Uw zoekacties: Timmermeesters
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
De schepenen en raden, die telken jare op St. Peter ad cathedram, de 22sten Februari, door de Gezworen Gemeente gekozen werden, verdeelden van oudsher 8 dagen later, op St. Petersoctaaf, onderling de verschillende door hen gedurende dat jaar uit te oefenen functien. Oorspronkelijk - althans in de 1ste helft der 15e eeuw-werden jaarlijks op dien dag 2 schepenen door de raden tot timmermeester aangewezen, aan wie het oezicht op de publieke werken was toevertrouwd en die na afloop van hun dienstjaar te zamen rekening en verantwoording aflegden ( inv. nr.1-6). In de tweede helft dier eeuw- de eerst bewaard gebleven rekening waaruit dit blijkt is die over 1480- voert ieder hunner een afzonderlijk beheer : de oudste heeft dan het toezicht op de werken binnen de stad, terwijl aan de jongste voornamelijk is opgedragen de zorg voor de hoofden en kribben in den IJssel ter beveiliging van de stadsweiden en landen. En in verband hiermede leggen beide timmermeesters sinds dien ieder eene afzonderlijke rekening af, welke 2 rekeningen enkele malen in 1 deel zijn ingeschreven ( inv. nr.7-9, 12, 13, 22).
Wanneer een nieuw omvangrijk werk zou worden ondernomen kozen schepenen en Raad naast de beide gewone functionarissen een extraordinaris timmermeester, die met het toezicht daarop be last werd en een afzonderlijke rekening en verantwoording aflegde. Toen, om een enkel voorbeeld te noemen, in 1487 besloten was tot den bouw van den grooten Noordenbergtoren werd schepen Johan Oosterhuis en later schepenen Gercelis van Aller en Johan Strubbe aangewezen om het beheer over dit werk te voeren (inv. nr.14, 15, 18, 19, 21 en 25).Soms werd de ordinaris timmermeester tevens belast met het toezicht op nieuwe werken en legde hij dan van zijn beheer als zodanig een afzonderlijke rekening over. Zoo was Gerrit van Irthe, die voor 1550 tot timmermeester was verkozen, tevens in dat jaar belast met den bouw van den vol-, water- en korenmolen voor de Bergpoort en van de kade aan de haven en werden afzonderlijke rekeningen van deze werken door hem opgemaakt (inv. nr.75a, b en c).
Ook de schepen Dirk de Quade bekleedt naast zijne functie van ordinaris in het zelfde jaar enkele malen die van extraordinaris timmermeester (inv. nr.76h, i, 77a, b, c en d).
In afwijking van den steeds gevolgden regel om voor buitengewone bouwwerken uitsluitend een afzonderlijke timmermeester aan te wijzen, werd in 1538 en 1558 - de enige voorbeelden van dien aard die mij bekend zijn- voor den herbouw van de groote brug over den IJssel en het maken van nieuwe verdedigingswerkennaast den daarmede te belasten timmermeester een commissie benoemd bestannde uit 2 schepenen en 8 gemeensmannen, uit iedere straat 1 *  . Van 1517 af verdwijnt de benaming van den jongsten timmermeester en wordt de schepen die met zijne werkzaamheden belast was voortaan hoofdmeester genoemd. Sedert is er dus slechts een timmermeester aan wien het toezicht op de gewone publieke werken is opgedragen en die tot het einde der Republiek daarmede belast is gebleven. Naast hem blijft bestaan de extraordi naris timmermeester, die telkenmale als als buitengewone werken moeten worden uitgvoerd uit schepenen wordt aangewezen. Oorspronkelijk werden dus jaarlijks op St. Petersoctaaf, na 1517 1 schepen door de raden tot timmermeester gekozen. Waar deze keur volgens vaste regelen geschiedde was het allerminst uitgesloten dat de schepen, aan de beurt om tot timmermeester te worden aangewezen, de eigenschappen miste die voor de vervulling van dat ambt zoo niet noodzakelijk dan toch wenselijk waren.
In 1553 heeft de Gezworen Gemeente in bedekte termen op dit euvel gewezen en in de vergadering van 25 februari van dat jaar voorgesteld, dat het geheele college van Schepenen en Raad iemand uit zijn midden "des verstandt hebbende" met het timmermeesterschap zou belas ten en daarnaast uit de gemeenslieden een 2den timmermeester zou aanwijzen. Slechts gedeeltelijk zijn Schepenen en Raad met dit voorstel akkoord meegegaan: alleen voor het voor het toezicht op groote nieuwe werken - de extraordinaris timme ringen-werden zij genegen bevonden een 2den timmermeester uit de Gemeente te kiezen, doch "in ordinaris getimmer" wenschten zij "bij der older gewoenten" te blijven "want een man dat waill doen kan".
Nog enkele malen hebben de gemeenslieden getracht verandering in de wijze van verkiezing van den timmermeester te verkrijgen: in de vergaderingen van 11 Februari 1558, , van 13 en 28 februari 1562 en van 4 maart 1564 hebben zij de wenschelijkheid bepleit van een algemeenen timmermeester uit den Raad of uit hun eigen midden en tevens om bij dezen keur uitsluitend te letten op bekwaamheid en niet alleen op ancienniteit zooals tot nog toe steeds geschied was. Echter tevergeefs; Schepenen en Raad waren niet voor wijziging te vinden en wenschten bij de steeds gevolgde gewoonte te blijven. Eerst in hunne gezamenlijke vergadering van 10 maart 1579 heeft het stedelijk bestuur op een herhaald aandrin gen der Gemeente er in toegestemd "dat voir dit jair oick uther Gesworen Gemeynte ein timmermeyster verordent und den timmer meyster veordent und den timmermeyster des Raedes geadiungiert werde". En reeds bij deze zelfde gelegenheid werd als zoodanig aangewezen Adriaan Kippinck, gemeensman uit de Polstraat.
Enkele jaren later- in de vergadering van 27 Maart 1583 - werd wederom een adjunct-timmermeester uit de Gemeente voor het ingetreden dienstjaar aangesteld. En toen na de inneming der stad door prins Maurits in Mei 1591 het aantal schepenen en raden van 24 tot 16 gereduceerd was, hunne werkzaamheden dien ten gevolge aanmerkelijk waren toegenomen en er daarenboven veel te herstellen en te vernieuwen viel vonden Schepenen en Raad het wenschelijk om aan den timmermeester uit hun midden een gemeensman als zoodanig toe te voegen *  .
Merkwaardig is dat enkele maanden later op eene klacht van de Gemeente besloten moest worden de arbeiders der stad aante zeggen de beide timmermeesters "ider indt syne toe respectieren" *  .
Blijkbaar werden de opdrachten van den gemeensman-timmermeester minder goed nagekomen dan die van zijn collega uit den Raad.
Met het oog op de voorgenomen uitbreiding van de fortificatiewer ken werd in Februari 1596 op voorstel van de Gemeente nogmaals een timmermeester uit haar midden aangewezen *  . Echter voor het laatst. Wel doet zij in de vergadering van 4 Januari 1605 wederom een voorstel in dien geest, doch het antwoord van Schepenen en Raad luidt dan eenvoudig dat zij "op dit pundt ten besten verdacht" zullen zijn. En toen, noch later is ooit meer sprake geweest van een tweeden timmermeester uit de Gezworen Gemeente. Zooals reeds is medegedeeldwezen van ouds de 12 raden een der schepenen tot timmermeester aan. Van 1592 af is het aantal raden tot 4 teruggebracht en berustte dus de keuze van de timmermeester bij slechts 4 personen. Hierin werd verandering gebracht op St. Petersoctaaf van het jaar 1607, toen de keur van timmermeester voor het eerst is uitgeoefend door de 4 raden en de 4 jongste schepenen uit de 8 oudste schepenen, eene regeling welke in het stadrecht van 1642 is vastgelegd en tot het einde der Republiek is blijven bestaan. In de 2de helft de 17de eeuw is de keur van timmermeester in zooverre een bloote formaliteit geworden dat hij, die het eene jaar cameraar was geweest, onveranderlijk het volgend jaar tot timmermeester verkozen werd. Waar nu de mogelijkheid niet was uitgesloten dat de cameraar bij zijn aftreden niet meer tot schepen maar tot raad werd gekozen, zou men dus in conflict kunnen komen met een voorschrift van het stadrecht. Met het oog op dergelijke gevallen hebben Schepenen en Raad den 18den Maart 1682 desniettegenstaande besloten "dat sodane afgaande camener met de timmermeesterschap henvorders gebeneficeert sal mogen worden".
De rekeningen, die de timmermeesters telkenjare over legden, werden in den beginne afgehoord ten overstaan van het geheele college van Schepenen en Raad. Eerst in de vergadering van 30 augustus 1597 waren plannen beraamd tot instelling eener rekenkamer, die de rekeningen der stadsrendanten vooraf meer nauwkeurig zou kunnen nagaan. Immers het lezen in pleno senatu leverde feitelijk geen genoegzame controle op. Het heeft echter nog enkele jaren geduurd alvorens de instelling eener rekenkamer definitief haar beslag kreeg en voor het eerst werd de rekening van den timmermeester Everhardt Traesse over 1598 in December 1602 door die kamer opgenomen. Nog gedurende de eerste jaren bleef ook de oude vorm gehandhaafd en volgde na een onderzoek door de Rekenkamer eene officieele approbatie door de vergadering van Schepenen en Raad. Voor het laatst had dit plaats in 1606 met de rekening van den timmermeester Marten Stegeman over 1601; daarna geschiedde de opneming uitsluitend door de gecommiteerden tot de Rekenkamer.
Tenslotte zij nog medegedeeld dat de ontvangsten van den timmermeester in den aanvang hoofdzakelijk bestonden uit bijdragen van den cameraar, vaak vermeederd met de opbrengst van opgelegde boeten en andere stedelijke inkomsten, en na hare oprichting in 1518 ook uit bijdragen van de Achtenkamer *  . Van 1594 af ontving de timmermeester uit de pacht van den accijns op bier een vaste som van 20 g gld per week, welk bedrag van 1740 af wegens de lagere opbrengst van den bieraccijns verminderd is. Deze vaste bijdrage uit de bierkamer hield op toen ingevolge het besluit van Schepenen en Raad dd 25 November 1757 en het concordaat van 14 December van dat jaar eene cameraarskas werd ingesteld, waarin de pachtsom van den bieraccijns in haar geheel werd gestort. Daarna blijft als vaste inkomst van den timmermeester slechts over een bedrag van 600 gld, dat hij sedert het laatst der 17e eeuw telken jare uit de Achtenkamer ontving en in 1785 voor het laatst in de rekening voorkomt.
Sindsdien bestaan de inkomsten van den timmermeester wederom als oudtijds uit ongeregelde bijdragen van de cameraar krachtens de op deze door Schepenen en Raad geslagen mandaten.
Inventaris
Kenmerken
Datering:
1414-1794
Omvang:
2 m
Voorwaarden voor reproductie:
De voorwaarden voor reproductie bij Stadsarchief Deventer zijn van toepassing.
Opmerkingen:
Zie ook ID 690 en ID 691
Citeerinstructie:
Bij het citeren in annotatie en verantwoording dient het archief tenminste eenmaal volledig en zonder afkortingen te worden vermeld. Daarna kan worden volstaan met verkorte aanhaling.
VOLLEDIG:
NL-DvHCO, HCO Stadsarchief Deventer, ID 0699, Timmermeesters, inv.nr. …
VERKORT:
NL-DvHCO, ID 0699, inv.nr. ….
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS