Uw zoekacties: Gemeentelijke Bank van Lening
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
In 1546 vindt men vermelding van een lombardhouder, die met vergunning van het stadsbestuur een jaar lang een proef mocht nemen met een eigen Bank van Lening. Vervolgens is er een akte van 25 juni 1548 (archief stad Deventer, periode Middeleeuwen, ID 690, inv.nr. 304), waarin keizer Karel V aan Laureys Germain uit Piemont het recht gaf tot het houden van een bank van Lening in de stad Deventer.
In 1610 kwam het in Deventer tot oprichting van een Bank van Lening (G. Dumbar. Hedendaagsche historie of tegenwoordige staat van alle volkeren, behelzende de beschryving der Vereenigde Nederlanden en wel in 't byzonder van Overyssel, deel III, p. 171 en 187), waarvan bewaard is een staat van in 1612 bij de Bank van Lening ingebrachte voorwerpen met vermelding van de daarop verstrekte kredieten (archief stad Deventer, periode Republiek, ID 691, inv.nr. 347).
Van 1546 tot 1612 werden de lombardhouders afwisselend toegelaten en afgewezen. Een rapport van Georgh Jordens van 1735 aan het stedelijk bestuur wees op de mogelijkheid tot vervroegd aflossen aan de stad Deventer van het door haar aan de Bank van Lening geleende kapitaal. Dit in verband met de toenmalige economische malaise.
Een nieuw reglement van de Bank van Lening in Deventer werd op 7 april 1831 door de raad aangenomen en bij KB van 13 mei 1831 goedgekeurd. Het kapitaal nodig voor de oprichting der Bank en de kredieten zou de Bank lenen tegen een rente van 5%. Ingeval de fondsen geleverd worden door de besturen van weldadigheidsinstellingen, welke in de Bank deelnamen, kon in plaats van een vaste rente een dividend aan die instellingen uitgekeerd worden.
De opbrengsten van de Bank kwamen uit de interest op de uitstaande leningen alsmede uit de winsten van de verkoop der onderpanden na afloop van de vervaltermijn.
Het stedelijk bestuur besliste jaarlijks na het goedkeuren der rekening over de bestemming van het geheel of een deel van de zuivere winsten der Bank. Een batig saldo ging ofwel naar de stedelijke Armenadministratie of gestichten van Weldadigheid, ofwel bleef het bij de Bank ter versterking van het eigen vermogen.
De Bank beleende tegen een rente van 12% per jaar met een minimumrente van 1/2 cent. Bij het verstrekken van een lening werd door de lener voor administratiekosten betaald voor
Leningen van:
f 0,30 tot f 5 2 cent
f 6 tot f 25 5 cent
f 26 tot f 100 10 cent
f 101 tot f 200 15 cent
f 201 tot f 300 20 cent
f 301 tot f 400 25 cent
f 401 en meer 30 cent
Bij executoriale verkoop der onderpanden (voorwerpen) werd geen administratiekosten berekend.
De Bank van Lening in Deventer was eigendom der gemeente. Zij werd bestuurd door de Administratie van Liefdadigheid. Deze Administratie die het werk gratis deed werd voorgezeten door de burgemeester of door een door hem benoemd lid van het plaatselijk bestuur. Op voordracht van de Administratie werd door de raad de hoofdboekhouder benoemd.
Deze was met het dagelijks bestuur belast, voor het geheel verantwoordelijk en genoot een jaarwedde van 800 gulden. De tweede boekhouder ontving een jaarsalaris van 500 gulden en een werkman voor het verpakken der goederen, kreeg f 4. per week.
De administratie was eenvoudig. Er was een boek van verstrekte leningen en een boek van aflossing. Daarnaast werd door de hoofdboekhouder een kasboek bijgehouden voor bedragen die hij van de Administratie ontving of aan haar terug betaalde. Hierin boekte hij ook de sommen, die hij voor beleende panden uitgaf alsmede de aflossingen. Met dit boek kon men op elk ogenblik de staat van de kas nagaan. Verder bestond er een boek voor de onderpanden, die in een zeker kwartaal werden verkocht.
Voor het overige hield de administratie haar eigen kasboek bij. Het geld werd in een aparte kist bewaard. Voorts was deze kas voor alle ontvangsten en uitgaven die buiten de beleningen en aflossingen plaats hadden. De tweede boekhouder hield het boek van aflossingen bij. Taxatie van de waarde der onderpanden gebeurde door de boekhouder met uitzondering van kleine linnen en wollen artikelen. Aan de lener werd een briefje gegeven met daarop de aard van het onderpand en het bedrag van de lening.
Op 15 februari 1909 besloot de raad tot opheffing van de gemeentelijke Bank van Lening. Op 3 maart daarop volgend richtte het bestuur van de Bank het verzoek aan B&W de inrichting met ingang van 30 juni 1909 op te heffen, daar in die tijd van het jaar het gemis het minst werd gevoeld. Daarna werd nog 14 maanden gelegenheid gegeven de onderpanden af te lossen.
Inventaris
Kenmerken
Datering:
1826-1909 (1911)
Omvang:
1 m
Voorwaarden voor reproductie:
De voorwaarden voor reproductie bij Stadsarchief Deventer zijn van toepassing.
Opmerkingen:
Opgeheven in 1909; werkzaamheden beeindigd in 1911
Publicaties:
Oud 22, historisch overzicht op pag. 243-247
Citeerinstructie:
Bij het citeren in annotatie en verantwoording dient het archief tenminste eenmaal volledig en zonder afkortingen te worden vermeld. Daarna kan worden volstaan met verkorte aanhaling.
VOLLEDIG:
NL-DvHCO, HCO Stadsarchief Deventer, ID 0769, Gemeentelijke Bank van Lening, inv.nr. …
VERKORT:
NL-DvHCO, ID 0769, inv.nr. ….
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS