Uw zoekacties: Gemeente Beerta, (1805) 1808-1989
x1 Gemeente Beerta, (1805) 1808-1989 ( Cultuurhistorisch Centrum Oldambt )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

1 Gemeente Beerta, (1805) 1808-1989 ( Cultuurhistorisch Centrum Oldambt )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
Zoektips!

Wildcards kunnen het zoeken vergemakkelijken:

  • Een ? (vraagteken) vervangt een letter
  • Een * (sterretje) vervangt een aantal letters
  • Door een $ (dollarteken) voor een zoekterm te zetten, zoekt u naar woorden die op elkaar lijken.

Meer zoektips vindt u hier.

 
 
Inventaris
1. Inleiding
1.1. Geschiedenis van de gemeente Beerta
1.1.1. Periode
1.1.2. Periode
1.1.3. Periode
1.1.4. Periode
1.1.5. Periode
1 Gemeente Beerta, (1805) 1808-1989
1. Inleiding
1.1. Geschiedenis van de gemeente Beerta
1.1.5. Periode
Datering:
1900-1990
De gemeente Beerta, bestaande uit Beerta, Nieuw-Beerta, Drieborg, Oude Zijl, Nieuw Statenzijl, Oude Dijk, alsmede de Kroonpolder, Stadspolder, een deel van de Reiderwolderpolder en de Carel Coenraadpolder, was bij uitstek een landbouwgebied, waar voor het merendeel granen werden verbouwd.
Tot ± 1890 werkten de meeste arbeiders bij een vaste boer. Maar door de mechanisatie van de landbouwbedrijven kwam hierin verandering.
In het gemeentelijk jaarverslag van 1895 werd vermeld dat door de werkloosheid de toestand der behoeftigen meer en meer zorg baarde. Met name voor diegenen, die geen vaste boer hadden, was in het voorjaar bijna geen werk te vinden.
Om in hun bestaan te kunnen voorzien, moest men ander werk zien te vinden, bijvoorbeeld als polderwerker, kanaalgraver, veen- of fabrieksarbeider.
Mocht dat niet lukken, dan was men aangewezen op de werkverschaffing of op ondersteuning door het Burgerlijk (= gemeentelijk) Armbestuur.
Hierdoor ontstond langzamerhand een grote tegenstelling tussen de leefomstandigheden van de boeren en de arbeiders en dit vormde een gunstige voedingsbodem voor de opkomst van het socialisme en van het communisme.
In 1881 werd de Sociaal-Democratische Bond (SDB) opgericht door de gewezen predikant F. Domela Nieuwenhuis, die voor zijn denkbeelden onder andere bijval kreeg van B.L. Tijdens, hereboer uit Nieuw-Beerta.
Maar doordat zij zich in de jaren '90 ging bemoeien met de werklozenprotesten van de arbeiders, verloor zij haar aanhang onder de boeren.
De SDB ging in de loop der jaren steeds meer een anarchistische koers varen en een aantal tegenstanders richtten in 1894 de Sociaal Democratische Arbeiderspartij (SDAP) op, die spoedig aanhang kreeg in dit gebied.
Uit hun gelederen werd door een aantal marxisten de Sociaal Democratische Partij (SDP) gesticht, die hier tot de Russische revolutie weinig aanhang kreeg.
Uit solidariteit met de bolsjewieken doopte de SDP zich in 1918 om in de Communistische Partij Nederland (CPN) en ook in Beerta werd een plaatselijke afdeling opgericht.
In 1918 was het algemeen kiesrecht ingevoerd en bij de gemeenteraadsverkiezingen van mei 1919 werden twee CPN-ers in de raad gekozen.
Vanaf de komst van de communisten in de gemeenteraad veranderden de raadsvergadering-en van karakter en hadden vaak een stormachtig verloop.
Ook over publieke belangstelling hadden de vergaderingen niet te klagen.
Vooral vanaf 1927 verhardden zich de standpunten van de partijen in de raad.
Bij de benoeming van de wethouders op 6 september 1927 verklaarde de heer Volders, dat de communisten niet aan de stemming zouden deelnemen, omdat de sociaal-democratische raadsleden niet op het voorstel van zijn fractie waren ingegaan om samen het dagelijks bestuur van de gemeente te gaan vormen.
"Zij werken liever samen met de bourgeoisie, dan met een partij die de arbeiders vertegenwoordigt".
Als wethouders werden gekozen E. Strobos en G. Heckman met 6 stemmen voor en 5 blanco.
In deze raadsperiode werden voorstellen van het college verworpen, verlieten raadsleden de vergaderingen en werden de arbeiders in de raadszaal opgeroepen zich te verenigen, een macht te vormen om hun recht op te vorderen.
De sociale omstandigheden waren erg slecht en regelmatig verzochten raadsleden een extra raadsvergadering te beleggen, met als agendapunt de werkloosheid.
De samenstelling en subsidiëring van het Burgerlijk Armbestuur kwam regelmatig ter sprake.
Op voorstel van het socialistisch raadslid Schweertman werd in de raadsvergadering van 7 november 1927 het reglement van het Burgerlijk Armbestuur gewijzigd, zodat het meer in handen kwam van de vertegenwoordigers van de arbeiders.
Vijf leden werden nu benoemd, geschorst en ontslagen door de gemeenteraad in plaats van uit een voordracht van het College van Burgemeester en Wethouders, gehoord het Burgerlijk Armbestuur.
In de raadsvergadering van 9 augustus 1928 werden de communistische raadsleden R. Martens en K. Volders benoemd als lid van het Burgerlijk Armbestuur, waarna de heer Volders verklaarde dat spreker niet de indruk wilde wekken dat de mensen die op het Burgerlijk Armbestuur waren aangewezen, zouden denken: "Nu is het gewonnen. We kunnen niet doen wat we willen, maar zullen kras ons standpunt verdedigen".
De sociaal-democraat Hulsing was blij dat het standpunt van de communisten anders was geworden dan enige jaren geleden.
Hij hoopte dat een proletarische eenheid zou worden gevormd in de lijn der sociaal-democraten.
Dit bleek ijdele hoop te zijn.
Al op 28 december 1928 verklaarde de heer Hulsing liever te willen leven onder de vrijheden van de kapitalistische maatschappij dan onder de dictatuur van de Sovjets.
Op 13 maart 1929 werd besloten om in deze abnormale tijd een gemeentelijke steunregeling vast te stellen, met als voorwaarde, dat als er in of buiten de gemeente, de centrale werkverschaffing hierbij inbegrepen, werk was, de gemeentelijke steun op zou houden.
Ook werd een aantal voorstellen van de communistische raadsleden aangenomen met behulp van een paar sociaal-democraten.
In de raadsvergadering van 8 augustus 1929 werd het voorstel van de heer Volders om de beide politie-agenten buiten het hek naar de publieke tribune te doen verhuizen, aangenomen met 5 tegen 4 stemmen. Twee raadsleden waren afwezig.
Het voorstel tot bekrachtiging van het verbod van samenscholingen, door burgemeester J.H. Nanninga uitgevaardigd en afgekondigd in verband met werkstakingen, werd met 5 tegen 4 stemmen verworpen.
De voorzitter deelde daarop mee met dit besluit in beroep te zullen gaan bij de Kroon.
Het voorstel van wethouder Strobos van 29 november 1929 om de subsidie aan het Burgerlijk Armbestuur te verhogen van fl 30.000,-- tot fl 41.000,-- werd met 6 tegen 4 stemmen aangenomen. Een raadslid was afwezig.
Dit voorstel werd niet door Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen goedgekeurd.
In de raadsvergadering van 8 april 1930 werd het voorstel van het college om de post subsidie Burgerlijk Armbestuur te verlagen van fl 41.000,-- tot fl 30.000,-- met 6 tegen 5 stemmen verworpen en bleef fl 30.000,--.
De raadsvergadering liep uit de hand en de publieke tribune moest worden ontruimd.
Op 30 oktober 1930 werd het voorstel van raadslid Stek om de subsidie voor het Burgerlijk Armbestuur te verhogen tot fl 36.000,-- met 6 tegen 5 stemmen aangenomen.
De gemeentebegroting 1931 werd, na veel moeite, met algemene stemmen vastgesteld, maar kon in de ogen van Gedeputeerde Staten geen genade vinden. Het ging met name om de posten subsidie Burgerlijk Armbestuur, verstrekken schoolvoeding, toeslag op uitkeringen uit het werklozenfonds en steun aan ongehuwde werklozen boven de 16 jaar.
Voor een vacature in het bestuur van het Burgerlijk Armbestuur kon geen kandidaat worden gevonden.
Bij de eerste vrije stemming in de raad van 24 juli 1931 werden alle stemmen blanco uitgebracht, waarna de voorzitter voorstelde geen tweede vrije stemming te houden en maar van de zaak af te stappen.
Bij de installatie van de nieuw benoemde raadsleden op 1 september 1931 werden de beide wethouders Strobos en Heckman opnieuw benoemd met 7 tegen 4 stemmen van de communisten.
Op 18 november 1931 deelde de heer Van der Veen mee dat de communistische fractie tegen de vaststelling van de begroting 1932 zou gaan stemmen, aangezien ze niet wenste mee te werken aan de instandhouding van de kapitalistische staat, maar juist wilde trachten om het kapitalisme te ondermijnen.
De begroting 1932 werd met 7 tegen 4 stemmen vastgesteld.
Eind 1931 was andermaal een vacature ontstaan bij het Burgerlijk Armbestuur. Het aftredend communistisch raadslid R. Martens stelde zich niet weer beschikbaar en na gehouden stemming bleken 11 blanco stemmen te zijn uitgebracht.
In 1932 kwam de werkloosheidskwestie herhaaldelijk aan de orde, evenals de stakingen bij de Centrale Werkverschaffing.
Tot groot ongenoegen van de communistische raadsleden was er politie in de raadszaal aanwezig.
Toen de publieke tribune op bevel van de voorzitter op 21 januari 1932 werd ontruimd, verlieten de 4 communistische raadsleden uit protest de raadszaal.
De begroting 1932 werd door Gedeputeerde Staten niet goedgekeurd, waarna de raad tegen dit besluit in beroep ging bij de Kroon.
Met name de gemeentelijke steunregeling kon geen genade vinden in de ogen van de hogere instanties.
De minister van Binnenlandse Zaken en Landbouw schreef het college op 11 februari 1932, dat als de raad de gemeentelijke steunregeling, die voor alle werkloze arbeiders toegepast werd, niet introk, de gegeven machtiging om werklozen met rijkssteun bij de Centrale Werkverschaffing te plaatsen zou komen te vervallen.
Ook voor andere werkverschaffingen of voor steunregelingen zou dan geen steun worden verleend, terwijl evenmin op geldelijke hulp van de Staat gerekend kon worden, wanneer de gemeente in minder gunstige financiële toestand zou komen.
Vanaf de jaren '30 had de gemeente Beerta inderdaad moeite om het hoofd financieel boven water te houden en moest men regelmatig om een verhoging van of een aanvulling op de bijdrage uit het gemeentefonds vragen.
In de raadsvergadering van 7 oktober 1932 werd besloten tot opheffing van het Burgerlijk Armbestuur en kwam de armenzorg in handen van het College van Burgemeester en Wethouders, dat zou worden bijgestaan door een nog te benoemen armmeester, belast met het onderzoek, de controle en de administratie.
In dezelfde vergadering verlieten de beide wethouders en de raadsleden Leemhuis, De Boer en Mellema uit protest de vergadering, nadat de heer Stek had opgemerkt dat zijn fractie aan alles wat in de raadsvergadering werd gezegd twijfelde.
Op 6 december 1932 werd wethouder Strobos benoemd als armmeester, waarna hij bedankte als wethouder.
In zijn plaats werd benoemd H.R. Leemhuis met 6 tegen 4 stemmen en 1 stem blanco.
Tevens werd besloten tot tewerkstelling van alle ongehuwde werklozen, ouder dan 16 jaar, bij de werkverschaffing.
Op 2 januari 1933 werd op verzoek van de communistische raadsleden een spoedeisende vergadering gehouden, waarin eisen van het werklozenstrijdcomité aan de orde werden gesteld.
Een aantal van deze eisen werd door de raad ingewilligd, waarna de voorzitter meedeelde een deel van die besluiten, als zijnde strijdig met de wet, ter vernietiging bij de Kroon te zullen voordragen.
Dit gold ook voor een aantal aangenomen raadsbesluiten van 27 maart 1933.
Tijdens deze vergadering vielen er harde woorden tussen het communistisch raadslid Heeren en burgemeester Nanninga.
Toen op de publieke tribune en in de raadszaal strijdkreten werden geroepen, sloot de burgemeester de vergadering, waarna het publiek, de Internationale zingend, de tribune en het gemeentehuis verliet.
Bij raadsbesluit van 14 juni 1933 werd besloten tot het van gemeentewege verschaffen van werk aan de heer G. Rösken, die wegens zijn optreden op last van de minister van Binnenlandse Zaken van de Centrale Werkverschaffing was uitgesloten.
Op 17 juli werd de kwestie Rösken opnieuw aan de orde gesteld en werd door de communistische raadsfractie een motie van wantrouwen tegen de voorzitter ingediend.
Op 10 november 1933 kwam de raad, na later bleek, voorlopig voor het laatst bijeen.
Bij wet van 29 december 1933 werd de raad met ingang van 1 januari 1934 in verband met grove verwaarlozing van de regeling en het bestuur van de huishouding van de gemeente buiten functie gesteld, terwijl het College van Burgemeester en Wethouders als bestuursorgaan ophield te bestaan.
Aan de burgemeester werd de bevoegdheid van de raad en van het College van Burgemeester en Wethouders opgedragen.
Een drietal raadsbesluiten werden ingetrokken, te weten:
a. Rbs. d.d. 6 december 1932 strekkende om alle ongehuwde werklozen boven 16 jaar van gemeentewege te werk te stellen.
b. Rbs. d.d. 2 januari 1933 strekkende om bij de berekening van de aan de werklozen in de rouleerweken uit te keren steun geen aftrek toe te passen van gezinsinkomsten.
c. Rbs. d.d. 14 juni 1933 tot het van gemeentewege verschaffen van werk aan G. Rösken.
Deze situatie duurde tot aan de nieuwe zittingsperiode van de raad op 3 september 1935.
In deze vergadering werden tot wethouder benoemd de heren K. Lamfers en H.R. Leemhuis.
Een verzoek van de CPN-fractie om samenwerking met de SDAP werd, aldus de heer Lamfers, met op één na algemene stemmen door de SDAP afgewezen.
Nog steeds waren de arbeidsomstandigheden slecht, zoals de burgemeester op 13 juni 1935 schreef aan de minister van Sociale Zaken naar aanleiding van een adres van de heer W. Schwertman en 740 andere personen:
"In de gezinnen van vele werklozen die bijna 't gehele jaar op de werkverschaffing zijn aangewezen, met nu en dan opneming in de steunregeling ontstaat langzamerhand een achterstand, die moeilijk valt in te halen. De wekelijkse inkomsten zijn dan misschien net of nauwelijks voldoende voor 't dagelijks levensonderhoud en de nodige gelden voor huis- en tuinhuur, doktersrekening enz. kunnen niet of slechts met grote moeite worden bijeengebracht.
Mijn mening is dan ook dat doorlopende toelating tot de werkverschaffing alleszins redelijk is en in hoge mate in 't belang van de werklozen en vele anderen. Intussen ben ik mij er ten volle van bewust dat, voor zover niet aldus wordt gehandeld, dit uit bittere noodzaak wordt nagelaten".
In 1939 ontstond er weer eens onenigheid in de raad, nu over de benoeming van een onderwijzeres in Nieuw-Beerta, waarbij de fracties van de CPN en SDAP weigerden tot stemming over te gaan.
Het aantal inwoners bedroeg in deze periode ± 3750.
Bij de raadsverkiezingen van 1939 behaalde de CPN 5 zetels.
Bij de installatievergadering van de raadsleden op 5 september deelde fraktievoorzitter L. Stek mee dat de CPN en de SDAP inzake de wethoudersbenoeming zouden gaan samenwerken, niettegenstaande het feit dat de afdeling Beerta van de SDAP dat niet wenste.
De heer E. Schweertman zei als SDAP-lid te hebben bedankt.
De heren L. Stek en E. Schweertman werden met 7 stemmen gekozen als wethouder.
In de vergadering van het College van Burgemeester en Wethouders van 13 september 1939 werd de heer L. Stek als plaatsvervanger van de burgemeester aangewezen.
De burgemeester onthield zich van stemming, omdat de beide wethouders politiek gezien zover van hem afstonden, dat hij aan een aanwijzing van één hunner als zijn plaatsvervanger niet mee kon werken.
Op 25 oktober deelde de commissaris der Koningin in de provincie Groningen mee dat de heer H.R. Leemhuis werd aangewezen als plaatsvervanger van de burgemeester.
De samenwerking tussen burgemeester Nanninga en de beide wethouders verliep erg stroef.
Regelmatig werden voorstellen aangenomen, met de stem van de voorzitter tegen.
Toen door hem een raadsbesluit inzake de steunverlening ter vernietiging werd voorgedragen en hierop door de minister van Binnenlandse Zaken, namens zijn ambtgenoot van Sociale Zaken, afwijzend werd gereageerd, diende burgemeester Nanninga zijn ontslag in met ingang van 15 april 1940.
Op 25 april 1940 werd de heer P.C. van Essen benoemd als burgemeester.
In juli 1940 was door de secretaris-generaal van het ministerie van Binnenlandse Zaken bepaald, dat de leden van de raad, behorende tot de CPN en de Revolutionaire Socialistische Arbeiderspartij zich terstond moesten onthouden van deelneming aan enige werkzaamheden van genoemd orgaan.
Vanaf die tijd woonden de CPN-raadsleden L. Stek, tevens wethouder, E. Nap, W.B. Schwertmann, B. Schweertman en G. Stubbe geen vergaderingen meer bij.
Op voorstel van wethouder E. Schweertman werd op 27 december 1940 de heer H.R. Leemhuis tijdelijk tot wethouder benoemd.
Tijdens de eerste vergadering van de tijdelijke raad na de Tweede Wereldoorlog op 6 november 1945 werden de in de Duitse concentratiekampen omgekomen raadsleden L. Stek, B. Schweertman, E. Nap en W.B. Schwertmann herdacht.
In februari 1946 was de SDAP met onder andere een deel van de Vrijzinnig Democratische Bond (VDB) een samenwerking aangegaan en ging verder onder de naam van de Partij van de Arbeid (PvdA).
De VDB was in Oost-Groningen traditioneel verbonden met de grote boeren en veel landarbeiders liepen daardoor over naar de CPN.
Hierdoor en als gevolg van het respect dat de communisten hadden gekregen door haar verzetsactiviteiten behaalde de CPN tijdens de raadsverkiezingen in 1946 zes raadszetels.
Tot wethouders werden benoemd de heren D.G. Veld en H. Heeren.
Wethouder D.G. Veld werd tevens als loco-burgemeester aangewezen.
De eerste tijd verliep de samenwerking in de raad vrij redelijk en stelden alle partijen zich gematigd op, maar langzamerhand begonnen zich de standpunten weer te verharden.
Op 17 februari 1948 deelden de PvdA-raadsleden Tijdens en Takens de voorzitter mee de door de communistische raadsfractie aangevraagde spoedeisende raadsvergadering inzake de slechte behandeling van de arbeiders, werkzaam bij de DUW-werken, niet te zullen bijwonen. Zij beschouwden dit als een stukje gezochte propaganda voor de CPN, waaraan zij niet wilden meewerken.
Een soortgelijk schrijven verzonden de liberale raadsleden De Boer, Noteboom en Smith.
Op 14 juni 1948 kwamen in de raad aan de orde een besluit van de commissaris der Koningin in de provincie Groningen, waarbij de heer H. de Boer werd aangewezen als vervanger van de burgemeester, alsmede een motie van "inwoners der gemeente Beerta", waarin werd geprotesteerd tegen bovengenoemd besluit.
De heer koning verklaarde dat de aanwijzing van de heer D.G. Veld als loco-burgemeester destijds geen bezwaar ondervond, terwijl hij twee jaar later eensklaps onbetrouwbaar en geen goed Nederlander meer zou zijn en zonder vorm van proces door de commissaris der Koningin opzij werd gezet. Hij noemde deze laffe daad een slag in het gezicht der Communistische Partij, maar ook in dat der Beertster bevolking.
Wethouder Veld zei het heel erg te vinden dat men hem niet betrouwbaar vond als Hoofd van Politie, terwijl hiervoor geen enkel bewijs was en men het niet nodig had gevonden hem hiervan in kennis te stellen.
Hij vervolgde met de woorden: "De communisten zijn niet betrouwbaar, ofschoon zij de eersten waren bij het verzet.
De politie vertrouwt men wel, doch wie brachten de Joden weg?
Niet wij, doch de politie".
Hij eiste van elk raadslid een uitspraak over zijn betrouwbaarheid, alsmede kennisneming van de motieven waarop hij werd ontslagen.
Burgemeester C.P. van Essen antwoordde dat het hierbij niet ging tegen de wethouders, noch tegen de persoon van de heer Veld, maar dat het hier ging om het politiek inzicht en bepaalde sympathieën op nationaal en internationaal terrein van de Communistische Partij.
Een loco-burgemeester is hulpofficier van Justitie en Hoofd van Politie en het kwam er maar op aan of de Communistische Partij onder alle omstandigheden getrouw zou zijn aan het Nederlands Gezag en dat dit nu in sterke mate werd betwijfeld.
De beslissing van de Commissaris steunde op het inzicht van de regering, die hiervoor steun vond in de Staten-Generaal, die op democratische wijze was verkozen en waarvan de meerderheid, wellicht 90% eenzelfde mening was toegedaan.
Bij de voorlezing van de grondwetswijzigingen door de burgemeester in de raadsvergadering van 20 september 1948 verlieten de zes communistische raadsleden de vergadering.
Ook werden door hen herhaaldelijk nationale en internationale kwesties aan de orde gesteld, waarbij de voorzitter opmerkte dit principieel onjuist te vinden en dat de raad hiervoor niet de juiste plaats was. Hij noemde het schijnvertoningen.
Toen bij de rondvraag op 31 maart 1949 de heer Telkamp de oorlog in Indonesië aan de orde wilde stellen, viel de voorzitter hem in de rede en toen de heer Telkamp toch verder wilde gaan, ontnam de voorzitter hem het woord en sloot de vergadering.
Bij de verkiezingen van juni 1949 verloor de CPN 1 zetel en tevens de meerderheid in de raad. De PvdA en VVD behaalden elk 3 zetels.
Bij de wethoudersverkiezing op 6 september deed de heer Veld nogmaals een beroep op de PvdA tot samenwerking.
De heer Tijdens antwoordde dat de PvdA geen samenwerking met de CPN wenste, aangezien het was gebleken dat de CPN-wethouders niet zelfstandig waren, maar afhankelijk van hun fractie. Hij vond dit geen democratie, maar dictatuur, die haar grond vond in de verbondenheid met Rusland.
Hierna werden over en weer beschuldigingen aan elkaars adres geuit.
Vervolgens werden de heren C. Oolders, PvdA en Th. Schaafsma, VVD met 6 tegen 5 stemmen als wethouder gekozen.
Wethouder C. Oolders werd tevens als loco-burgemeester aangewezen.
Ook in de jaren '50 ging het vaak hard toe in de raadszaal van Beerta.
Het ontlokte de voorzitter de opmerking dat men moest trachten meer begrip te hebben voor elkaars opvattingen.
Bij het punt herbenoeming van de burgemeester in de raad van 17 april 1952 werd de burgemeester zwaar aangevallen door de leden van de CPN-fractie.
Volgens hen werkte hij de arbeiders zoveel tegen als hij kon, desnoods met inschakeling van de politie.
Een aantal mensen op de publieke tribune werd verwijderd.
Bij de behandeling van de begroting 1953 maakte het communistisch raadslid Telkamp de burgemeester uit voor een Hitler-fascist, waarna de voorzitter de vergadering sloot.
Bij de opening van de raadsvergadering van 26 februari 1953 verklaarde de voorzitter, gelet op de zeer ongewenste toestanden in de afgelopen raadsvergaderingen, het Reglement van Orde streng te zullen handhaven.
Toen de heer Telkamp op 11 maart 1954 een interpellatie wilde houden, zei de voorzitter dat de raad zich hierover eerst diende uit te spreken.
Toen de heer Telkamp toch doorging met spreken, werd op voorstel van de voorzitter met 6 tegen 4 stemmen besloten de heer Telkamp de toegang tot de vergadering te ontzeggen.
Ook de overige 4 communistische raadsleden werden op dezelfde wijze de toegang tot de vergadering ontzegd, op grond van hun gedragingen die de geregelde gang van zaken belemmerde.
Burgemeester Van Essen werd met ingang van 16 mei 1955 benoemd als burgemeester van de gemeente Goor.
Op 8 augustus 1955 werd door de CPN-fractie opnieuw gevraagd een interpellatie te mogen houden.
Het voorstel van het College van Burgemeester en Wethouders om de interpellatie niet toe te staan, werd, onder verward geschreeuw van de leden van de communistische raadsfractie, met 6 stemmen voor aangenomen, waarna de loco-burgemeester de vergadering sloot.
Ook de spoedeisende raadsvergadering van 29 augustus werd een chaos en werd door loco-burgemeester Oolders gesloten met de woorden: "Onder deze omstandigheden is het onmogelijk te vergaderen".
Op 1 september 1955 werd de heer E. de Haan benoemd als burgemeester.
Door hem werden direct een aantal wijzigingen doorgevoerd in de gang van zaken van de raadsvergaderingen.
In plaats van het houden van een rondvraag konden de leden vóór de raadsvergadering aan hem opgeven waaromtrent men inlichtingen wenste te ontvangen.
Verder zouden bepaalde plannen of voorstellen worden besproken in een commissie uit de raad, waarin alle fracties vertegenwoordigd zouden zijn.
De begroting 1956 werd zonder hoofdelijke stemming vastgesteld en sloot met een tekort van fl 40.000,--.
Het College van Burgemeester en Wethouders verklaarde dat het maken van een sluitende begroting niet mogelijk was en er werd dan ook een verzoek om verhoging van de rijksbijdrage ingediend.
Op 2 september 1958 vond de beëdiging van de nieuwe raadsleden plaats.
Ondanks de gebeurtenissen in Hongarije (1956 Hongaarse opstand, die werd neergeslagen door de Sovjet-Unie) wist de CPN haar 5 zetels te behouden.
De PvdA met 4 en de VVD met 2 vertegenwoordigers verdeelden de wethouderszetels.
De PvdA-wethouder mevrouw G. Meffers-Kruze werd tevens aangewezen als loco-burgemeester.
De verkiezingen van 1962 brachten geen veranderingen in de samenstelling van de raad.
Op 6 februari 1963 werd door de CPN een spoedeisende raadsvergadering gevraagd tot het nemen van maatregelen in verband met de aanhoudende kou en stijgende prijzen van de verschillende produkten.
De PvdA zag in deze vergadering niet meer dan de wens van de CPN om propaganda te maken.
Bij de behandeling van de begroting 1963 verklaarde de heer Stek dat zijn fractie zich niet met het beleid van het College van Burgemeester en Wethouders kon verenigingen, aangezien alles werd overheerst door een fel anti-communisme.
Hij noemde het geheel een juiste afspiegeling van de regeringspolitiek die de CPN op alle manieren discrimineerde.
In de vergadering van 2 februari 1965 diende in verband met de ontslagname van mevrouw Meffers een nieuwe wethouder te worden benoemd.
De heer Stek meende dat de wethouderszetel de CPN wel onthouden zou worden, alhoewel deze partij sinds vele jaren de grootste fractie van de raad was, die zich altijd had geijverd voor haar democratische rechten, inclusief het bezetten van een wethouderszetel. Het zou vanzelfsprekend zijn wanneer de CPN een wethouderszetel zou bezetten.
De PvdA had altijd een wethouderszetel gehad en zou die nu ook wel weer krijgen.
Maar de derde en kleinste in de raad vertegenwoordigde partij was volgens hem ten onrechte in het bezit van een wethouderszetel.
Zijn fractie had besloten de door de PvdA voorgedragen kandidaat te steunen, omdat het anders weer een verslechtering zou kunnen betekenen in de steeds beter wordende verhouding tussen de beide partijen.
Als symptoon van verbetering noemde hij de benoeming van leden van zijn partij in de raadscommissies.
De heer B.J. Leeraar werd vervolgens met algemene stemmen tot wethouder benoemd.
Bij de verkiezingen van 1966 behaalde de CPN de absolute meerderheid in de raad met 6 zetels; de PvdA behaalde 3 en de VVD 2 zetels.
De heren K. Stek en G. Mulder werden met 6 tegen 5 blanco stemmen benoemd tot wethouder.
De heer Stek meende dat de verkiezingsuitslag een veroordeling was van de schadelijke regeringspolitiek en de doorvoering daarvan in de gemeente een les was geweest voor de PvdA.
Hij sprak de verwachting uit dat de PvdA-fractie zich bereid zou tonen om in de toekomst gezamenlijk met zijn fractie een progressief gemeentebeleid te gaan voeren.
In de raadsvergadering van 12 oktober 1966 protesteerde de heer Aukes in felle bewoordingen tegen de benoeming van de heer Eijsink, burgemeester van de gemeente Bellingwolde, als plaatsvervangend burgemeester.
Bij de invoering van de rioolbelasting op 20 december 1966 verklaarde de CPN-fractie te moeten kiezen tussen twee kwaden, of een begroting die niet zou worden goedgekeurd, of aanvaarding van een rioolbelasting en verhoging van de reinigingsrechten.
Zij koos voor het laatste en noemde het in wezen de schuld van de VVD en PvdA die deze voorstellen hadden laten liggen.
De heer Leeraar zei wel eens te willen zien hoe de CPN deze belastingverhoging wilde waarmaken.
Het voorstel werd zonder hoofdelijke stemming aangenomen, waarbij de PvdA geacht wilde worden tegen te hebben gestemd.
Op 6 december 1967 werd mevrouw J. Ottinga-Veen, CPN, met 6 tegen 5 blanco stemmen benoemd tot wethouder.
Zij volgde de bij een auto-ongeluk om het leven gekomen wethouder Mulder op.
Bij de verkiezingen van 1970 behaalde de CPN 7 zetels, de PvdA 3 en de VVD 1.
Ook nu weer protesteerde de heer Aukes fel tegen de aanwijzing van de burgemeester van Nieuweschans als loco-burgemeester.
Wegens zijn benoeming tot lid van het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen bedankte de heer K. Stek als wethouder van de gemeente Beerta en nam eveneens ontslag als raadslid.
De heer J. Aukes werd met ingang van 15 juni 1970 met 8 tegen 2 stemmen blanco benoemd als wethouder.
In de vergadering van 22 september 1970 werd met 7 tegen 4 stemmen besloten, nadat een delegatie een onderhoud met de commissaris der Koningin in de provincie Groningen had gehad en de commissaris volgens raadslid Heres hetzelfde ondemocratisch standpunt inzake de benoeming van een loco-burgemeester bleef handhaven, zoals ook zijn voorganger had gedaan, een scherpe protestbrief te zenden aan de commissaris der Koningin en hiervan een afschrift te zenden aan de minister van Binnenlandse Zaken, met het verzoek om een onderhoud.
De minister antwoordde bij schrijven van 3-11-1970: "de bezwaren, welke mijnerzijds bestaan tegen de benoeming van een burgemeester, behorende tot de CPN, mede gelden voor de aanwijzing van een lid van deze politieke groepering tot loco-burgemeester".
In 1971 gaf de verhoging van de gemeentelijke belastingen aanleiding tot verhitte discussies in de raad.
Op 29 september 1971 werd afscheid genomen van burgemeester De Haan in verband met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.
De heer J.G. Voslamber, burgemeester/secretaris van de gemeente Finsterwolde, werd met ingang van 1 december 1971 tevens benoemd tot burgemeester van de gemeente Beerta.
Door de heren Heres, CPN en Snater, PvdA, werd hiertegen fel geageerd en laatstgenoemde stelde voor de commissaris der Koningin in de provincie Groningen schriftelijk te vragen waarom niet met de wensen van de raad rekening was gehouden en wat de reden en de achtergrond waren van deze benoeming.
Zijn fractie overwoog dan ook niet langer aan het werk van de raad mee te doen en geen raadsvergaderingen meer bij te wonen, alvorens duidelijk was gemaakt waarom met de burgemeestersbenoeming zo was gehandeld.
Het voorstel werd met 7 tegen 3 stemmen verworpen.
In de raadsvergadering van 29 december 1971 legde de heer Boltjes namens de PvdA een verklaring af, waarin hij mededeelde, na op 22 december antwoord te hebben ontvangen van de commissaris der Koningin inzake de burgemeestersbenoeming, dat zijn partij de raadsvergaderingen zou blijven bezoeken en aan het werk van de raad mee zou blijven doen.
De heer Heres zei dat zijn fractie blij was dat de PvdA-fractie van haar dwaling was teruggekeerd, maar meende te moeten stellen dat het een gevaarlijke stap was geweest.
Hij vroeg zich af of hier meer achter zat en men zich had laten leiden door personen achter de schermen die probeerden de gemeente onbestuurbaar te maken.
Hierdoor zou de minister een kans worden gegeven om een regeringscommissaris aan te stellen of om de gemeenten direct maar samen te voegen.
Hij deed dan ook een beroep op de fractie van de PvdA geen stappen meer te ondernemen die de belangen van de bevolking of de zelfstandigheid van de gemeenten op het spel zouden zetten en stelde voor gezamenlijk op te treden tegen de bezuinigingspolitiek van de regering Biesheuvel.
De heer Boltjes antwoordde dat de heer Heres hem niet goed had begrepen en hierover werd door beide heren gediscussieerd.
Op 6 september 1972 dienden de heren H.W. Boltjes, PvdA en A.J. Engels, VVD, hun ontslag in als lid van de Commissie voor de Bezwaarschriften in verband met de houding van de heer H. Heres tijdens de vergadering van deze commisie van 28 april 1972.
De heer Boltjes zei dat zijn fractie geen kandidaat meer beschikbaar zou stellen omdat het volgens hem onmogelijk was in deze commissie goed en gezamenlijk nuttig werk te verrichten.
Op voorstel van het College van Burgemeester en Wethouders werd zonder hoofdelijke stemming besloten tot opheffing van de commissie.
Bij de behandeling van de begroting 1973 noemde de heer Engels de begrotingspositie van Beerta zo negatief dat het hem niet mogelijk was een positieve reactie te geven.
De heer Boltjes beschuldigde de beide CPN-wethouders ervan middels de Algemene Bijstandswet zieltjes te winnen op kosten van de gemeenschap en dat zij op deze manier "voor Sinterklaas" speelden.
Voor de hele CPN-fractie zou het goed zijn een paar jaar in Rusland te vertoeven waar volgens hem niet "voor Sinterklaas" werd gespeeld.
De heer Heres antwoordde dat de CPN niets met Rusland had te maken.
Op 7 april 1973 werd door de PvdA een motie van wantrouwen ingediend waarop door de heer Boltjes de volgende toelichting werd gegeven:
"Wij zijn geen hetze tegen de CPN aan het voeren. We hebben wantrouwen gekregen tegen dit College van Burgemeester en Wethouders inzake besluitvorming aangaande de inwoners van Beerta. En dat is een heel andere zaak!
En als de CPN, afdeling Beerta in een openbare vergadering zegt dat er een hetze in Beerta wordt gevoerd, dan is dat juist. Maar die is dan niet gericht tegen de CPN, maar tegen het verkrachten van de democratische besluitvorming in onze gemeente. En daar protesteren wij met klem tegen!!!
Als u, College van Burgemeester en Wethouders, in de toekomst bereid bent een democratische besluitvorming te hanteren, dan zijn wij bereid de motie van wantrouwen in de ijskast te deponeren. Maar we zullen in het belang van de inwoners van Beerta de zaken nauwlettend in de gaten houden.
Maar dat neemt niet weg dat er bij onze fractie nog enige vragen aanwezig zijn wat betreft het spreekverbod.
Tot op heden is het onze fractie nog steeds niet duidelijk of het College van Burgemeester en Wethouders aan alle betrokken ambtenaren der gemeente Beerta nu wel of niet een zwijgplicht heeft opgelegd.
Zo niet: Hoe kan wethouder Aukes dan passende maatregelen aankondigen en moeten we in de Winschoter Courant van j.l. 12 maart lezen dat een besluit wordt ingetrokken dat er nooit is geweest.
Zo ja: Er is wel een besluit geweest. Waarom heeft de burgemeester dan zaterdag 10 maart voor de RONO verklaard dat er geen besluit was geweest, omdat hij geweigerd had de betreffende notulen te ondertekenen. Het is ons namelijk niet bekend dat de burgemeester binnen de daarvoor geldende normen het besluit ter vernietiging heeft voorgedragen bij de Kroon en heeft dus ons inziens in strijd met de wet gehandeld.
Het is voor onze fractie onaanvaardbaar dat ambtenaren der gemeente Beerta in het openbaar voor schut worden gezet.
En verder: Hoe kan het College van Burgemeester en Wethouders goedkeuring geven een vlag te hijsen aan de gemeentelijke vlaggemast, waarvan hun de nationaliteit niet bekend is?" (was Noord-Vietnamese vlag).
De heer Engels, VVD, zei tot zijn spijt te hebben geconstateerd dat men hier in staat is in negatieve zin uit te blinken.
Ten eerste voor wat betreft het bijstandsbeleid.
Ten tweede het wel of niet openen van de openbare lagere school; zelfs een naam voor deze school kon er niet af.
Ten derde de rel rond het saneringsplan met wel of geen zwijgplicht.
Ten vierde het intreurige vlagincident waarover ieder woord verder gezegd te veel zou zijn.
Hij sprak dan ook zijn grote afkeuring uit over het beleid van het college.
Over en weer vielen daarna harde woorden.
Wethouder Aukes stelde voor de motie van wantrouwen maar weer in te trekken ter wille van de samenwerking.
In een vorige vergadering werd gezegd door de heer Boltjes dat het voor ons beter zou zijn een tijdje naar Rusland te gaan, maar voor de PvdA kon het geen kwaad een jaar naar Frankrijk te gaan, waar de samenwerking tussen de communisten en socialisten reeds verder was gevorderd dan hier. Een dergelijke samenwerking zou beter zijn voor de arbeiders in de gemeente.
In de raadsvergadering van 29 mei 1973 zei de heer Boltjes blij te zijn dat het College van Burgemeester en Wethouders de in de vorige raadsvergadering gestelde vragen schriftelijk had beantwoord.
Op 26 september 1973 hield raadslid Heres een interpellatie inzake de ontstane ongerustheid en ontevredenheid bij de CPN-fractie over het aantal te houden raadsvergaderingen, waardoor wettelijke voorschriften in het gedrang kwamen.
Zijn fractie paste ervoor dat de raad in een situatie gemanoeuvreerd zou worden waardoor de commissaris der Koningin in de provincie Groningen of de minister van Binnenlandse Zaken in kon grijpen, met alle gevolgen van dien.
Volgens zijn fractie waren er genoeg vraagstukken waarover in de raad viel te praten.
Ook meende hij dat het erop begon te lijken dat er dingen werden gedaan die aanleiding gaven om die groepen van de bevolking, die juist samen zouden moeten werken, tegen elkaar uit te spelen.
Op 24 oktober 1973 volgde de heer H.L. Heres wethouder Aukes op, die om gezondheidsredenen afscheid had genomen.
Bij de raadsverkiezingen van 1974 behield de CPN de meerderheid met 6 zetels, de PvdA kreeg 4 en de VVD 1 zetel.
De heer H.L. Heres en mevrouw A.R. Dreijer-Luppens werden met 6 tegen 5 stemmen tot wethouder benoemd.
De PvdA-er Danhuis vond dat de manier waarop de wethouders waren gekozen te betreuren viel. Op geen enkele wijze had de CPN-fractie overleg gepleegd met de andere fracties over de verdeling van de wethouderszetels.
Voor de komende 4 jaar was er volgens hem geen sprake van een programcollege, geen afspiegelingscollege, maar wel van een machtscollege, die een partijprogramma zou gaan uitvoeren alleen ten behoeve van de partij.
Mevrouw Stek antwoordde dat in de jaren '60, toen de CPN met 5 zetels in de raad zat, er voor de CPN geen wethouderszetel beschikbaar was.
Bij de algemene beschouwingen, gehouden bij de begroting 1975 memoreerde mevrouw Stek dat het de gemeente na ruim acht jaar was gegeven zelf in de vervanging van de burgemeester te voorzien. (Wethouder Heres was op 26 november 1974 namelijk aangewezen als loco-burgemeester).
Er was volgens haar een einde gemaakt aan de discriminatie van de gemeente inzake de benoeming van een loco-burgemeester. Dit was voor de CPN een belangrijke overwinning op al diegenen die steeds hadden getracht de partij in een zwart daglicht te plaatsen en die de CPN met anti-democratische middelen haar democratische rechten hadden onthouden, waarop ze krachtens haar positie recht had.
Een motie van de CPN tegen Franco-Spanje deed het liberale raadslid Engels op 30 september 1975 besluiten de vergadering te verlaten.
De beloning van de E-werkers kwam in die periode regelmatig ter sprake, evenals de slechte financiële positie van de gemeente, waardoor aanvullende uitkeringen uit het gemeentefonds moesten worden gevraagd.
In de raadsvergadering van 24 februari 1976 wees mevrouw Stek nogmaals op de onjuistheid en onbillijkheid van het feit dat de minister van Binnenlandse Zaken het gemeentebestuur verplichtte om de gemeentelijke tarieven en belastingen te verhogen, wilde men in aanmerking komen voor een uitkering uit het gemeentefonds.
Volgens haar werkte het kabinet Den Uyl daaraan mee.
De PvdA-er Danhuis vroeg zich af wie het gat had laten vallen. Volgens hem niet de regering, maar het College van Burgemeester en Wethouders van Beerta.
De bevolking had de belastingverhoging aan het college te danken als gevolg van het gevoerde financieel beleid.
Hij vroeg om inzage van het rapport van de inspecteur van gemeentefinanciën, zodat zijn fractie een beslissing kon nemen, waarvoor zij de verantwoordelijkheid kon en wilde dragen.
Gebeurde dit niet, dan zou zijn fractie genoopt worden tot burgerlijke ongehoorzaamheid door niet aan de beraadslagingen deel te nemen en de vergadering te verlaten.
Het College van Burgemeester en Wethouders nam vervolgens de agendapunten terug.
Op 30 maart 1976 kwam de verhoging van de gemeentelijke belastingen weer ter sprake.
Dit was voor de heer Danhuis aanleiding op te merken dat de CPN vóór 1966, toen ze nog geen meerderheid bezat in de raad, tegen elke belastingverhoging stemde.
Toen ze die wel kreeg werkte ze elk jaar mee aan belastingverhoging onder het mom van "onder protest".
In Beerta had 40% van de arbeiders een eigen huisje en die zouden zwaar getroffen worden door de voorgestelde verhogingen.
Vervolgens ontstond er een discussie over de lasten van de arbeiders-huurders en arbeiders-woningbezitters.
Het agendapunt werd aangehouden en op 27 april opnieuw aan de orde gesteld.
De heer Danhuis zei dat de CPN in de vorige vergadering niet over het tegenvoorstel van de PvdA wilde discussiëren, maar wel over Lockheed, F16, EEG en andere schone zaken.
Zijn fractie bleef bij haar standpunt dat de CPN de helft van de arbeiders in de gemeente verhoudingsgewijs het zwaarst trof en bleef dan ook tegen de voorgestelde belastingverhoging.
Het voorstel werd met 6 tegen 5 stemmen aangenomen.
In de raad van 31 augustus 1976 werd een verzoek van het gemeentebestuur van 17 augustus 1976 aan de minister van Binnenlandse Zaken behandeld om goedkeuring te verlenen aan een besluit om aan elke werknemer, in dienst van de gemeente Beerta met ingang van 1 juli 1976 een prijscompensatie te verlenen van fl 102.-- bruto per maand.
De minister antwoordde dat goedkeuring van gemeenteraadsbesluiten primair berustte bij het College van Gedeputeerde Staten. Het voorstel was in strijd met het centraal loonbeleid ten aanzien van het overheidspersoneel.
Ieder afwijkend besluit zou door wettelijke maatregelen worden getroffen en hij verzocht de burgemeester, indien toch een zodanig besluit zou worden genomen, dit onverwijld ter schorsing aan de Kroon voor te dragen.
Vervolgens werden door de raad twee moties aangenomen, waarbij:
Ten eerste het College van Burgemeester en Wethouders werd verzocht te onderzoeken, gelet op de prijsontwikkeling van de laatste maanden, in hoeverre de positie van het gemeentepersoneel en E-werkers verbeterd kon worden;
Ten tweede de minister van Binnenlandse Zaken mede te delen dat de raad haar ernstige verontrusting uitsprak over bovengenoemd schrijven, dat men beschouwde als een aanval op het bestaansrecht en democratie van de gemeente.
In de hierop volgende jaren werden door de CPN-fractie veel moties ingediend over uiteenlopende zaken, zowel op gemeentelijk, nationaal als internationaal niveau en vlogen de raadsleden elkaar regelmatig in de haren.
Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1978 kregen de PvdA en CPN beide 5 zetels en de VVD 1 zetel.
Als wethouders werden benoemd K. Stek, CPN en F. Danhuis, PvdA, met 10 stemmen voor en 1 blanco stem.
De heer Boltjes verklaarde dat door de samenwerking van de PvdA en de CNP in de gemeente Beerta kon worden gesproken van een historisch feit.
De VVD-er Mellema zei zeer verbaasd te zijn over deze samenwerking. Tijdens de verkiezingscampagne maakte de CPN de PvdA uit voor alles wat niet mooi was. De CPN was nooit bereid ook maar iets toe te geven en hij vroeg zich af wat de PvdA-stemmers hiervan vonden, die na de verkiezingen dachten eindelijk eens van de CPN af te zijn.
Op 31 maart 1981 werd burgemeester Voslamber in verband met zijn pensionering benoemd tot waarnemend burgemeester van de gemeente Beerta (en Finsterwolde).
Zeer tot ongenoegen van de heer Heres, die zei dit niet te begrijpen omdat er ook een loco-burgemeester was, te weten wethouder Stek.
Met ingang van 1 april 1982 werd tot burgemeester van Beerta benoemd mevrouw J. Jagersma. Zij was hiermee tevens de eerste CPN-burgemeester van Nederland.
Bij haar installatie merkte zij op dat de vooroordelen ten aanzien van een communistische burgemeester opzij waren gezet en dat er een stukje recht was gedaan aan de vrouwen doordat het aantal vrouwelijke burgemeesters in Nederland met één was uitgebreid.
Bij de verkiezingen in 1982 kreeg de CPN 6, de PvdA 3 en de VVD 2 zetels.
Ondanks de meerderheid van de CPN werden afspraken gemaakt met de PvdA om te komen tot collegevorming.
Tot wethouders werden met algehele stemmen benoemd de heren K. Stek, CPN en F. Danhuis, PvdA.
In de raadsvergadering van 31 mei 1983 legde de heer Heres, namens de CPN-fractie, een verklaring af in verband met de bestaande tegengestelde opvattingen binnen de CPN over de te voeren politieke lijn.
De voltallige plaatselijke afdeling en fractie wensten niet langer verantwoording te nemen voor de besluiten van de meerderheid van het partijbestuur van de CPN.
De CPN-afdeling Beerta stond recht overeind en de huidige coalitie-politiek met de Beertster PvdA zou onverkort van kracht blijven.
In de buitengewone raadsvergadering van 7 mei 1984, waarin een schrijven van de Vredeswerkgroep Beerta inzake de plaatsing van kruisraketten werd behandeld, brachten de negen aanwezige raadsleden, met uitzondering van de VVD-er Mellema, een vredeslied ten gehore.
Bij de verkiezingen van 1986 behaalde de CPN 5, de PvdA 4 en de VVD 2 zetels en werd andermaal een coalitie gevormd door de CPN en de PvdA en werden de heren Stek en Danhuis opnieuw tot wethouder benoemd.
De heer Mellema noemde de formatie een klucht en zei het onvoorstelbaar te vinden dat de PvdA, na alle vernederingen die ze van de CPN had moeten slikken, toch met haar in zee was gegaan.
In de raadsvergadering van 27 juni 1989 legde de heer Stek een verklaring af over de positie van zijn fractie in het kader van de Groen Links-formatie en memoreerde aan hetgeen hierover in de raadsvergadering van mei 1983 was gezegd.
Zijn fractie en partij-afdeling distantieerden zich van samenwerking met Groen Links.
Op 1-1-1989 bedroeg het aantal inwoners 3.020.
Bij wet van 14 september 1989 werd de gemeentelijke herindeling van de provincie Groningen een feit en werd een nieuwe gemeente Beerta, later Reiderland geheten, gevormd, bestaande uit de opgeheven gemeenten Beerta, Finsterwolde en Nieuweschans met een inwonertal van ± 7.500 met ingang van 1 januari 1990.
1.2. Literatuur
2. Inventaris
3. Bijlagen
Kenmerken
Datering:
(1805) 1808-1989
Bijzonderheden:
Na 1989 onderdeel van de gemeente Reiderland
Beschrijving:
Inventaris van de archieven van de Gemeente Beerta
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS