Uw zoekacties: Waardassacker en Holendrecht en rechtsvoorgangers (1665-1976)
x52 Waardassacker en Holendrecht en rechtsvoorgangers (1665-1976) ( Waterschap Amstel, Gooi en Vecht )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

52 Waardassacker en Holendrecht en rechtsvoorgangers (1665-1976) ( Waterschap Amstel, Gooi en Vecht )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
Zoektips!

Wildcards kunnen het zoeken vergemakkelijken:

  • Een ? (vraagteken) vervangt een letter
  • Een * (sterretje) vervangt een aantal letters
  • Door een $ (dollarteken) voor een zoekterm te zetten, zoekt u naar woorden die op elkaar lijken.

Meer zoektips vindt u hier.

 
 
1. Inleiding
De Waardassacker en Holendrechter polders hadden reeds van oudsher gemeenschappelijke belangen, welke tenslotte tot hun vereniging hebben geleid. Echter ook elke polder afzonderlijk is weer uit verschillende delen opgebouwd.
De Holendrechter- of Kievietsheuvelsche polder (aldus genaamd naar het landgoed Kievietsheuvel aan de Holendrecht) moet gegroeid zijn uit een vereniging van de eigenlijke Holendrechter- en de Waverpolder, beide natuurlijk gelegen aan de gelijknamige vaarten. In 1615, toen ze zich niet meer in staat achtten met hun kleine molens het water, dat wies, naarmate meer meren en venen rondom ingepolderd werden, weg te werken, besloten ze gezamenlijk een grote achtkanten windwatermolen te plaatsen en te onderhouden en op algemene kosten eenige weteringen en slooten te graven en de noodige kaden aan te leggen. In 1651 waren deze verenigde polders bekend onder den naam van den polder van Aesdom, gelegen aan de Holendrecht en weldra (eind van de 17e eeuw) als de Holendrechter polder. Hij strekte zich uit van den Winkeldijk langs de Waver tot aan het Abcoudermeer. De plaatsing van den gemeenschappelijke molen had de goedkeuring weggedragen van de Heren van het kapittel van St. Pieter te Utrecht, ambachtsheren van beide polders; eveneens met hun goedvinden kwam in 1651 een "schouwbrieff en ordre op de directie" tot stand, waaruit is op te maken, hoe het bestuur was ingericht: jaarlijks maakten de "gemene ingelanden" een nominatie op van 4 personen, eigenaars en ingelanden, 2 uit den Holendrechter- en 2 uit den Waverpolder, waaruit de kapittelheeren 2 heemraden of poldermeesters kozen (uit elken polder één), die met de 2 uit het oude bestuur aangebleven poldermeesters (ook uit elken polder één) het bestuur uitmaakten. Dit bestuur hield toezicht op den molen en deed de schouw over de "dijcken, caden, opstallen, watergangen ende scheyslooten", wier onderhoud dus op de ingelanden rustte. De twee aangebleven heemraden waren "in plaats van den schout" gehouden rekening en verantwoording af te leggen aan "alle geërfden en eigenaers ook wel opgesetenen" van ontvangsten en uitgaven.
De Waardassacker polder is samengesteld uit den Achterdorper en den Aessacker- of Assacker polder. De eerste was de grootste (195 morgen land tegen de Aessacker polder 164 1/2 morgen) en zal wel gezocht moeten worden achter het dorp Abcoude, waar ook de Achterdijk ligt, d.i. de dijk, die het dorp van den polder scheidt. De Assacker polder moet grenzen aan de Winkel, daar in de schepenprotocollen van Abcoude in de 2e helft van de 17e eeuw enige keren gesproken wordt van landerijen, gelegen "in de Winckel, in de Aessacker polder"; tevens moet de Aessacker polder grenzen aan den Holendrechter polder blijkens het "Berigt wegens het onderhouden van de Winckeldijck ofte den ouden Heerenwegh vant huys te Waveren aff tot aen den Aessacker polder in 20 parceelen verdeelt van no. 1 tot no. 20", gesteld achter op een kaartje van ca. 1675, welk kaartje tevens aangeeft waar die 20 perceelen gelegen zijn, bijlage van een bij het bestuur van den Ring van Waardassacker en Holendrecht ingekomen brief van 1861, en dat, volgens deze brief, zou zijn overgenomen van een groote kaart met opschrift "
Afbeelding van de wijdvermaarde en beroemde koopstad Amsterdam met d'omliggende landen, gemeten en geteekent door Dragenham, uitgegeven door Nic. Visser". Waarschijnlijk was dus de Assacker polder het zuid-westelijk, de Achterdorper polder het noord-oostelijk deel van de latere Waardassackerpolder, die besloten lag binnen het Abcoudermeer, het Gein en de Winkel. Van beide polders wordt dikwijls vermeld dat zij lagen "op de waertsijde", waar ook de naam Waarpolder vandaan komt, welke gegeven wordt zoowel aan den Assacker polder (Aassacker- of Waartpolder), als ook aan den Achterdorperpolder, blijkens de in de 17e en 18e eeuw veel voorkomende vermelding Waart- en Assacker polder. Ook is mogelijk, dat soms met Waartspolder de verenigde Assacker- en Achterdorperpolders worden bedoeld, maar een afzonderlijke polder naast deze beide is de Waartpolder zeker niet. Immers op de lijsten van de landerijen van St. Pieter, gelegen onder Proostdij en Aesdom, van 1662 worden als polders slechts genoemd de Broeksijdse-, de Achterdorper-, de Aessacker-, de Waver- en de Holendrechter polders.
Wat nu eigenlijk de Waard of weerd was, waaraan de Achterdorper- en Aessackerpolders hun naam Waartpolder ontleenden (wat later leidde tot de combinatie Waardassacker)) schijnt duidelijk. In bovengenoemde lijsten wordt steeds gesproken van land "op de weert onder Proostdije" of "op de weert onder Aesdom" tegenover "buytendijcks onder Proostdije" of "onder Proostdije op de Broeksijde". Ook de bekende hofstede de Kievietsheuvel, gelegen in den Holendrechter polder wordt vermeld als gelegen "op de weert onder Aesdom". Verondersteld mag dus worden, dat met "weert" of "waart" bedoeld wordt het polderland ten westen en ten zuidwesten van Abcoude, dat dus de "waertsijde" gesteld wordt tegenover de "broeksijde".
Tegen het midden van de 17de eeuw verenigen zich de Aessacker- en Achterdorper polders; in 1665 hadden ze een gemeenschappelijk bestuur, zoals blijkt uit het "Concept van den Schouwbrieff aengaende de waertsijdens polders tot Abcoude, ende specialijck de Achterdorper en de Aessacker moolens aldaer" van 4 juni 1665, welk concept 21 juli 1665 door de Staten van Utrecht werd goedgekeurd. Hierin werd vastgesteld, dat het bestuur van deze polders zal bestaan uit 2 poldermeesters, uit elke polder één, gekozen jaarlijks door en uit de ingelanden: zij hielden, met schout en secretaris, de schouw, minstens tweemaal 's jaars, over de weteringen grote en kleine wetering, binnenwateren naar de molens, waarop de sloten uitmonden, hoofdeningen, scheislooten en de ringkade, welke werken dus alle door de ingelanden moesten onderhouden worden. De poldermeesters legden rekening en verantwoording af van de ontvangen boeten, die voor een deel ten goede van het algemeen kwamen.
Nog nauwer werd de verbinding tussen de Assacker- en Achterdorper polders, "op de waertsijde". toen ze in 1671 overeenkwamen, voortaan ook hun bemaling gemeenschappelijk te doen en in plaats van 2 molens, de Dorper- en den Assackermolen, een suffisante achtcante" molen te stellen op de plaats vanden ouden Aessackermolen. Waarschijnlijk is dit wel dezelfde plaats, waar later de molen van Waardassacker, genaamd de "Waard" stond, daar deze zich in het uiterste zuid-westen van de polder bevond, dus op het gebied van den voormaligen Assacker polder. Dit vermoeden wordt bevestigd door de "Caerte van Abcoude der E. Heeren van St. Pieters gerechte" van 1613: ook staat hierop achter het dorp Abcoude de "Roode molen" geteekend, waarschijnlijk de oude Dorpermolen. De molen achter het dorp maalde het water in het Gein, en daar deze vaart niet zoo diep was als de Waver, waarin de Assackermolen maalde (hierbij moet men in het oog houden, dat, zoals ook op bovengenoemde kaart blijkt, dat deel van de Winkel, gelegen tussen de Stokkelaarsbrug en den molen, vroeger ook de Waver heette), liet men voor het plaatsen van de grotere molen de keuze vallen op de plaats van de oude Assackermolen. Doch dit besluit kwam niet tot stand dan na vele jaren van verzet van de kant van de ingelanden van de Achterdorperpolder, die vreesden dat een molen, gelegen op de laagste plek, als de Assackermolen, hun hoger gelegen velden te vroeg droog zou maken.
Zo waren dus uit een viertal kleine polders twee grotere polders gegroeid. Ze werden gescheiden door een kade, genaamd de Streng of de Schinkel, welke het eigendom was van een aantal ingelanden van den Waardassacker polder, die tot het onderhoud ervan verplicht waren, waarvoor ze jaarlijks een toelage uit de polderkas kregen. Dit was echter slechts een lage kade, die de lager gelegen Waardassacker polder moest beschermen tegen het water van de Holendrechter polder, maar de grote dijken tegen het buitenwater vormden een ring om beide polders heen. Reeds voordat de boven vermelde vereniging van de binnenpolders plaats had gevonden, kreeg men behoefe aan toezicht op de gemeenschappelijke buitendijken. De "gemene ingelanden van de Waertsijder ende Aessacker polder, mitsgaders de vordere cleyne polderkens gelegen in Proostdije en Aesdom, der Ed. Heeren Deecken ende Capple van St. Pieters kercke tot Ut. haer gerechte tot Abcoude, streckende alle deselvige polders van de Stokkelaersbrugge bij de Waver heenen tot de Voetangel ende voorts vervolgens bij de Holendrecht in de Abcoudermeer heenen, door Abcoude ende door de Winckel totte voors. Stokkelaarsbrugge toe, besluytende alsoo eene totale ring" verzochten in april 1638 de Staten van Utrecht om brieven van octrooi, ten einde behoorlijke schouw over deze dijken te kunnen houden, waartoe zij een dijkgraaf en heemraden met een secretaris wensten aan te stellen.
Zo onstond een gemeenschappelijk bestuur voor toezicht op het onderhoud van deze ringdijken, die verhoefslaagd waren, en herstel ervan, als, buiten schuld van de verhoefslaagden, dijkdoorbraak plaats greep. Daarnaast bleven de afzonderlijke besturen van de binnenpolders bestaan, evenals de afzonderlijke bemalingen.
Deze ingewikkelde bestuursinrichting is vastgelegd in het reglement van de Ring van Waardassacker en Holendrecht van 29 mei 1790, goedgekeurd door de Staten van Utrecht op 6 juli 1790, welk reglement tot het midden van de 19de eeuw van kracht is geweest. Hierin was bepaald dat de schouw van de ringdijken minstens twee maal 's jaars moest geschieden door het bestuur van den Ring, bestaande uit een dijkgraaf en 4 heemraden, bijgestaan door de secretaris en den bode van het gerecht van Abcoude-Proostdij en Aasdom. De heemraden waren tot wederopzeggens toe aangesteld: om beurten was één van hen 2 jaar lang dijkgraaf. Waarschijnlijk waren er, met de dijkgraaf meegerekend, 4 heemraden, dus eigenlijk een dijkgraaf en 3 heemraden: deze toestand vindt men althans in de 2e helft van de 19de eeuw.
De Holendrechter- en Waardassacker polders werden ieder "als van ouds" bestuurd door poldermeesters, gekozen door en uit de hoofdingelanden. In de Holendrechter polder waren 3, in de Waardassacker polder 2 poldermeesters: jaarlijks trad in iedere polder één af. Ze hadden toezicht op den molen en schouwden, minstens tweemaal 's jaars, de binnenkaden en -dammen, kweldammen, weteringen, hoofdeningen, slooten enz. en werden daarbij geassisteerd door een schout en een secretaris. Ook was er "als van ouds" een gader- of penningmeester, die de molengelden gaderde, de molenlasten uitzette en eenmaal 's jaars van ontvangsten en uitgaven rekening en verantwoording aflegde. De zoogenaamde Koppellanden, d.w.z. de landen ten oosten van den Koppeldijk, moesten bij die uitzetting anderhalf maal zoveel per morgen betalen als de overige landerijen in den polder van Waardassacker. De Koppeldijk, die deze landen van de rest van de polder afscheidde, was geen waterkering meer, maar een openbare weg, onderhouden door den Waardassacker polder.
In het midden van de 19de eeuw, toen de verschillende polderbesturen door de Gedeputeerde Staten van Utrecht werden aangeschreven tot het opmaken van een bijzonder reglement voor hun waterschappen voor zaken, overgelaten door het algemeen reglement voor de waterschappen in de provincie Utrecht aan de bijzondere regelingen, en die, waarin het algemeen reglement niet voorzag, kwam ter sprake, of het niet beter zou zijn, die omslachtige en kostbare bestuursinrichting van beide polders te veranderen en ze te verenigen onder één bestuur.
Dit, zoowel als het voorstel van de Gedeputeerde Staten, dat beide besturen zouden blijven bestaan, maar op elkaars beheer van de ringdijken toezicht zouden uitoefenen, om daarover eventueel bij de Gedeputeerde Staten klachten in te brengen, zodat dus het bestuur van den Ring overbodig zou worden, vond evenwel veel tegenstand, zoowel bij de besturen als bij de ingelanden, die achtten, dat het voordeel, verkregen door vereenvoudiging van de administratie, niet opwoog tegen het nadeel. Dit laatste zou vooral daarin gelegen zijn, dat vele zaken bij het gemeenschappelijk bestuur in behandeling zouden komen, waarbij de helft van de bestuursleden geen belang zou hebben. Men moest ook het bestuur van de Ring niet beschouwen als een oppercollege, maar als een college, waaraan alleen de schouw over de ringdijken was opgedragen. Daar dus een vereniging mislukte, werden bijzondere reglementen voor den Ring Waardassacker en Holendrecht vastgesteld, die afweken van de principes, vastgesteld in het algemeen reglement voor de waterschappen. Deze reglementen gingen in hoofdzaak terug op het oude reglement van 1790; alleen kwam steeds meer het onderhoud van polderwerken ten laste van het algemeen.
Wederom kwam de vereniging der Waterschappen ter sprake in 1912, aanhangig gemaakt door het bestuur van den Waardassacker polder die, door de aanhoudende regens, hevig van het water te lijden had gehad en nu uitzag naar betere bemaling. Daar echter een moderne stoom of motorbemaling (zelfs werd gedacht over het allermodernste: electrische bemaling) voor één zo klein waterschap te kostbaar was, kwam men, via het voorstel tot gezamenlijke bemaling met machine of motor, tot dat van vereeniging. De zaak stuitte in de gecombineerde bestuursvergadering van Holendrecht en Waardassacker van 31 dec. 1913 echter af op de kwestie, waar het stoomgemaal zou staan: ieder bestuur wilde het in zijn polder hebben. Hernieuwd werd de zaak in 1916. Toen werd men het in de gecombineerde bestuursvergadering van den Ring, Holendrecht en Waardassacker erover eens, dat het stoomgemaal in de Holendrechterpolder geplaats moest worden. Deze neiging tot vereniging werd nu door de Gedeputeerde Staten benut, met dat gevolg dat in 1918 bepaald werd, dat de waterschappen Holendrecht en Waardassacker met ingang van 1 jan. 1919 zouden worden opgeheven en dat hun rechten en functiën zouden overgaan op het waterschap den Ring van Waardassacker en Holendrecht, dat nu voortaan zou heten het waterschap Waardassacker en Holendrecht. Een nieuw reglement voor dit waterschap kwam in 1918 tot stand, waarbij de kwestie van zijn bemaling aan het waterschap zelf werd overgelaten. Het bestuur zou bestaan uit dijkgraaf en 3 heemraden, gekozen door en uit de stemgerechtigde ingelanden. De Koppellanden werden nu geheel beschouwd als binnen het waterschap gelegen en hadden dus geen buitengewone lasten meer op te brengen. Ook moesten voortaan alle buitendijken zoowel als de Streng op kosten van het algemeen bestuur onderhouden worden.
2. Inventaris (tot 1918) en plaatsingslijst (na 1919)
Kenmerken
Datering:
1665-1976
Soort toegang:
inventaris
Beschrijving:
Waardassacker en Holendrecht (1919-1976) en rechtsvoorgangers. Ring der Waardassacker en Holendrechter waterschappen (1665-1919)
Rechtsopvolger:
Proosdijlanden, HAV
Omvang:
8,00 meter
Openbaarheid:
volledig
Soort archief:
Archieven van waterschappen
Categorie:
Archiefvormer(s)::
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS