Uw zoekacties: Burgerlijk Armbestuur Mill en St. Hubert
x1874 Burgerlijk Armbestuur Mill en St. Hubert ( Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC) )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

1874 Burgerlijk Armbestuur Mill en St. Hubert ( Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC) )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
Algemeen

Het K.B. nr. 20, van 31 december 1814 stelde de algemene armbesturen in m.i.v. 1 februari 1815.
Genoemd K.B. gaf tevens inrichting en taak van het armbestuur aan. In gemeenten ten platte lande diende het bestuur te bestaan uit drie armmeesters, te kiezen uit de "geschiktste en braafste ingezetenen", en uit de verschillende gezindheden, daar aanwezig. Benoeming diende te geschieden door het plaatselijk bestuur "binnen acht dagen na ontvangst van dit besluit". De armmeesters bleven drie jaar in functie. Jaarlijks trad er één af, die na verloop van twee jaar weer herkiesbaar werd.

Taken

Het algemeen armbestuur had tot taak de aan haar zorgen toevertrouwde armen, ouden van dagen, zieken en gebrekkigen te bedelen. Verder diende het te zorgen voor een goed beheer van de gelden en goederen, toebehorende aan het armenfonds. Echter met de zorg voor de verpleging van behoeftige krankzinnigen werd het gemeentebestuur zelf belast.

Wet- en regelgeving

De plaatselijke reglementen werden gewijzigd naargelang de wetgeving betreffende de armenzorg veranderde. Deze brachten overigens voor de inrichting en de werkwijze van het armbestuur geen veranderingen. De armenwet van 1912 zorgde er wel voor dat de naam algemeen armbestuur m.i.v. 1913 in burgerlijk armbestuur wijzigde.

Bronnen:

-Wet van 28 november 1813, staatsblad 40, houdende bepalingen tot aanwijzing der plaats, waar de behoeftigen in de algemene onderstand kunnen delen;
-armenwet van 28 juni 1854, staatsblad 100;
-wet van 1 juni 1870, staatsblad 85, houdende wijziging van de wet van 28 juni 1854 tot regeling van het armbestuur.
-Armenwet van 27 april 1912, staatsblad 165.
Plaatselijke toestand

Gezien het voorgaande mag aangenomen worden dat het armbestuur in Mill is opgericht in 1815.
Het archiefje van het plaatselijk armbestuur is hieronder beschreven. Niets alles is bewaard gebleven. Van de begintijd zijn geen stukken en notulen bewaard gebleven en ook in later tijd bestaan hyaten.
Het armbestuur was in bezit van enkele onroerende goederen die werden verpacht.
De heemkundekring Myllesheem is nog in bezit van een aantekenboekje aangelegd in 1836 door armmeester J. Verstraaten.(bron: Van Mil tot Mill 1800-1900 deel 1, door G. v. Hout)
Armenzorg in de 19e eeuw

De bepaling in de Grondwet van 1815, dat jaarlijks uitvoerig verslag van het armenwezen moest worden uitgebracht, kan men als een poging zien om eenheid in de armenzorg te brengen. Enige reglementering werd ingevoerd in 1818, toen werd bepaald dat de geboorteplaats als domicilie van onderstand werd aangewezen. De uitvoering van deze bepaling stelde echter teleur; ze was aanleiding tot talrijke geschillen.
De strijd rond de armenzorg ging in het midden van de vorige eeuw hoofdzakelijk over de vraag of gekozen moest worden voor overheid of kerkelijke armenzorg. De poging van Thorbecke om de door de Grondwet 1844 geëiste Armenwet in het leven te roepen mislukte, omdat zijn ministerie struikelde in 1853. Zijn opvolger Van Hall had meer succes. In 1854 deed minister Van Reenen een voorstel, dat tot wet werd aangenomen. De grondbeginselen waren:
1. de ondersteuning der armen wordt overgelaten aan de kerkelijke- en bijzondere instellingen van weldadigheid;
2. de burgerlijke armenzorg mag een arme slechts ondersteunen, wanneer hij die niet van kerkelijke- of bijzondere instellingen van weldadigheid verkrijgen kan;
3. de burgerlijke armenzorg mag slecht bij volstrekte onvermijdelijkheid ondersteunen;
4. gemeentelijke subsidie aan instellingen van weldadigheid moet tot een minimum beperkt blijven;
5. de kerkelijke particuliere instellingen van weldadigheid behouden hun absolute zelfstandigheid.
De gemeenteraad diende elk jaar het maximale onderstandsbedrag vast te stellen, dat door overheids- of gemengde instellingen verstrekt mocht worden.
De geboorteplaats van de arme bleef het domicilie van onderstand. Tot 1870 is dit zo gebleven. In dat jaar veranderde de geboorteplaats in woonplaats. Men zag ondersteuning van overheidswege voornamelijk als politiezorg, als middel om de openbare orde te kunnen handhaven. Kort voor en na de eeuwwisseling kwamen tal van sociale wetten tot stand.
Armenzorg tot 1965

In 1910 diende minister Heemskerk een ontwerp tot regeling van het armwezen in. Dit ontwerp werd als Armenwet 1912 aangenomen. Het hoofdbeginsel van de wet van 1854 bleef behouden: armenzorg was in de eerste plaats een zaak voor kerkelijke en bijzondere armbesturen. Ook de vier verschillende categorieën van weldadigheidsinstellingen bleven gehandhaafd:
a. overheidsinstellingen;
b. kerkelijke instellingen;
c. bijzondere niet-kerkelijke instellingen;
d. instellingen van gemengde aard.
Een nauwere samenwerking tussen de genoemde instellingen van weldadigheid trachtte men te bereiken door de mogelijkheid te scheppen tot oprichting van een armenraad en een inlichtingendienst. Steun moest worden verstrekt in een zodanige vorm en mate als met het oog op de behoeften en persoonlijke eigenschappen en in verband met de omstandigheden gewenst was, maar mocht de grens van het voor het levensonderhoud noodzakelijke niet overschrijden.
Behoudens een wijziging in 1929 bleef de Armenwet gehandhaafd tot 1965, waarna zij werd vervangen door de Algemene Bijstandswet. De inwerkingtreding van deze nieuwe wet betekende de opheffing van de Burgerlijke Armbesturen.
Inventaris
Algemeen
Financien
Beheer
Kenmerken
Datering:
1823-1966
Vindplaats origineel:
Locatie Den Bosch
Openbaarheid:
Deze toegang bevat een of meer stukken die tot 1 januari 2047 niet zonder meer openbaar zijn.
Het precieze jaar van openbaarheid kun je per inventarisnummer vinden.

Bij vragen kun je contact opnemen met het BHIC.
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS