wezen is .
In het Rijke Fraterhuis vonden de priesters onderdak en in het Arme Fraterhuis de jongeren of klerken. Samen vormden zij de in de 15e en begin 16e eeuw beroemde 'Schola Swollensis' , aan wie les werd gegeven of die zich bezig hielden met het afschrijven van godsdienstige handschriften en in de zestiende eeuw ook wel met het afschrijven van land-, stad- en dijkrechten in Overijssel.
In 1591 werd de communauteit opgeheven, nadat al eerder - omstreeks 1580-de goederen in bezit waren genomen door de stad Zwolle, die de inkomsten bestemde voor het Comptoir van de Geestelijke Goederen.

Kenmerken

Datering:
1230 - 1813
Toegang:
Mensema, A.J., Stadsbestuur Zwolle, archieven van de opeenvolgende stadsbesturen, 1230 - 1813, Zwolle (2007).
Voorwaarden voor raadpleging en gebruik:
Het archief is openbaar.
Opmerkingen:
* Charters worden alleen ter inzage gegeven na overleg met de studiezaalmedewerker. Raadpleeg eerst de regesten.

* In verband met de materiële toestand is besloten om gesloten testamenten niet te openen. Deze zijn derhalve niet in te zien.