Uw zoekacties: Armentafel, later Burgerlijk Armbestuur Schaijk, 1785 - 1964
x7730 Armentafel, later Burgerlijk Armbestuur Schaijk, 1785 - 1964 ( Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC) )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

7730 Armentafel, later Burgerlijk Armbestuur Schaijk, 1785 - 1964 ( Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC) )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
De Christelijke Kerk der eerste eeuwen rekende de zorg voor de armen tot haar speciale taak en beschikte daartoe over eigen, ambtelijke, functionarissen. In de vroege middeleeuwen verdween deze officiële armenzorg. Wat er voor in de plaats kwam, was een machtige bloei van het particulier initiatief in de vorm van weldadigheid door kloosters, gestichten en inrichtingen allerwegen en vooral de Heilige Geesttafels, genoemd naar de Goddelijke Liefde in Persoon.
Een scherpe scheiding tussen Kerk en Staat als in onze dagen kende men niet. Enerzijds subsidieerde de burgerlijke overheid, waar nodig, de kerkelijke instellingen, anderzijds wilde zij ook garanties, dat de armenzorg naar behoren plaats vond en aarzelde niet daarbij voorschriften te geven. De storm der Franse Revolutie, die in 1795 ook ons land bereikte had geen hervorming van het armwezen tot gevolg. De wetgeving van 15 juli 1800 bleef een dode letter en nieuwe pogingen werden in de Franse tijd niet meer ondernomen. De bepaling in de Grondwet van 1815, dat jaarlijks uitvoerig verslag van het armenwezen moest worden uitgebracht, kan men als een poging zien om eenheid in de armenzorg te brengen. Enige reglementering werd ingevoerd in 1818, toen werd bepaald dat de geboorteplaats als domicilie van onderstand werd aangewezen. De uitvoering van deze bepaling stelde echter teleur; ze was aanleiding tot talrijke geschillen.
De strijd rond de armenzorg ging in het midden van de vorige eeuw hoofdzakelijk over de vraag of gekozen moest worden voor overheid of kerkelijke armenzorg. De poging van Thorbecke om de door de Grondwet 1844 geëiste Armenwet in het leven te roepen mislukte, omdat zijn ministerie struikelde in 1853. Zijn opvolger Van Hall had meer succes. In 1854 deed minister Van Reenen een voorstel, dat tot wet werd aangenomen. De grondbeginselen waren:
1. de ondersteuning der armen wordt overgelaten aan de kerkelijke- en bijzondere instellingen van weldadigheid;
2. de burgerlijke armenzorg mag een arme slechts ondersteunen, wanneer hij die niet van kerkelijke- of bijzondere instellingen van weldadigheid verkrijgen kan;
3. de burgerlijke armenzorg mag slecht bij volstrekte onvermijdelijkheid ondersteunen;
4. gemeentelijke subsidie aan instellingen van weldadigheid moet tot een minimum beperkt blijven;
5. de kerkelijke particuliere instellingen van weldadigheid behouden hun absolute zelfstandigheid.
De gemeenteraad diende elk jaar het maximale onderstandsbedrag vast te stellen, dat door overheids- of gemengde instellingen verstrekt mocht worden.
De geboorteplaats van de arme bleef het domicilie van onderstand. Tot 1870 is dit zo gebleven. In dat jaar veranderde de geboorteplaats in woonplaats. Men zag ondersteuning van overheidswege voornamelijk als politiezorg, als middel om de openbare orde te kunnen handhaven. Kort voor en na de eeuwwisseling kwamen tal van sociale wetten tot stand. In 1910 diende minister Heemskerk een ontwerp tot regeling van het armwezen in. Dit ontwerp werd als Armenwet 1912 aangenomen. Het hoofdbeginsel van de wet van 1854 bleef behouden: armenzorg was in de eerste plaats een zaak voor kerkelijke en bijzondere armbesturen. Ook de vier verschillende categorieën van weldadigheidsinstellingen bleven gehandhaafd:
a. overheidsinstellingen;
b. kerkelijke instellingen;
c. bijzondere niet-kerkelijke instellingen;
d. instellingen van gemengde aard.
Een nauwere samenwerking tussen de genoemde instellingen van weldadigheid trachtte men te bereiken door de mogelijkheid te scheppen tot oprichting van een armenraad en een inlichtingendienst. Steun moest worden verstrekt in een zodanige vorm en mate als met het oog op de behoeften en persoonlijke eigenschappen en in verband met de omstandigheden gewenst was, maar mocht de grens van het voor het levensonderhoud noodzakelijke niet overschrijden.
Behoudens een wijziging in 1929 bleef de Armenwet gehandhaafd tot 1965, waarna zij werd vervangen door de Algemene Bijstandswet. De inwerkingtreding van deze nieuwe wet betekende de opheffing van de Burgerlijke Armbesturen.
Inventaris
Kenmerken
Vindplaats origineel:
Locatie Den Bosch
Openbaarheid:
Deze toegang bevat een of meer stukken die tot 1 januari 2040 niet zonder meer openbaar zijn.
Het precieze jaar van openbaarheid kun je per inventarisnummer vinden.

Bij vragen kun je contact opnemen met het BHIC.
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS