Uw zoekacties: Landen van Overmaas, 1411-1795
x01.075 Landen van Overmaas, 1411-1795 ( Regionaal Historisch Centrum Limburg (RHCL) )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

01.075 Landen van Overmaas, 1411-1795 ( Regionaal Historisch Centrum Limburg (RHCL) )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
Zoektips!

Wildcards kunnen het zoeken vergemakkelijken:

  • Een ? (vraagteken) vervangt een letter
  • Een * (sterretje) vervangt een aantal letters
  • Door een $ (dollarteken) voor een zoekterm te zetten, zoekt u naar woorden die op elkaar lijken.

Meer zoektips vindt u hier.

 
 
Voorwoord
J. van de Venne (1891-1971), trad op 18-jarige leeftijd in dienst bij het Rijksarchief in Limburg, en bleef daar zijn hele verdere leven, tot jaren ná zijn pensionering, in dienst. Al jong ontplooide hij zich als een enthousiast geschiedbeoefenaar en vruchtbaar auteur. In 1911 publiceerde hij zijn eerste artikel in De Maasgouw. Een lange reeks van publicaties zou volgen, onder andere zijn bekende boek over de Geschiedenis van Heer, en zelfs een publicatie over wijndruivencultuur in Limburg.
Ook genealogie had zijn volle belangstelling. In 1925 publiceerde hij zijn bekende werk Limburgse Wapens, met tekeningen van jhr. Graafland, en in de jaren 1950 behoorde hij tot de redactie van De Limburgse Leeuw. Van zijn hand verschenen vele genealogische publicaties. Het Rijksarchief in Limburg liet hij een waardevolle genealogische collectie na.
Maar Van de Venne was vooral een volhardende inventarisator. Hij ordende de gemeentelijke bescheiden van Sittard, Roosteren en Sint-Odiliënberg. De inventarisatie van het omvangrijke fonds van de archieven van de Landen van Overmaas, over de jaren 1423 tot 1795 (376, 20 m en 105 charters, ruim 10.000 inv.nrs.) werd uiteindelijk zijn levenswerk, een grootse prestatie die geen tegenwoordige archivaris meer zal evenaren. Van de Venne's inventaris van de Landen van Overmaas is dus van blijvende waarde.
De archieven van de Landen van Overmaas zijn in het Rijksarchief in Limburg het meest geraadpleegde bestand uit het Ancien Régime. Omdat de inventaris echter niet meer beantwoordt aan de eisen van de moderne archivistiek, maar vooral vanwege de omvang van de inventaris, kan niet worden overgegaan tot uitgave in boekvorm. Om deze twee redenen wordt de inventaris van de Landen van Overmaas nu op Internet aangeboden
Inleiding
De landen van Overmaas
Het land van Valkenburg
Het ontstaan
De heren en de overgang aan Brabant
01.075 Landen van Overmaas, 1411-1795
Inleiding
Het land van Valkenburg
De heren en de overgang aan Brabant
In het kort moge het volgende meegedeeld worden omtrent de gebieders van het genoemde land.
Als oudste heer wordt Thibalt van Voeren-Valkenburg, uit het huis Voeren-Montaigue genoemd.
Hij wordt tweemaal in oorkonden vermeld, als 'van Valkenburg' de eerste maal in 1101 een tweede maal in 1147 een veertigtal jaren na zijn dood, hij overleed nl. vóór 30 april 1106. Hij was gehuwd met Guda, die in 1125 overleed. * 
Na het overlijden van Thibalt komt Valkenburg aan het huis Heinsberg. In welk jaar dit plaats had is niet met zekerheid bekend en evenmin staat de wijze waarop de Heinsbergers heer van Valkenburg werden vast. Het bestek van deze inleiding laat niet toe hier verder op in te gaan. * 
Vier heren uit het huis Heinsberg hebben over Valkenburg geregeerd tot het ca. 1212 in mannelijke lijn uitstierf met Gozewijn II heer van Valkenburg.
Na deze Gozewijn volgde zijn neef of achterneef Dirk I uit het huis van Kleef, zoon van Aleidis van Heinsberg en Arnold III van Kleef, op als heer van Valkenburg. Van de heren van Valkenburg uit het huis Kleef, het waren er zeven, hebben verschillenden een rol gespeeld in de grote politiek. Dirk II (ca. 1229-1268) mengde zich in de strijd van de Keulenaren tegen zijn broer de aartsbisschop van Keulen, Engelbert. Walram (1268-1312) is vooral bekend om zijn aandeel in de erfopvolgingsstrijd om het hertogdom Limburg tussen de hertog van Brabant en de graaf van Gelder, wiens zwager Walram was. Reinoud (1305-1333?) voerde jarenlang oorlog tegen de hertog van Brabant en verloor tenslotte zijn heerlijkheid Valkenburg aan laatstgenoemde.
Deze werd eerst aan zijn zoon Dirk IV in 1334 teruggegeven.
De beide laatste heren van Valkenburg uit het huis Kleef, Dirk IV (1333-1346) en Jan I (1346-1352) hebben beiden als bondgenoten van Edward III, koning van Engeland, in het begin van de honderdjarige oorlog met hun huurtroepen gevochten tegen Frankrijk.
Vooral Jan was een woelig heerschap. Zo nam hij in 1337 deel aan de z.g. Reigereed aan het hof van de Engelse koning. * 
Hij beloofde toen door een vrij barbaarse eed Koning Edward te helpen bij de verovering van Frankrijk en daarbij kerk noch altaar, vriend noch bloedverwant te sparen. Ook nam hij in 1344 deel aan een tocht tegen de heidense Lithauers met Willen IV, graaf van Holland en Zeeland. Als laatste heer van Valkenburg uit het huis Cleve volgde hij zijn broer op in 1346 en bleef dit tot aan zijn kinderloos overlijden op 9 augustus 1352. Hij werd begraven in het klooster Reichenstein, in zijn heerlijkheid Montjoie.
Zijn erfenis ging over op zijn vijf zusters nl. Philippa, Maria, Beatrix, Margaretha en Elisabeth.
Doch er waren mannelijke leden van het huis Valkenburg, die eveneens aanspraak maakten op Jan's erfenis.
Op de eerste plaats Jan van Valkenburg, heer van Born, zoon van Walram de Rossige en dus oom van Jan laatste heer van Valkenburg. Verder diens neef Walram, graaf van Sponheim, zoon van Elisabeth van Valkenburg en van Simon graaf van Sponheim. Jan van Valkenburg, heer van Born, beweerde dat Valkenburg een Rijksleen zijnde, niet aan vrouwen kon overgaan. In het kort zij het volgende gezegd over de wijze waarop het Land van Valkenburg van heren veranderde in de periode 1352-1365.
De oudste zuster van de laatste heer van Valkenburg, Phillippa, werd tussen augustus en oktober 1352 met Valkenburg door de keizer beleend en huwde rond 10 oktober 1352 Hendrik van Vlaanderen, heer van Ninhoven (Minove) en van Ressen in de Overbetuwe. Om de schulden van Jan, laatste heer van Valkenburg, te delgen, leende Hendrik van Vlaanderen als man van Phillippa 21000 gouden schilden van Reinoud van Schönau. Genoemde Hendrik beloofde op 24 april 1353 een rechtsgeldige schuldbrief te verstrekken.
Op 1 mei 1353 verkocht Margaretha van Valkenburg, vrouwe van Schönecken 1/3 deel van de 'burch ind stat zu Valkinburch' waarop ze meende recht te hebben, voor 11000 gouden oude schilden aan Hendrik van Vlaanderen en Philippa van Valkenburg. Daarna stelde Hendrik van Vlaanderen, als echtgenoot van Philippa, Reinoud van Schönau op 24 november 1353 tot zijn momber o.a. voor Valkenburg aan tot aan de terugbetaling van de schuld aan deze laatste.
Hierna moet een gedeelte van Valkenburg in werkelijk bezit gekomen zijn van genoemde Reinard, want op 1 april 1354 beleent koning Karel IV genoemde Reinard met Valkenburg. Een oorkonde over een overdracht is ons niet bekend. Vervolgens verkopen Hendrik van Vlaanderen en zijn echtgenote op 20 april 1354 het door hen op 1 mei 1353 van Margaretha van Valkenburg, vrouwe van Schönecken, verkregen 1/3 van de nalatenschap van haar broer Jan van Valkenburg aan Reinier van Schönau.
Acht dagen later nl. op 28 april 1354 verkoopt Hendrik van Vlaanderen voor 35000 gulden Valkenburg, Montjoie, Butgenbach, St. Vith. Euskirchen, Heerlen, Meerssen en Eijsden, zoals Phillippa van Valkenburg bij hun huwelijk heeft aangebracht, aan Willem I, graaf van Gülik.
Hoe Valkenburg eerst aan Reinoud van Schönau en een jaar later aan de graaf van Gulik kon verkocht worden, is onduidelijk, wellicht had men de eerste keer met een verpanding te doen. In elk geval noemt Reinoud zich in 1356 nog heer van Valkenburg.
Tenslotte ruilt de graaf van Gulik op 8 september 1356 zijn heerlijkheid Kaster met Reinoud van Schönau tegen de heerlijkheid Valkenburg en Montjoie.
Op de Rijksdag te Metz verhief de Rooms koning, Karel IV, Valkenburg op 25 december 1356 tot graafschap en beleende hij Willem van Gulik.
Jan van Valkenburg, heer van Born, stierf op 3 maart 1356 en werd opgevolgd door zijn zoon Walram. Deze laatste was het niet eens met de gang van zaken en verzette zich met de wapens tegen de hertog van Gulik. Dit moet gebeurd zijn vóór april 1357, kort daarna is een wapenstilstand gesloten, want deze wordt op 25 april reeds verlengd. De partijen in deze waren Walram graaf van Sponheim en Walram van Valkenburg ter eenre en Willem graaf en sinds 25 december 1356 hertog van Gulik ter andere.
Ondanks deze wapenstilstand schijnen de vijandelijkheiden te hebben voortgeduurd.
Immers keizer Karel IV gaf op 3 april 1359 aan Wenceslaus, hertog van Brabant, en Dirk graaf van Loon, opdracht vrede te gebieden tussen de partijen.
Walram, graaf van Sponheim had op 9 november 1358 (?) zijn aanspraken op Valkenburg geformuleerd.
Op 19 april 1359 doen de scheidsmannen een uitspraak tussen de partijen, die slechts algemeenheden bevat. Walram, graaf van Sponheim komt in de latere akten betreffende deze kwestie niet meer voor.
Tevoren nl. op 4 april 1359 had keizer Karel IV de hertog van Gulik bevestigd in het bezit van Valkenburg zoals hij dit gekocht had van Reinoud van Schönau.
Walram evenals Phillippa bleven echter op hun rechten staan en op 23 december 1362 deed de keizer een uitspraak in dit geschil. Hij bepaalde dat Phillippa haar brieven, rechten en vorderingen onder bepaalde voorwaarden aan Walram zou afstaan. Deze laatste zou ingevolge deze uitspraak aan Phillippa eerstens een lijfrente van 100 oude schilden 's jaars en tweedens 400 oude schilden ineens en derdens 500 oude schilden, welke Philippa aan Catharina van Spaubeek schuldig was, moeten betalen. Verder werd aan Phillippa de verplichting opgelegd Walram bij te staan indien laatstgenoemde in oorlog raakte door deze overeenkomst. Voor het niet nakomen van de opgelegde verplichtingen stelde de keizer een boete vast van 1000 mark.
Tot een formele overgave van haar rechten door Philippa kwam het niet, immers zij protesteerde op 10 juli 1365 tegen de bewering van Walram, dat zij hem haar rechten op Valkenburg zou verkocht hebben.
Zij had wel de oude rechten en die welke haar door een uitspraak van de hertog van Gelder op 22 maart 1360 waren toegewezen bij de scheiding (van goederen?), tussen haar en haar echtgenoot Hendrik van Vlaanderen, op 11 maart 1364 aan Brabant overgedragen.
Dit geschiedde tegen een jaarlijkse lijfrente van 1200 oude schilden en een som ineens van 1500 mottoenen. Het betrof hier niet alleen rechten op Valkenburg doch ook op Montjoie, Bütgenbach, Euskirchen en St. Vith.
Wenceslaus verkreeg verder op 11 mei 1364 het aandeel van Beatrix van Valkenburg en dat van Maria van Valkenburg, abdis van St. Aldegonde in Maubeuge, en die van Dirk van Brederode, echtgenoot van eerstgenoemde en van diens zonen Reinoud, Willem en Walram.
Intussen had Willem, hertog van Gulik op 8 maart 1364 zijn aandeel in Valkenburg, nl. het huis en wat daartoe behoorde nl. Valkenburg, Oud-Valkenburg en Houthem verpand aan Walram van Valkenburg, heer van Born. Of Walram zijn verplichtingen niet nagekomen was inzake deze verpanding of dat dit om een andere reden geschiedde, op 8 november 1364 verpandde de hertog Willem van Gulik, het bovengenoemde aan de hertog Wenceslaus van Brabant, met bovendien het dorp Eijsden samen voor 51778 oude schilden.
Alleen Walram bleef zijn rechten verdedigen. Na een samenkomst van hem en hertog Wenceslaus in 1365 te Maastricht, waarbij men niet tot overeenstemming kwam, werd het geschil ter beslechting voorgelegd aan de Landvredebond tussen Maas en Rijn.
Deze bepaalde op 19 juli 1365, dat Walram de hertog in het bezit moest laten van Valkenburg en dat Walram alle belastingen enz. die hij met geweld geheven of gebeurd had zou moeten teruggeven.
Door de verkoop van zijn rechten te Heerlen op 7 december 1378 door Jan van Broekhuizen, heer van Wickrath aan hertog
Wenceslaus kwam het Land van Valkenburg geheel in het bezit van Brabant.
In navolging van Butkens (Trophées de Brabant) hebben schrijvers over Valkenburg het jaar 1381 opgegeven als tijdstip waarop Brabant in het bezit raakte van geheel Valkenburg. Butkens kan in de war gekomen zijn door een akte van 28 februari 1381 waaruit blijkt, dat Brabant kort tevoren in het bezit gekomen was van het Limburgs leen Bütgenbach, dat niets met het Land van Valkenburg te maken had. Brabant had dit laatste gekocht van de erven van Jan van Valkenburg waaronder ook Reinoud van Valkenburg, heer van Born.
Valkenburg was zijn eigen heren kwijt en voortaan voerde de hertog van Brabant bij zijn vele andere ook nog de titel van heer van het Land van Valkenburg. Het is niet bij Brabant ingelijfd, doch bleef als afzonderlijke bestuurseenheid bestaan onder door de hertog aangestelde ambtenaren, doch bestuurd door de hogere Brabantse instellingen te Brussel. De eerste Brabantse drossaard was Reinard Thoreel van Berne, die dit ambt reeds vóór 24 augustus 1364 uitoefende. * 
Na het overlijden van Hertogin Joanna op 1 december 1406, hebben de hertogen van Luxemburg pogingen gedaan om het Land van Valkenburg in handen te krijgen. Tussen 1 december 1406 en 23 november 1407 gaf de hertog Louis van Orleans, broer van de franse koning, Karel, een instructie om het Land van Valkenburg, Millen, Gangelt en Waldfeucht in bezit te nemen. De overleden hertogin Joanna had deze landen als weduwengoed bezeten, maar ze zouden rechtens aan het hertogdom Luxemburg behoord hebben.
Reeds op 3 januari 1407 heeft de gevolmachtigde van Lodewijk, hertog van Orleans aan de kastelein (drossaard) van het kasteel Valkenburg en aan de 'prelats, nobles, hommes de fief, justiciers, maieurs, echevins, bourgeois, habitants, sujets et communauté de la terre et du chateau de Fauquemont' bekend gemaakt, dat door het overlijden van Joanna hertogin van Brabant, die Valkenburg bezat bij wijze douaire, dit land weer aan de hertog van Luxemburg gekomen is. Verder, dat hij aan Gerard van Bastenaken, de proost van Durbuy, Thierry de Trinal, opgedragen had een en ander voor de hertog van Orleans in bezit te nemen. * 
Van deze inbezitneming is, zover bekend, niets gekomen. Hertog Antonius heeft in 1409 aan zijn drossaard in Valkenburg en aan Nicolaas Hoen, drossaard van Millen de volgende opdracht gegeven. Dat zij nl., wanneer de hertog vóór zijn overlijden het weduwengoed van zijn echtgenote Elisabeth hertogin van Görlitz niet op het hertogdom Luxemburg had geassigneerd, zij het Land van Valkenburg, Millen, Gangelt en Waldfeucht daarvoor tot pand moesten stellen.
In 1435 renunciëerde de hertogin van Görlitz, op de pandstelling van het Land van Valkenburg ten behoeve van hertog Philip de Goede. * 
Tenslotte zij nog vermeld, dat Jeanette de Sierck een 'Falckenburch' op 9 augustus 1451 in leen ontving voor hare kinderen van de Luitenant-gouverneur van Luxemburg.
Het is zeer te betwijfelen of met dit 'Falckenburch' ons Valkenburg bedoeld is. * 
Van welke plaats hier sprake is, zal moeilijk uit te maken zijn, gezien het groot aantal 'Falkenbergs' dat er bestaat.
Het land van 's-Hertogenrade
De heren en de overgang aan Brabant
Het graafschap Daelhem
De heren en de overgang aan Brabant
De drie landen van Overmaas onder de hertogen van Brabant
De landen van Overmaas van 1632 tot de uitvoering van het partagetractaat in 1863
De landen van Overmaas
De landen van Overmaas na het tractaat van Fontainebleau van 8 november 1785
Het einder der landen van Overmaas en de inlijving bij de Franse Republiek
Het rechterlijk en administratie bestuur vóór 1365
Het bestuur onder de Brabantse hertogen tot 1632
Archieven van de Landen van Overmaas
Supplement
Bijlage: Korte beschrijving van de aktes van het archief van de Ridderleenhof Carsfeld te Gulpen LvO 9177-9184
Inventarisnummer 9177; Akten van overdracht en verbintenis over de jaren 1570-1612
Inventarisnummer 9178; Akten van overdracht en verbintenis over de jaren 1740-1767
Inventarisnummer 9179; Minuten van overdracht en verbintenis
Inventarisnummer 9181; Rollen der civiele processen
Inventarisnummer 9182; Civiele processen
Inventarisnummer 9183; Processtukken in civiele zaken
Inventarisnummer 9184
Kenmerken
Datering:
1411-1795
Auteur:
J.M. van de Venne
Inventaris:
Inventaris van de archieven van de Landen van Overmaas, 6 delen (Maastricht z.d.)
Omvang:
221 meter - 105 charters
Opmerking:
Verscheidene archiefblokken vermeld in deze inventaris zijn overgedragen naar andere instellingen: de inv.nrs 1641-1701, 1716-1718,6001-6392, 6489-6514 berusten bij Rijckheyt, Centrum voor Regionale Geschiedenis (voormalig Gemeente archief) te Heerlen; de inv.nrs 2637-2646 zijn opgenomen in het archief van de abdij Kloosterrade; Bij deze inventaris hoort: J.M van de Venne, 'Inleiding op de archieven van de Landen van Overmaas'; Bij dit archiefblok zijn als archiefvormers de voormalige afzonderlijke archiefblokken I G 76 - I G 174 gevoegd als archiefvormers. Als afzonderlijke blokken zijn deze komen te vervallen
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS