Uw zoekacties: Vereniging Rotterdamse Diergaarde
x21 Vereniging Rotterdamse Diergaarde ( Stadsarchief Rotterdam )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

21 Vereniging Rotterdamse Diergaarde ( Stadsarchief Rotterdam )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
Zoektips!

Wildcards kunnen het zoeken vergemakkelijken:

  • Een ? (vraagteken) vervangt een letter
  • Een * (sterretje) vervangt een aantal letters
  • Door een $ (dollarteken) voor een zoekterm te zetten, zoekt u naar woorden die op elkaar lijken.

Meer zoektips vindt u hier.

 
 
Inventaris
1. Inleiding
Inleiding Nieuw
sluiten
21 Vereniging Rotterdamse Diergaarde
Inleiding Nieuw
Organisatie: Stadsarchief Rotterdam
In het jaar 1854 waren enige liefhebbers van vogels begonnen in de tuin van de Hollandsche Spoorweg enkele schone exemplaren bijeen te brengen, aldus lezen wij in het jaarverslag van de Vereeniging Rotterdamsche Diergaarde over 1857. De verzameling breidde zich voortdurend uit en werd tenslotte met enige viervoetige dieren vermeerderd. Tegen een jaarlijkse bijdrage ad f 10,- kon men de menagerie bezichtigen, die beheerd werd door de heren G. M. H. van den Bergh en F. van der Valk. Over de oorsprong van deze tuin, in de wandeling het Spoortuintje genoemd, kan men lezen in een circulaire van januari 1854, door bovengenoemde heren opgesteld, waarin zij de redenen uiteenzetten om tot oprichting te komen van een "Genootschap geheel aan de Natuur gewijd". Zij werden hierbij gesteund door Prof. Th. G. van Lidth de Jeude te Utrecht *  , die een veel grootser plan aan de orde stelde, nl. de oprichting van een Zoölogische Sociëteit met een dierentuin en museum te Rotterdam. Zover is het echter niet gekomen, want in zijn schrijven van 20 april 1854 *  . beklaagde hij zich ernstig over de Rotterdammers: "want zéér genereus zijn de meeste Rotterdammers niet; men werkt er al te veel op tijd, behalve in handelszaken; die worden er moedig, snel en krachtig afgedaan. Vandaar de bloei van Rotterdam als handelsstad!" Het bleef dus bij het Spoortuintje, dat echter spoedig moest worden uitgebreid door het huren van een aangrenzende tuin met koepel.
In dat zelfde jaar, 1856, sloot de stationschef S. J. Roosdorp zich bij beide genoemde heren aan, later gevolgd door de heer J. M. Scheffer. De koepel werd tot sociëteit ingericht volgens de wens van de betalende bezoekers, wier aantal reeds 4 a 500 bedroeg. Ook werd het langzamerhand tijd dat de zaak op betere grondslagen werd gevestigd. Een drietal notabelen verenigde zich, nl. de heren J. van der Hoop Jac. zn., H. van Rijckevorsel en Joost van Vollenhoven, om te trachten een commissie te vormen uit belangstellende ingezetenen en te beproeven het nodige kapitaal bijeen te brengen. Het daartoe ontworpen plan bestond hoofdzakelijk uit de stichting van een dierentuin op grotere schaal in de naaste omgeving van het station der Hollandsche Spoorweg, de opneming hierin van het bestaande Spoortuintje en de vorming van een kapitaal van minstens f 200.000,-. En zo zien wij dan op vrijdag 21 november 1856 des middags om 1 uur ten kantore van de heer Van Rijckevorsel een twaalftal heren verschijnen, te weten J. van der Hoop Jac. zn., H. van Rijckevorsel, Joost van Vollenhoven, Mr. N.J.A.C.A. Hoffmann, A. R. Dunlop, James Smith, C. Schadee, P.H. Martin, J. de Bruyn, S.B. Criellaert, H.J. Hoogeweegen en J. van Hoboken van Cortgene.
De beraamde plannen werden goedgekeurd en verdere bijeenkomsten hadden plaats. Na vele besprekingen, waarbij het aantal leden der Commissie tot oprichting van een dierentuin zich intussen had uitgebreid tot een en twintig, werd het plan voor een renteloze geldlening groot f 300.000,- vastgesteld, te plaatsen in aandelen van f 1000,-,f 500,- en f 250,-. De inschrijvers van een of meer aandelen zouden rechtens lid zijn der vereniging en vrijgesteld worden van betaling der entreegelden. De inschrijvers van aandelen van f 1000,- of van f 500,- zouden, mits bezitters blijvende van hun aandeel, geen jaarlijkse contributie betalen, terwijl die van f 250,- een jaarlijkse vermindering van f 10,- der contributie zouden genieten. De jaarlijkse contributie werd vastgesteld op f 25,- en de entree op f 10,-. Op 6 januari 1857 werden de lijsten van inschrijving aan de ingezetenen van Rotterdam aangeboden en het resultaat overtrof de verwachtingen, want weldra was het gehele benodigde kapitaal bijeen.
Intussen had de Commissie niet stilgezeten en terreinen aangekocht tussen de Kruiskade en de Hollandsche Spoorweg voor f 77.000,- bestaande uit negen bunders drie en dertig roeden weiland. Sommige eigenaren stelden eigenaardige voorwaarden, alvorens tot verkoop over te gaan, b.v. de heer Schadee, die bepaalde dat er aan de Kruiskade een in- en uitgang voor leden moest worden gemaakt en dat een strook grond voor zijn woonhuis gelegen, naar zijn goedvinden beplant zou worden, om te voorkomen, dat hem het gezicht in de Diergaarde na enige tijd ontnomen zou worden. *  Op 27 maart 1857 werd de eerste vergadering van aandeelhouders gehouden in de zaal van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen, onder voorzitterschap van J. van der Hoop Jac. zn., welke bijgewoond werd door 220 aandeelhouders. De statuten werden vastgesteld en bij Koninklijk Besluit van 15 september daaraanvolgende goedgekeurd. Voorts werd bepaald dat het bestuur uit vijf en twintig leden zou bestaan. Daarop werd de voorlopige Commissie ontbonden, waarvan de leden met uitzondering van Joost van Vollenhoven, door vele bezigheden verhinderd, in het nieuwe bestuur werd gekozen.
De namen van de eerste vijf en twintig bestuursleden mogen niet onvermeld blijven, het waren de heren M. Breukelman, Mr. J.G. de Bruyn, A.W. van Dam, A.R. Dunlop, H.J. de Haas, W.J. Hoffmann, Mr. N.J. Hoffmann, J.H. Hoogeweegen, J. van der Hoop Jac. zn., F. s'Jacob, Jos. Jacobson, J. de Kuyper, P.H. Martin, J.R. Mees, J.A. Pluygers, S.J. Roosdorp, H. van Rijckevorsel, W. Ruys J. Dzn., Cornelis Schadee, E.C.J. van Schelle, James Smith, H. Veder, W. J. Verbrugge, A. Vlierboom en J.J. van Witsen. De eerste taak was een zo goed mogelijke administratie en directie in het leven te roepen. Tot voorzitter werd J. van der Hoop Jac. zn. benoemd, tot tweede voorzitter H. van Rijckevorsel, tot secretaris Mr. N. J. Hoffmann en tot thesaurier A. R. Dunlop.
Tot directeur werd benoemd het bestuurslid P. H. Martin, met de titel van commissaris-directeur en zonder salaris. Het bestuur verdeelde zich in vier sub-commissiën en wel één voor de dieren, één voor de gebouwen, één voor de tuin en één voor de sociëteit, die ieder in de aan haar zorg toevertrouwde afdeling plannen ontwierp en ter beoordeling aan het gehele bestuur aanbood. Het geldelijke beheer werd aan een hoofdbestuur opgedragen. Aan de directie werden de drie medeëigenaren van het Spoortuintje toegevoegd en als hoofdambtenaren aangesteld.
Nadat de eerste moeilijkheden waren overwonnen (de vele plannen van verandering en bebouwing moesten worden medegedeeld aan het Gemeentebestuur, het Hoogheemraadschap van Schieland, het polderbestuur van Cool en de Raad van administratie van de Hollandsche Spoorwegmaatschappij) kon worden overgegaan tot de aanleg van het terrein. Op 18 mei 1857 werd de eerste spade in de grond gestoken en de aanleg toevertrouwd aan de bekende tuinarchitecten Zocher te Haarlem, die reeds in 1852 ontwerpen hadden vervaardigd voor een dierentuin. De volgende stap was het gereed maken van de meest noodzakelijke gebouwen, zoals een loods, een directeurswoning, een winterverblijf voor dieren, een apen-huis en een sociëteitsgebouw. De ontwerpen hiervoor werden uitgevoerd door de architecten A. W. van Dam en H. J. de Haas, eveneens bestuursleden. Op 13 juni 1857 werd tot aanbesteding van de eerste drie gebouwen overgegaan en op 21 september van dat jaar werd de eerste steen gelegd voor de directeurswoning door Marie Henriëtte Martin, de jongste dochter van de directeur. Voor de winter waren alle gebouwen gereed en in gebruik genomen, met uitzondering van de sociëteit en het apengebouw, welke niet werden gegund wegens overschrijding van het budget. Voor de aanbesteding van de sociëteit werd een prijsvraag uitgeschreven, terwijl het apenhuis later alsnog gegund werd na het aanbrengen van enige wijzigingen.
Aan het einde van het verslagjaar werd de balans opgemaakt en toen bleek dat de diergaarde door 12.258 personen was bezocht. De collectie bestond uit tachtig viervoetige dieren, negen en twintig apen, honderdnegentig vogels en een en dertig amphibiën. Het aantal leden bedroeg 1073, waarvan 635 aandeelhouders. De exploitatierekening sloot met een nadelig saldo van f 1750,- hetgeen niet verontrustend was. Aan het einde van het verslag werd de volgende wens uitgesproken: "dat de Diergaarde door de krachtige medewerking van hare leden moge worden hetgeen zij belooft te zijn, eene der schoonste inrigtingen van dien aard in Europa." En ik geloof wel dat wij na meer dan honderd jaren kunnen zeggen dat deze wens volledig in vervulling is gegaan.
De jaren 1858 en later werden voornamelijk gebruikt tot verdere verfraaiing van de tuin en het maken van verschillende gebouwen en kooien. Wie hierover meer wil weten leze de jaarverslagen en niet te vergeten de jaarberichten van de Diergaarde *  , waar zeer veel wetenswaardigs in staat op allerlei gebied, zoals uitvoerige lijsten van geschenken, ereleden, leden van verdienste, ect.
In 1859 ontving de Diergaarde een schitterende verzameling schelpen uit de Molukken, omvattende niet minder dan 8000 exemplaren (waaronder de uiterst zeldzame Conus gloria maris en Pleurotomaria rumphii) ten geschenke van een zeventiental heren uit Nederlandsch Indië, bijna allen uit Rotterdam afkomstig. Deze collectie kwam na de opheffing van de Vereeniging aan het Natuurhistorisch Museum te Rotterdam, waar zij zich nu nog bevindt en de basis vormt van de huidige collectie tropische schelpen. Sindsdien ontving de Diergaarde regelmatig voorwerpen van biologische en ook ethnografische aard. Bij gebrek aan een eigen museum werden deze voorwerpen later in de bovenzaal van de sociëteit tentoongesteld. Ook bezat de Diergaarde een kostbare bibliotheek, welke in 1876 ontstond door overname van de privé-biliotheek van directeur Van Bemmelen. In verband met de toenemende groei werd in de bestuursvergadering van 13 januari 1877 een sub-commissie ingesteld voor de bibliotheek, die in 1881 ook de museum-zaken in beheer kreeg.
In 1863 onderging de oppervlakte van de dierentuin een aanzienlijke uitbreiding door o.a. de toevoeging van een weiland tussen de Kruiskade en de Hollandsche Spoorweg. Door beplanting was het nu mogelijk de tuin te beschutten tegen westelijke winden. De uitvoering hiervan werd wederom opgedragen aan de heren Zocher, die deze nieuwe aanleg, sedertdien bekend onder de naam van Nieuwe Tuin, voor f 15.000,- aannamen.
Het jaar 1866 was een slecht jaar voor de Diergaarde. De cholera woedde in de stad en de veepest in de tuin, waardoor het bezoek gering en de sterfte onder de dieren groot was. Tot overmaat van ramp ontstond aan het einde van het jaar een ernstig verschil van mening met directeur Martin over de entreegelden en over het punt wat administratie en directie was. Het liep zo hoog, dat Martin ontslag nam als directeur, hetgeen hem op 13 october 1866 eervol verleend werd. Hij bleef echter bestuurslid tot zijn dood in 1882. De voorlopige directie werd opgedragen aan de heren Scheffer en Van den Bergh. Op 29 december werd tot directeur benoemd A. A. van Bemmelen, 1e assistent aan het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie te Leiden. De grote concurrent van Van Bemmelen was Scheffer, die over vrij veel aanhang beschikte, hetgeen bleek uit de stemmenverhouding bij de benoeming n.l. 12 tegen 11 stemmen. Dadelijk na de benoeming van Van Bemmelen legden secretaris en thesaurier hun functies neer, Scheffer en Van den Bergh namen ontslag. Een buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders moest er aan te pas komen om de gemoederen tot bedaren te brengen. Van den Bergh is later op zijn besluit terug gekomen en weer in dienst van de Diergaarde getreden.
Onder de nieuwe directeur is de mouflonrots tot stand gekomen, terwijl in deze tijd ook de later zo bekende reigerkolonie zich in de Diergaarde vestigde. Ook werd het idee gelanceerd om een lening te sluiten, groot f 150.000,-, teneinde een groot centraal gebouw te stichten, bevattende een vogelgalerij, plantenserres, museumzalen, aquaria, bibliotheek, sociëteit en wintertuin. Het bestuur ontleende dit idee aan buitenlandse dierentuinen, zoals b.v. te Brussel. Men viel natuurlijk weer over de onkosten en, weinig cultureel als de Rotterdammers nu eenmaal zijn, werd dit prachtige plan van het bestuur verworpen met 96 tegen 40 stemmen. Trouwens ook op ander gebied betrachtte men een merkwaardige zuinigheid: een jonge olifant die reeds enige tijd door een verregaande kwaadheid werd gekenmerkt en bovendien een kromme achterpoot had gekregen, werd, in overleg met de schenkers Vlierboom, voor f 4200,- naar Amerika verkocht en kon aldaar aangekomen practisch niet meer lopen. Voor het ontvangen bedrag werd het in moorse stijl gebouwde kamelenhuis opgericht! Het Jaarbericht wijdt wel een halve pagina aan loftuitingen over deze geslaagde ruil *  .
Na de tragische dood van de directeur (hij stierf aan een hartaanval na een ernstig meningsverschil met een ondergeschikte) *  kwam aan het bewind de bekende Dr. J. Büttikofer, Zwitser van geboorte. Hij is o.a. assistent geweest bij de directeur van het Leidse Zoölogische Museum, de welbekende Schlegel. Hij maakte vele reizen o.a. naar Liberia en Borneo. In 1897 werd hij tot directeur van de Rotterdamsche Diergaarde benoemd en met hem is de tuin tot grote bloei gekomen; zo kwam o.a. de beroemde zeeleeuwenrots tot stand. In 1924 werd hij opgevolgd door Dr. K. Kuiper, die na de ontbinding van de vereniging in 1938 in dienst trad van de stichting en aldaar tot 1947 de directie heeft gevoerd. Kuiper had een moeilijke taak, enerzijds als opvolger van een beroemde directeur met wien men ongemerkt wordt vergeleken, anderzijds omdat de beste tijd voorbij was en vooral in de jaren dertig van een ernstige neergang kon worden gesproken. Talloze stadgenoten werden door de crisis gedwongen hun lidmaatschap op te zeggen. De onkosten stegen terwijl de inkomsten daalden. In 1931 was het aantal leden gehalveerd en werd er niet meer dan f 112.923,30 aan contributies geïnd. Er moest iets gebeuren, wilde men niet voor een algeheel debacle komen te staan. In 1932 werd een commissie ingesteld om de financiën op een beter peil te brengen, maar veel succes had deze niet. Enige jaren later verscheen een nieuwe Commissie van Advies, die radicaler ingreep en besloot tot verplaatsing en modernisering van de Diergaarde. De heren Blom c.s. kwamen tot de conclusie: verplaatsing of verdwijning. Dit voorstel was een grote schok voor leden en bestuur en tenslotte werden de leden op de vergadering van 7 januari 1938 over de plannen ingelicht.
Er kon medewerking worden verkregen van het Gemeentebestuur van Rotterdam en de Stichting "Bevordering van Volkskracht", waarbij het Gemeentebestuur een terrein beschikbaar zou stellen, gelegen in Blij dorp, en ongeveer even groot als het huidige. Van die grond zou 2/3 deel in eigendom worden verkregen, terwijl het overige gedeelte zou worden gegeven tegen een jaarlijkse vergoeding van f 1,-. Een deel van het oude diergaardeterrein zou dan gratis aan de gemeente worden gegeven voor de aanleg van wegen. Voor de herbouw van de nieuwe diergaarde, benevens de afwikkeling van de schulden zou een overeenkomst worden aangegaan met Volkskracht. Deze overeenkomst zou bevatten de oprichting van een "Stichting Rotterdamsche Diergaarde" die met medewerking van Volkskracht zo spoedig mogelijk zal worden opgericht en geheel in de plaats zal treden van de Vereeniging Rotterdamsche Diergaarde, die dan ontbonden zal worden. Het kwam er dus op neer dat de Vereeniging afstand zou moeten doen van al haar bezittingen ten behoeve van de Stichting. De vergaderingen die volgden waren moeilijk, maar er was geen keus. Derhalve besloot de Vereeniging te liquideren overeenkomstig het besluit van de algemene ledenvergadering van 17 januari 1938. Het bestaande bestuur werd vervangen door een liquidatiecommissie van vier leden, t.w. de heren E. J. Aalders, G. R. Castendijk, Dr. C. M. Kleipool en Th. A.W. Ruys. Op 1 mei 1939 werd de slotvergadering gehouden. De liquidatie vergde verscheidene jaren.
Tot de jaren dertig was de Diergaarde een centrum van gezelligheid, waar de Rotterdamse Society elkaar placht te ontmoeten. Hiertoe werd veel bijgedragen door de vele concerten die in de tuin werden gegeven, o.a. door de bekende kapelmeester W. Hutschenruyter. Het sociëteitsgebouw onderging in de loop der jaren vele verbouwingen. Een ander evenement waren de najaarsfeesten in de Diergaarde, die ook veel mensen trokken. Tot zover in het kort de geschiedenis van de oude Diergaarde. Degene die er zich meer in wil verdiepen moge ik verwijzen naar het overzichtelijke boekje van de heer J. M. Pattist. *  Het is een gelukkige omstandigheid dat het diergaarde-archief voor een groot gedeelte bewaard is gebleven. Immers tijdens de verhuizing brak de oorlog uit en gedurende het bombardement van 14 mei 1940 gingen vele gebouwen in vlammen op, waaronder ook het administratiegebouw. De gehele inhoud ging verloren, inclusief de kostbare bibliotheek, doch de kluis hield het en zodoende bleef het hoofdbestanddeel van het archief bewaard, zoals notulen, jaarverslagen en financiële stukken. Kortom al hetgeen wat hierna beschreven is.
Door het verloren gaan van de lopende administratie bleef er van de gehele correspondentie van 1857 tot 1938 slechts zo weinig over, dat met één pak stukken volstaan kon worden. Het archief bestaat uit het eigenlijke verenigingsarchief, gedeponeerde archieven en bijlagen, welke laatste de namen bevatten van bestuursleden, voorzitters, secretarissen en directeuren. Tot de gedeponeerde archieven behoort o.a. het archief van de Commissie belast met de ontvangst der kinderen van de Wees-, Diaconie- en Armenscholen. Deze Commissie was ontstaan uit een plan van de heer Martin, die in 1857, toen de Diergaarde pas kort was opgericht, voorstelde om na afloop van de kermis in augustus de verpleegden in de verschillende Gestichten van Liefdadigheid en de kinderen der Wees-, Diaconie- en Armenscholen uit te nodigen om de Diergaarde te komen bezichtigen. Het plan viel in goede aarde bij het bestuur en om hun bezoek te veraangenamen zouden de kinderen op bier en wafelen onthaald worden; vandaar de benaming Wafelcommissie die al spoedig zijn intrede deed. Het reeds genoemde Jaarbericht 1868-1869 weidt op p. 217/221 uitvoerig over deze aangelegenheid uit en onlangs verscheen er een artikel over deze jaarlijkse ontvangsten in Blijdorp-Geluiden van de hand van Mr. M.C. Bloemers. * 
Tenslotte is er nog het Aquarium Comité, waarvan de meeste stukken op 25 augustus 1919 door de heer Joh. F. Snelleman aan de Diergaarde werden geschonken. De heer Snelleman wilde tot oprichting komen van een aquariumgebouw zoals te Amsterdam en had daartoe in 1879 een Comité in het leven geroepen waarin ook enige bestuursleden van de Diergaarde zitting hadden. Er ontstonden echter meningsverschillen en de plannen tot oprichting vonden een ontijdig einde. Ook later is vele malen gesproken over het bouwen van een aquarium, tot aan de huidige dag toe, maar nimmer werd er een plan verwezenlijkt. Binnenkort zal men dus het eeuwfeest kunnen vieren van het maken van plannen hiervoor. Het is wel bedroevend dat de eerste havenstad ter wereld op dit punt te kort is geschoten. Maar wat wil men, wetenschap is geen handelszaak.
Het jaar 1938 betekende het einde van de Vereeniging Rotterdamsche Diergaarde, maar niet het einde van de Diergaarde zelf die in 1957 haar honderdjarig bestaan zou vieren en het predikaat "Koninklijke" zou verwerven.
2. Inventaris
Kenmerken
Datering:
1854-1943
Openbaarheid:
Het gehele archief is zonder beperkingen voor ieder ter inzage.
Omvang:
3.2 meter
Rubrieken:
Trefwoorden:
Categorie:
  • Zonder categorie
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS