Uw zoekacties: Commissie over de stadsweiden
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
Zoektips!

Wildcards kunnen het zoeken vergemakkelijken:

  • Een ? (vraagteken) vervangt een letter
  • Een * (sterretje) vervangt een aantal letters
  • Door een $ (dollarteken) voor een zoekterm te zetten, zoekt u naar woorden die op elkaar lijken.

Meer zoektips vindt u hier.

 
 
Inleiding
Inleiding bij het archief ID 0705, Commissie over de Stadsweiden: 1837-1866 (1913)

De Commissie over de Stadsweiden werd ingesteld om een regeling te treffen voor het beheer en gebruik van de stadsweiden (of burgerweiden) in de uiterwaarden bij Deventer, waar vee werd gehouden. De Commissie gaf adviezen (‘besluiten’) aan burgemeester en wethouders en kreeg aanvragen van grootburgers voor het uitoefenen van het weiderecht. De Commissie bestond uit drie of vier weidegreven, in de loop der tijd aangevuld met andere beambten. Dat waren bijvoorbeeld de burgemeester of een secretaris.

Grootburgers en stadsweiden

In de Middeleeuwen woonden in de stad Deventer ‘ingezetenen’ en ‘burgers’. De ingezetenen mochten wel binnen de stad wonen, maar ze hadden daar verder geen rechten. De burgers hadden juist exclusieve rechten. De oudste vermelding van het Deventer burgerrecht stamt uit 1337. Toen al werden personen geregistreerd die voor de aankoop van het burgerrecht een geldbedrag betaalden en die een eed van trouw zwoeren aan de stadsregering. Deze burgers mochten onbeperkt handel drijven in de stad, ze waren vrijgesteld van de betaling van tolgeld en ze mochten (tot het jaar 1545) gebruikmaken van de stadsweiden. Het is onbekend vanaf wanneer precies dit weiderecht bestond. Toen de oudste bronnen er in het midden van de 14e eeuw melding van maakten, bestond het al. Een regeling uit 1464 reserveerde het weiderecht exclusief voor burgers.

De stadsweiden lagen stroomopwaarts, gelegen aan beide zijden van de IJssel (in de richting van Gorssel en Wilp). Het was 1545 en de stad beleefde een bloeitijd. Het burgerschap was gewild en het aantal burgers nam snel toe. Veel burgers maakten gebruik van hun recht om koeien en paarden op de stadsweiden te laten grazen. Men liet er ook wel varkens, schapen en zelfs ganzen grazen. Op die weiden werd het dan ook steeds drukker met vee, dat vaak honger leed. De stad Deventer greep in.
In december dat jaar bracht de stadsregering een onderscheid aan tussen zogenaamde ‘grootburgers’ en ‘kleinburgers’. De grootburgers (en gasthuizen, gestichten en kloosters) mochten voortaan gebruikmaken van de stadsweiden en de kleinburgers niet meer. Deze twee soorten Deventenaren stonden daarom voortaan ook bekend als respectievelijk ‘grasburgers’ en ‘halfburgers’. Het verkrijgen van de positie van grootburger was duurder dan die van kleinburger (twaalf tegen zes goudguldens). De prijs van het grootburgerschap zou alleen maar oplopen.

Een tweede verschil tussen beide soorten stedelingen ontstond in 1560, toen het Burgerweeshuis werd opgericht. Als de kinderen van grootburgers onverhoopt wees zouden worden, konden ze voortaan terecht in het Burgerweeshuis. Dit weeshuis was namelijk uitsluitend bedoeld voor wezen van grootburgers. Wezen van kleinburgers, van ingezetenen en van overleden ouders zonder band met Deventer werden gedwongen zich te wenden tot het armbestuur. Deze stedelingen konden vanaf 1679 terecht in het Kinderhuis.

Het grootburgerschap kon men in principe alleen verkrijgen als men deel uitmaakte van de Nederduitsgereformeerde kerk, de bevoorrechte kerk in de tijd van de Republiek. Het grootburgerrecht werd automatisch geërfd door in Deventer geboren wettige kinderen, van wie de vader het recht bezat. De stad kon het recht ook weggeven. Dan gold het als een secundaire arbeidsvoorwaarde voor van buiten komende functionarissen, zoals ambtenaren, organisten en hoogleraren.

Na de politieke omwenteling van 1795, in de Franse Tijd, verdween het verschil tussen inwoners met en zonder burgerrecht, omdat iedereen voortaan voor de wet gelijk was. Ook na 1795 bleef het echter mogelijk het grootburgerrecht te kopen, maar dat bestond nu alleen nog uit het weiderecht en toegang tot het Burgerweeshuis. Het grootburgerrecht kreeg later, in 1816, juist weer meer waarde, omdat grootburgers voortaan het weiderecht steeds voor één jaar mochten verpachten.
Weidegreven

Het dagelijks toezicht en de zorg voor de weiden werden in het begin, vanaf 1362, door twee schepenen uitgevoerd. Deze ‘weidegreven’ werden jaarlijks door de magistraat benoemd. Voor die tijd hadden de timmermeesters het beheer over de weiden uitgevoerd. Vanaf de vijftiende eeuw (1464) is er meer bekend over de inrichting van het beheer. Sindsdien werd het namelijk uitgeoefend door vier weidegreven, waarvan twee werden gekozen door schepenen en raad en twee door de Gezworen Gemeente (gemeenteraad). Zij beheerden alles wat de weiden aanging. Zo zorgden ze ervoor dat de weiden in optimale conditie bleven en hielden ze toezicht op het gebruik ervan. Ook stuurden ze medewerkers aan, zoals schutters en zogenaamde aandrijvers die op het veld werkten.

Bij de jaarlijkse ‘opbranding’ (brandmerken) van het vee werden de vier weidegreven bijgestaan door één of meer secretarissen, die de gelden inden. De oudste weidegraaf legde jaarlijks rekening en verantwoording af aan het stadsbestuur. Grootburgers hadden een stem in beslissingen over de stadsweiden, en schepenen en raad deden het toezicht. En als er geschillen ontstonden betreffende het gebruik van de stadsweiden, dan deden schepenen en raad tevens de rechtspraak.

Kort na de omwenteling van 1795 worden de weidegreven vervangen door Curatoren der weide. Daarna ging het beheer over naar de Commissie van Financiën (tot 1803). Die naam veranderde al snel terug naar Commissie over de Stadsweiden. Vanaf 1803 was er weer sprake van weidegreven. Zij hadden dezelfde taken als vroeger, minus het financieel beheer. Niet de Gezworen Gemeente, maar de raad koos voortaan uit grootburgers de leden van de Commissie, terwijl de beslissing over de aanspraken en de rechten van de burgers bij de raad bleef.
In een raadsbesluit van 24 mei 1852 werd een instructie vastgesteld voor de Commissie over de stadsweiden. Deze Commissie bestond uit de burgemeester, de drie weidegreven en een secretaris. De weidegreven werden door de raad gekozen uit de grootburgers, voor een periode van zes jaar. Toen in 1866 het weiden van koeien definitief werd afgeschaft en alleen nog paarden overbleven, verdwenen ook de weidegreven. De grootburgers hadden geen stem meer in zaken betreffende de stadsweiden. Het beheer kwam toen geheel bij het stadsbestuur te liggen.

Weiderecht gefixeerd

Halverwege de negentiende eeuw hielden steeds minder grootburgers vee. En rond 1837 kwam het weiderecht ter discussie te staan in Deventer. Vele motieven werden aangevoerd om de historische regeling van het weiderecht te beëindigen, zoals oneconomisch agrarisch gebruik van de grond, besmettingsgevaar bij epidemische veeziekten en een grotere opbrengst van de weiden bij verpachting in percelen. In 1861 stelde een aantal grootburgers zelfs dat de weiden het gemeenschappelijk eigendom van de grootburgers waren en vroeg de gemeenteraad om deze onderling te verdelen. Er ontstond een grote discussie na een uitnodiging van de gemeenteraad aan belangstellenden om schriftelijke voorstellen in te dienen. In deze pennenstrijd verschenen getuigschriften en vele brochures, opstellen en krantenartikelen. Het twistpunt was of de weidegronden bezit waren van de stad of van de grootburgers.
Het besluit van de gemeenteraad van 15 februari 1866 maakte aan alle discussies een eind en is nog steeds geldig. Er werd bepaald dat de weidegronden eigendom van de gemeente waren, en dat deze tot besluitvorming daarover bevoegd was. Het verkopen of weggeven van het grootburgerrecht, met het weiderecht als belangrijkste onderdeel, werd daarmee beëindigd. De grootburgers die op dat moment over het weiderecht beschikten, mochten kiezen tussen een uitkering van dertig gulden per jaar (uit de gemeentekas) of het weiden van een paard. In 1866 was dertig gulden nog een fors bedrag. Dit raadsbesluit uit 1866 kon mede tot stand komen dankzij de diplomatie en het doorzettingsvermogen van een van de grootburgers zelf, burgemeester H.R. van Marle.

Grootburgers van nu

Tegenwoordig is een Deventer inwoner grootburger als hij wettig afstamt van een van de in 1866 geregistreerde families, in Deventer is geboren en een zelfstandige huishouding voert. De grootburgers bestaan dus nog steeds en ze ontvangen nog elk jaar die dertig gulden (nu 13,61 euro). Geleidelijk daalt hun aantal echter, door sterfte maar vooral door het verhuizen van families uit de stad. Eens in de vijf jaar nodigen burgemeester en wethouders alle Deventer grootburgers uit voor een feestelijke samenkomst in het stadhuis. Zo houdt de gemeente Deventer dit historische recht, voortkomend uit een lange en rijke geschiedenis, in ere.
Bronnen

•Berkenvelder, Frans Cornelis, Stedelijk burgerrecht en burgerschap. Een verkennende inventarisatie in Deventer, Kampen en Zwolle (1302-1811) (Zwolle 2005).
•Hogenstijn, C.M., Deventer grootburgers buiten (Deventer 2010).
•Hogenstijn, C.M., Een pronk der melkerij. Twee toespraken over Deventer grootburgers en hun rechten (Deventer 2001).
•Hogenstijn, C.M., Uit de geschiedenis van het Deventer grootburgerrecht (Deventer 1984).
•Jordens, H.W., Deventer stadsweiden en burgerrechten (Zwolle 1862).
•Jordens, H.W., Stadsweiden (Deventer 1863).
•Kronenberg, H., Deventer weiderechten (Deventer 1902).
•Woelderink, B., ‘Het Deventer grootburgerrecht’, in: Gens Nostra, Maandblad der Nederlandse Genealogische Vereniging 36 (1981), nr. 4-5, p. 114-121.
•https://www.stadsarchiefdeventer.nl/wat-zijn-grootburgerskleinburgers-in-deventer
Kenmerken
Datering:
1837-1866 (1913)
Omvang:
0,10 m
Citeertitel lang:
NL-DvSA, Stadsarchief en Athenaeumbibliotheek, ID 0705, Commissie over de stadsweiden, inv.nr. ....
Voorwaarden voor reproductie:
De voorwaarden voor reproductie bij Stadsarchief Deventer zijn van toepassing.
Taal:
Nederlands
Opmerkingen:
Commissie werd ingesteld om een regeling te maken over het beheer en gebruik van de stadsweiden
Inventarisatierichtlijn:
ISAD(G): Algemene Internationale Norm voor Archivistisch Beschrijven
Citeerinstructie:
Bij het citeren in annotatie en verantwoording dient het archief tenminste eenmaal volledig en zonder afkortingen te worden vermeld. Daarna kan worden volstaan met verkorte aanhaling.
VOLLEDIG:
NL-DvHCO, HCO Stadsarchief Deventer, ID 0705, Commissie over de stadsweiden, inv.nr. …
VERKORT:
NL-DvHCO, ID 0705, inv.nr. ….
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS