Uw zoekacties: Vereniging Protestants-Christelijke Lerarenopleiding voor No...
x0990 Vereniging Protestants-Christelijke Lerarenopleiding voor Noord- en Oost-Nederland te Zwolle ( Historisch Centrum Overijssel (HCO) )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

0990 Vereniging Protestants-Christelijke Lerarenopleiding voor Noord- en Oost-Nederland te Zwolle ( Historisch Centrum Overijssel (HCO) )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
Met het inwerking treden van de Wet op het Voortgezet Onderwijs (1968), beter bekend als de 'Mammoetwet', werd tevens de toon gezet voor een nieuw landelijk spreidingsbeleid voor de opleidingen van leraren. Voor de nadere invulling van deze wet werd in 1963 de Commissie Opleiding Leraren opgericht, kortweg de COL genaamd. Onder voorzitterschap van dr. J.B. Drewes droeg deze commissie vernieuwingsplannen aan voor de toekomstige opzet van opleidingen voor docenten in het voortgezet onderwijs. In een interim-rapport uit 1966 stelde de commissie voor de lerarenopleidingen te centraliseren en voor alle akten een combinatie van twee vakken verplicht te stellen. Tevens zouden deze op te zetten Nieuwe Leraren Opleidingen (NLO's) gelieerd moeten zijn aan een universiteit. De uitvoering van deze plannen hield een drastische herziening in van de toen bestaande landelijke spreiding van opleidingen voor docenten en de Middelbare Opleidingen (MO). Op voorstel van de rectoren van de Middelbare Opleidingen besloot de minister de op te richten Nieuwe Leraren Opleidingen te binden aan bestaande Middelbare Opleidingen. Twee jaar na het in werking treden van de Mammoetwet, (1970) gingen de eerste twee NLO's van start. Eén aan de Katholieke Leergangen te Tilburg en één aan de Vrije Leergangen van de Vrije Universiteit te Amsterdam. Vijf andere zouden nog volgen. Dit betekende in de praktijk dat de Vrije Leergangen aan de Vrije Universiteit de enige lerarenopleiding met een Protestants Christelijke signatuur was.
Deze gang van zaken leidde er toe dat drie in hun voortbestaan bedreigde scholen met een leraressenopleiding in Noord-Nederland het initiatief namen om te streven naar de stichting van een Nieuwe Leraren Opleiding voor beroepsgericht onderwijs. Deze NLO zou verbonden worden aan de Vrije Leergangen van de Vrije Universiteit en bij voorkeur gesitueerd worden in het Noorden van het land. Honderdenvijftien scholen in het Noorden betuigden hun adhesie en de Vrije Leergangen alsmede de Besturenraad Protestants-Christelijk Onderwijs te Voorburg zegden hun medewerking toe. De toenmalige minister van Onderwijs, mr. C. van Veen, verleende echter geen toestemming en gaf in 1972, tijdens een audiëntie op het ministerie, te kennen dat het beleid ten aanzien van de Vrije Leergangen gericht was op het vervullen van een landelijke functie. Bij de spreiding van de NLO's over het land was zijns inziens voldoende rekening gehouden met levensbeschouwelijke aspecten. Tevens vond hij het niet bezwaarlijk dat aankomende leraren uit het Noorden de lange reis naar Amsterdam dienden te maken. Immers, studenten aan de Vrije Universiteit schikten zich al jaren in deze omstandigheid. Bij een nieuwe poging later dat jaar slaagde men er wederom niet in om tot een vergelijk tekomen, waarna een comité werd opgericht ter behartiging van de Protestants-Christelijke onderwijsbelangen. Hierin namen vertegenwoordigers uit het Noorden, Drenthe en Overijssel plaats. Slechts één van de zeven NLO's droeg de Christelijke signatuur en men voelde zich duidelijk tekort gedaan bij de levensbeschouwelijke verdeling van NLO's.
Op grond van het gegeven dat 23,5% van het onderwijs Christelijk van karakter was stelde men recht te hebben op een tweede Christelijke NLO. Begin 1973, tijdens een bijeenkomst van belanghebbenden in de buitensociëteit te Zwolle werd een resolutie aangenomen die een tweede Christelijke NLO bepleitte. volgens de opstellers, onder wie ook de rector van het Meandercollege te Zwolle, drs. G. Veenhoven, had bij het spreidingsbeleid de aanwezigheid van een universiteit zwaarder gewogen dan de spreiding van levensbeschouwingen over het land. Op 6 maart werd het comité omgezet in de Stichting Protestants-Christelijke Opleiding van Leraren voor Noord en Oost Nederland. Drs. G. Veenhoven werd benoemd tot voorzitter. In de nog die zelfde dag aan het ministerie verzonden voorlopige aanvrage werd Zwolle als vestigingsplaats genoemd. In een tijd waarin de samenleving in toenemende mate seculariseerde en ontzuilde was het zaak om het streven van de stichting -een expliciet Christelijke lerarenopleiding- naar de politiek te legitimeren. Hiertoe werd onder scholen in het Noorden en Oosten van het land een enquête verspreid waaruit de behoefte aan Christelijk onderwijs moest blijken.
De uitslag van de enquête had geen directe verandering in het overheidsbeleid tot gevolg. De omslag vond plaats in april 1977, toen minister Van Kemenade van onderwijs bekend maakte dat, naast Sittard en Eindhoven, ook in Zwolle plaats was voor een nieuwe lerarenopleiding. De ruimte voor deze opleidingen zou gecreëerd moeten worden door een verlaging van de financiën en het aantal nieuw toe te laten studenten aan de reeds bestaande opleidingen. Tevens diende de MO-opleidingen voor deeltijd onderwijs te worden afgebouwd. Dat de bestaande opleidingen met deze voornemens niet gelukkig waren is vanzelfsprekend. Toen bekend werd dat de plannen doorgang zouden vinden werd de Stichting in 1977 omgezet in een vereniging, die in 1978 al meer dan 200 schoolbesturen als lid telde. Op deze wijze smeedde men een hechte band met de achterban en het werkveld. Met de fusie van 1986 is deze constructie te niet gedaan. Het uiteindelijke doel bereikte men in 1979: in augustus van dat jaar ging de Christelijke Lerarenopleiding Zwolle van start aan het Assendorperplein. De CLZ leidde leraren op voor de vakken: Nederlands, Engels, Wiskunde en Natuurkunde. In 1980 kwamen daar Tekenen en Handvaardigheid bij en in 1981 Geschiedenis en Aardrijkskunde. In 1984 kreeg de CLZ toestemming om een afdeling deeltijdonderwijs (MO) op te zetten. De aldaar gegeven vakken waren: Biologie, Economie, Natuur- en Scheikunde en Theologie.
Bij de aanvang in augustus 1979 werd de CLZ tijdelijk gehuisvest in het oude gebouw van de Hervormde Kweekschool aan het Assendorperplein, dat al na een jaar te klein bleek. Noodhuisvesting werd gevonden aan de Fuchsiastraat, de Bagijnesingel en een gedeelte van de Marnixschool aan de Parkstraat. Voor de toekomst was het plan om aan te sluiten bij de nieuwbouwplannen van de Christelijke HEAO en samen een nieuw gebouw te realiseren. Deze nieuwbouw zou verrijzen op het terrein dat nu bekend staat als de 'Campus'. op 19 januari 1983 kwam de toenmalige minster van Onderwijs en Wetenschappen, drs. W.J. Deetman, naar Zwolle om de eerste paalslag te verrichten. In dat zelfde jaar verscheen de ministeriële nota Onderwijs, Taakverdeling en Concentratie (STC), waarbij het scholen verplicht werd gesteld samenwerkingsverbanden aan te gaan. Het in de nota genoemde minimum aantal studenten aan een HBO-instelling werd gesteld op 600, waardoor samenwerking met andere HBO-instellingen ook voor de CLZ onvermijdelijk werd. In augustus 1986 gingen de beide afdelingen van de CLZ (NLO en MO) op in de Christelijke Hogeschool Windesheim. Een jaar later werd de CLZ onderdeel van de sector Hoger Pedagogisch Onderwijs.
De CLZ valt bestuurlijk onder de vereniging Protestants Christelijke Opleiding voor Leraren voor NO Nederland. De vereniging heeft een bestuur. Leden van de vereniging zijn de toekomstige werkplekken voor de afgestudeerden, te weten de scholen in de regio. De CLZ zelf kent verschillende opleidingseenheden (neag, wina, tehatex) met aan het hoofd van zo'n eenheid staat een Hoofdocent. Er is een Instituutsraad (I.R.) met vertegenwoordigers uit alle geledingen, bestuur en directie en studenten. De IR wordt met het van kracht worden van de wet op de medezeggenschapsraad (1984) omgezet in een MR. Verder is er een veelheid aan commissies geweest die zich met specifieke onderwerpen bezig heeft gehouden. De positie van de directeur lijkt de meest bepalende binnen de organisatie. Hij is de schakel tussen het bestuur en de school.
1. Verantwoording van de inventarisatie
Inventaris
1. Algemeen
2. Bijzonder
3. Documentatie
Kenmerken
Datering:
1972 - 1986
Omvang archiefblok:
10 m
Toegang:
Andreas, M., Inventaris van het archief van de Vereniging Protestants Christelijke Lerarenopleiding voor Noord en Oost Nederland (CLZ) te Zwolle, 1972 - 1986, Zwolle (1995).
Bijzonderheden:
Oud SA023. Deel zes van "Inventarissen van de archieven van de rechtsvoorgangers van de Christelijke Hogeschool Windesheim 1909-1986 (1992)".
Openbaarheid:
Stukken betreffende nog levende personen zijn niet openbaar.
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS