Uw zoekacties: Onze Lieve Vrouwegilde, Sint Annagilde, Sint Anthoniegilde v...
x2026 Onze Lieve Vrouwegilde, Sint Annagilde, Sint Anthoniegilde van Oldebroek, 1620-1802 (26 feb. 1598) ( Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

2026 Onze Lieve Vrouwegilde, Sint Annagilde, Sint Anthoniegilde van Oldebroek, 1620-1802 (26 feb. 1598) ( Streekarchivariaat Noordwest-Veluwe )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
 
 
Geschiedenis en Organisatie
Volgens Wijnaendts van Resandt *  waren er in Oldebroek slechts drie officieën (=diensten) op de altaren van divae Maria virginus (Onze Lieve Vrouwe). St. Anna en St. Anthony. Verder deelt hij mee dat de pastoor, de scholt en de kerkmeesters hiervan collator zijn. Deze gegevens heeft hij gehaald uit een brief van Oldebroek aan het Hof van Gelderland van 18 oktober 1593. Hierin wordt een opgave gedaan van alle Oldebroeker kerk- en vicariegoederen.
Tabak vermeldt in zijn inleiding bij de vorige inventarisatie van de gilde-archieven *  over gilden het volgende. De gilden zijn ontstaan doordat mensen bij testament geld of goederen nalieten aan de kerk. Als tegenprestatie voor deze schenkingen moesten missen worden gelezen voor het zieleheil van de schenker. Let wel: we praten dan nog over de 15e en 16e eeuw. Het Lieve Vrouwengilde, als grootste van de drie, had genoeg inkomsten voor het stichten en onderhouden van een eigen altaar en altaardienst in de Lambertuskerk. Aan het einde van de 16e eeuw, de Reformatie, verdwenen zulke altaren en diensten overal. De bezittingen van de gilden (of vicarieën) werden beheerd door de gildemeesters. De ontvangsten, met name uit de verpachting van landerijen, kwamen ten goede aan de predikant, de organist, de armenzorg, het onderhoud van de kerk en pastorie en de zorg voor het onderwijs.
In het archief van de Staten van het Kwartier Veluwe *  komt een beschrijving voor over de werkzaamheden van de gilden in 1598. Hierin is te lezen dat voor elk gilde uit de beste "huisluiden" twee gildemeesters worden aangesteld. Zij ontvangen geen salaris of vergoeding: het is een erefunctie. Hun taak is het verzamelen van de inkomsten uit de gildegoederen. Hiervan wordt in de eerste plaats het onderhoud aan de huizen betaald. Het overblijvende is te besteden aan de armen. Uit de belastingen, sluisgelden en thinsen werd vroeger aan twee priesters uit de gildegoederen elk ongeveer vijftig gulden betaald. Zij deden hiervoor dienst op twee altaren in de kerk.
In 1598, aldus de vermelding, worden diezelfde vijftig gulden jaarlijks aan de predikant verstrekt. Deze heeft hierdoor, naast de vaste inkomsten uit de pastoriegoederen, wat extra beloning. Verder krijgt ook de secretaris van het ambt een deel van zijn inkomsten uit de gildegoederen. De ondersteuning uit de gilde-opbrengsten voor de armen is wel aan enige voorwaarden gebonden. De arme moet binnen het ambt geboren zijn, daar wonen of-zoals het er staat-er "van ouder tot ouder geboortig zijn". Tot zover de aantekeningen van de ambtssecretaris in 1598. Overigens merkt hij nog wel op dat het ambt armlastig is en als gevolg daarvan hoopt van andere financiële verplichtingen verschoond te blijven. Hij verzoekt de staten het ambt toe te staan om de gilde-opbrengsten te mogen blijven gebruiken voor de armenzorg en extra lasten te verhalen op andere goederen.
De periode eind 16e en begin 17e eeuw betekenden een omslag in de kerkelijke omstandigheden, en als gevolg daarvan ook voor de geestelijke goederen. A.J. Maris *  vertelt in gemelde dissertatie over deze periode het volgende.
Door de komst van graaf Johan van Nassau als stadhouder van Gelderland in 1578 komt het werkelijk tot een hervorming of Reformatie. Het uitgangspunt dat de Christelijke overheid de plicht heeft de ware Christelijke religie te handhaven krijgt vaste vorm. De aanhangers van de Reformatie willen zoveel mogelijk terugkeren tot de oorspronkelijke Christelijke kerk en alle in de loop der eeuwen ingeslopen misbruiken afschaffen. De geestelijke jurisdictie wordt geschorst en alle geestelijke personen en instellingen worden omgezet in wereldlijke personen en instellingen.
In 1580 werd in het zogenaamde Discours de aanzet tot deze verandering gegeven. Gesteld wordt dat de voorouders goederen hebben geschonken met het doel de ware godsdienst bij de nakomelingen te behouden. De kerkengoederen zijn oorspronkelijk gegeven om gebruikt te worden voor instandhouding van de ware godsdienst en de rechte Christelijke religie. De geestelijken krijgen er de schuld van door misbruik van hun rechten de problemen te hebben veroorzaakt. Gesteld wordt dat van dergelijke inkomsten in eerste instantie kerken, scholen en de woningen van de predikanten moeten worden onderhouden. Is dit voldoende gebeurd, dan moeten de armen worden geholpen.
Om dit laatste te kunnen uitvoeren moeten de geestelijke goederen worden geïnventariseerd en geregistreerd. Gesteld wordt ondermeer dat de fundatiebrieven en het patronaatsrecht niet zullen vervallen. De pastorie-inkomsten van de predikant moeten worden aangevuld met andere inkomsten uit de plaatselijke vicarieën. De overheid zal mensen aanstellen om de administratie van de goederen te beheren en verantwoording van dit beheer af te leggen.
De registratie en administratie viel vanaf 1581 onder het Hof en de Rekenkamer van Gelderland. Deze taak werd pas omstreeks 1600 overgedragen aan de Staten van de Kwartieren, in dit geval het Kwartier van Veluwe (ofwel Arnhem). Het maken van een staat van de geestelijke goederen werd al in 1594 door het Kwartier ter hand genomen, en wel door de benoeming van enkele gecommitteerden. In februari 1598 werd in Oldebroek het overzicht van alle goederen opgemaakt en in 1604 werd op de Landdag gerapporteerd dat de totale staat voor het hele Kwartier van Veluwe gereed was.
Overigens kwam op 29 januari 1582 het verbod tot uitoefening van enige andere religie dan de gereformeerde.
Hiermee is aangegeven waarom de beheersstukken van de gildegoederen bij de overheid terechtkwamen en tevens de verklaring waarom deze stukken pas na 1600 voorkomen, terwijl de schenkingen aan de vicarieën al ver voor die tijd werden gedaan.
1. Verantwoording van de inventarisatie
Inventaris
Kenmerken
Datering:
1620-1802 (26 feb. 1598)
Inventaristitel:
Inventaris van de archieven van het Onze Lieve Vrouwengilde (1620-1802), Sint Annagilde (1670, 1696) en het Sint Anthoniegilde (1670-1801)
Omvang:
0,25 m
Auteur inventaris:
P. van Beek
Inventarisatiedatum:
1997
Vestiging:
Oldebroek
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS