Uw zoekacties: Burgerweeshuis of Huis der Wezen te Zwolle
x0902.1 Burgerweeshuis of Huis der Wezen te Zwolle ( Historisch Centrum Overijssel (HCO) )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

0902.1 Burgerweeshuis of Huis der Wezen te Zwolle ( Historisch Centrum Overijssel (HCO) )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
Het Zwolse weeshuis moet omstreeks 1550 zijn gesticht, maar de stichtingsakte is helaas niet bewaard gebleven. In het register van stadsambtluden komen de provisoren voor het eerst voor in 1559. Zij moesten ten overstaan van twee leden van de magistraat rekenschap afleggen van hun beheer. Het oudste reglement dat dateert uit 1584, is vastgesteld naar voorbeeld van het reglement van het weeshuis te Amsterdam. Hierin staat dat het weeshuis gesticht is "tot inneminghe ende onderholt van arme, verlaetene weeskinderen bij handtreickinge van guede menschen". Opgenomen werden krachtens dit reglement slechts die kinderen wier ouders het kleine of grote burgerrecht der stad Zwolle verworven hadden, en beiden overleden waren. De kinderen mochten bovendien niet ouder zijn dan 9 jaar. In 1580 kreeg in Zwolle de hervorming definitief de overhand. De stedelijke regering heeft toen zeggenschap gekregen over een aantal stichtingen, die te voren bestemd waren voor de katholieke eredienst. Aan de wezen werd toen onderdak geboden in het voormalige Buschklooster. In 1582 werd dit klooster, staande aan de Grote Aa-thans Gasthuisplein- voor een deel als weeshuis ingericht, terwijl het overige gedeelte gereserveerd bleef voor de kloosterlingen. Nadat de oorspronkelijke bewoners waren uitgestorven (opneming van nieuwe kloosterlingen was verboden) werd dit klooster omstreeks 1600 in zijn geheel als weeshuis gebruikt. Ook vielen toen alle goederen en inkomsten van het klooster aan het weeshuis toe. In 1655 kwam een tweede reglement voor het weeshuis nu Burgerweeshuis genoemd tot stand. Het gaf een verruiming van de mogelijk-heid om als wees opgenomen te kunnen worden. Tevens werd bepaald dat de kinderen "in de waere gereformeerde religi opgebracht moesten worden". In de loop der 17e en 18e eeuw verwierf het weeshuis zich nog andere inkomsten, zodat het zich financieel tot 1795 behoorlijk kon redden.
Door de Franse revolutie ging enerzijds de betekenis van het burgerrecht verloren terwijl anderzijds de vereniging tot stand kwam met het Holdehuis. De menselijkheid eiste reeds lang dat men ook iets deed voor de wezen wier ouders niet het burgerrecht verworven hadden. Zo werd reeds in 1647 een stichting in het leven geroepen ten behoeve van de vreemde wezen-bedoeld zijn de wezen van niet-burgers-gevormd uit de fondsen van de armenkamer. Deze stichting had ten doel de vreemde wezen uit te besteden. In 1648 kwam voor deze stichting het eerste reglement tot stand. Korte tijd later gevoelde men evenwel de behoefte om ook voor deze vreemde wezen een eigen tehuis op te richten. Er werden collectes gehouden en in 1669 was er zoveel geld ingezameld dat men de gebouwen van het vroegere St. Caecilienconvent in de Nieuwstraat kon inrichten als weeshuis. Opvallend is dat deze collectes en bijdragen niet werden gestort in de kas van de stichting der vreemde wezen maar uitdrukkelijk werden aangewend om een huis voor arme vreemde wezen op te richten, het zgn. Holdehuis. Spoedig verwierf deze stichting die dus naast de al bestaande stichting ten behoeve van de vreemde wezen kwam te staan ook eigen inkomsten. In het Holdehuis werden de vreemde wezen opgenomen en werden tevens die burgerwezen opgevoed, die ouder waren dan 14 jaar. Later vonden er zelfs ook krankzinnigen onderdak tegen betaling van een wekelijks kostgeld.
Vanaf 1670 is de verhouding tussen het Holdehuis en de stichting der vreemde wezen als volgt geregeld: de stichting der vreemde wezen, die zelf geen weeshuis exploiteerde, droeg zijn netto-inkomsten over aan de provisoren van het Holdehuis, een stichting met eigen inkomsten, die daarmee en met het geld van de vreemde wezenstichting een weeshuis exploiteerde voor kinderen, die niet opgenomen konden worden in het Burgerweeshuis. Het regentencollege was hetzelfde, maar de funktie der regenten was ten opzichte van beide stichtingen verschillend. Het geldelijk beheer van de stichting der vreemde wezen geschiedde door de rentmeester der vreemde wezen, dat van het Holdehuis door de provisoren van de arme vreemde wezen.In de 18e eeuw genoot het Holdehuis nog de opbrengst van verschillende stedelijke belastingen, zoals het poortgeld, turfmandengeld en het staangeld op de beestenmarkt. Zoals uit het boven-staande blijkt konden de netto- inkomsten van de stichting der vreemde wezen sedert het bestaan van het Holdehuis niet meer toenemen, maar in 1795 bestond zij nog wel. In 1795 is een fusie tot stand gekomen tussen het Burgerweeshuis en het Holdehuis en de stichting der vreemde wezen. Een direkte verbetering voor het lot van de ouderloze kinderen in Zwolle betekende dit niet.
De gebouwen van het Burgerweeshuis werden in 1795 gebruikt voor de verzorging van gewonde Engelse soldaten zodat de kinderen overgebracht moesten worden naar het Holdehuis in de Nieuwstraat. Daar zijn ze ook gebleven, hoewel aanvankelijk tegen de vereniging wel bezwaar bestond. Door de elkaar snel opvolgende bestuurscolleges in de periode 1795-1813 is er waar-schijnlijk niet direkt een nieuw reglement vervaardigd. Tot 1833 had men zich te houden aan twee verschillende reglementen. De praktijk was intussen dat men na 1795, toen het gecom-bineerde weeshuis de naam van "Huis der Wezen" gekregen had, alle wezen opnam, die jonger waren dan 14 jaar, met uitzondering van onwettig geboren kinderen. Tegen betaling konden evenwel ook wezen opgenomen worden die ouder waren dan 14 jaar benevens krankzinnigen. In 1833 kwam eindelijk een nieuw reglement tot stand. Had men tevoren de financiële administratie nog streng gescheiden gehouden, van nu af aan is er werkelijk sprake van de volkomen fusie van de bovengenoemde stichtingen. Het nieuwe reglement bevatte de grondslagen van het bestuur en de inrichting van het Huis der Wezen. Het bestuur over het Huis der Wezen der hervormde gemeente werd voortaan, onder het oppertoezicht van B. en W., uitgeoefend door tenminste 3 personen, door de raad benoemd uit de ingezetenen der gemeente Zwolle, die van de hervormde godsdienst moesten zijn. Op 1 januari van elk jaar trad één lid af, die echter herkiesbaar was. Uit zijn midden benoemde het bestuur een voorzitter, een vice-voorzitter (secretaris) en een penningmeester (thesaurier). De werkzaamheden van het bestuur bestonden uit het beheer en de waarneming van alle belangen van het Huis der Wezen en zijn bewoners.
Opgenomen konden worden wettig geboren kinderen van ouders van de hervormde godsdienst, die voor hun overlijden 4 jaar in Zwolle gewoond hadden, indien zijn geen goederen bezaten, waaruit zij konden worden opgevoed. Wezen van ouders die van de armen bedeeld waren werden evenwel uitgesloten. De kinderen werden opgenomen, nadat voogden of bloedverwanten daartoe een verzoek bij B. en W. hadden ingediend. Op dergelijke verzoeken plachten B. en W. slechts te beslissen na het bestuur van het Huis der Wezen te hebben gehoord. De wezen dienden tot nuttige leden der maatschappij te worden opgevoed. De kinderen in het weeshuis varieerden in leeftijd van 0 tot 21 jaar. Tot 1882 werden de kinderen door een eigen schoolmeester onderwezen. Na het lager onderwijs werd aan de jongens een ambacht geleerd, de meisjes kwamen in de huishouding bij verschillende families terecht. Na ca. 1930 werden de kinderen ook naar middelbare scholen gestuurd. Tot 1933 gingen de kinderen getooid in de zgn. wezenkleding.
Bij het verlaten van het weeshuis kregen de kinderen een uitzet mee. Vaak bleef de thesaurier het geld van de weeskinderen beheren, ook al hadden zij het weeshuis verlaten. Voor het personeel ontwierp het bestuur zelf instructies. Het reglement van 1833 werd in 1855 door een volgend reglement vervangen. De benaming van het weeshuis werd toen, zoals de benaming thans nog is: het weeshuis der hervormde gemeente te Zwolle. Deze benaming is eigenlijk onjuist omdat de hervormde gemeente te Zwolle geen enkele zeggenschap had over het weeshuis. De inkomsten bestonden aanvankelijk uit huur, pacht en rente. Het land van het weeshuis lag voornamelijk om de stad. Wegens uitbreiding van de stad heeft het weeshuis veel grond aan de gemeente moeten verkopen. Vaak bedong het weeshuisbestuur hierbij evenwel dat het in ruil voor de afgestane grond andere percelen, dichtbij de stad gelegen, terug zou krijgen. De batige saldi werden gebruikt om grond aan te kopen, of in effecten belegd. Ook werden veel hypotheken aan particulieren verstrekt.
Na 1920 werd er een reserve-kapitaal gevormd voor een nieuw te bouwen weeshuis. De financiële toestand van het weeshuis werd na 1935 evenwel slechter. De batige saldi verdwenen en het reserve-kapitaal moest zelfs worden aangesproken terwijl tegelijkertijd de toestand van het weeshuisgebouw nieuwbouw dringend gewenst maakte. Het aantal wezen daalde inmiddels sterk. Werden in 1836 in het weeshuis nog 92 kinderen verpleegd, in 1950 waren er nog maar tien. Zodoende werd overwogen of het niet beter zou zijn over te gaan tot gezinsverpleging. In 1952-1953 werd inderdaad besloten op te houden met de gestichtsverpleging. Het gebouw werd verhuurd en is later wegens het bestemmingsplan "Stadskern Zwolle binnen de grachten" aan de gemeente Zwolle verkocht voor sloop. Vóórdat men hier toe echter over kon gaan, brandde het in juli 1960 door nog onopgehelderde oorzaak af. Het college van B. en W. heeft in het verleden enkele keren tevergeefs geprobeerd de bestemming van het weeshuis te wijzigen. Het bestuur van het weeshuis wilde hier echter niet van weten en bleef steeds vasthouden aan de oorspronkelijke bestemming namelijk dat het bestemd was voor kinderen van overleden Zwolse ouders, die hervormd waren. Toen na 1950 het aantal wezen aanzienlijk verminderde ging het bestuur van het weeshuis ertoe over ook instellingen met een hervormd karakter te Zwolle jaarlijks een financiële ondersteuning te geven, omdat de financiële middelen van het weeshuis door het wegvallen van de noodzaak een nieuw weeshuis te bouwen en de daling van het aantal uit te besteden wezen weer aanzienlijk ruimer werden.
Het archief van Holdehuis, Burgerweeshuis en Vreemde Wezen is in de loop der tijd nogal verspreid geraakt. Het gedeelte van het weeshuisarchief dat tevoren sedert 1960 bewaard werd in het depot van de Arrondissements-rechtbank te Zwolle, waar het materieel gezien redelijk goed geconserveerd is gebleven werd in 1970 naar de gemeentelijke archiefbewaarplaats overgebracht. Van een oude ordening van dit archiefgedeelte viel weinig te bespeuren. Wel heeft men omstreeks 1875 een lijst opgemaakt van de archiefbescheiden die zich toen in het weeshuis bevonden. Opvallend is dat hierop slechts de toen aanwezige delen vermeld werden. Bij nadere bestudering bleek deze lijst zeer onvolledig. Ook waren de archiefbescheiden van de drie stichtingen in een willekeurige volgorde vermeld. Nadat ik de stukken van het weeshuisarchief voorlopig beschreven had, kwam het mij-na overleg met mijn mentor-gewenst voor 1833 als het beginjaar van het door mij te inventariseren weeshuisarchief aan te houden, enerzijds omdat zich bij de in 1970 overgebrachte archiefbes-cheiden van het weeshuis met een totale planklengte van 24 meter slechts enkele stukken van vóór die datum bevonden, terwijl zich anderzijds in het administratief archief van de gemeente Zwolle van vóór 1813, dat reeds tientallen jaren in de gemeentelijke archiefbewaarplaats bewaard wordt, het archief van vóór die datum bevindt. Dit beginpunt is bovendien niet alleen te verdedigen als een gevolg van deze feitelijkheden, maar is ook archieftechnisch als het begin van een geheel nieuwe situatie voor de administratie van het weeshuis te beschouwen. Immers, in 1833 trad als gevolg van een geheel nieuw reglement een op geheel andere basis steunend bestuur op, terwijl ook de fusie van de drie vroeger van elkaar onafhankelijke stichtingen toen op administratief gebied werkelijk in de praktijk een feit werd.
Voorzover mogelijk werd bij de inventarisatie uitgegaan van de oude ordening. Tijdens de beschrijving bleek evenwel dat de verschillende nieuw opgetreden thesauriers de hen overgeleverde bescheiden niet altijd naar hun aard hebben begrepen, zodat soms delen, die hoewel afgesloten maar nog niet volgeschreven, later weer voor een ander administratief doel gebruikt werden. Ook verklaart deze handelwijze naar mijn mening, de vorming van delen die elkaar overlappen en doublures. Uiteraard gaf dit verschijnsel voor de ordening de nodige problemen. Nadat het archief voorlopig door mij beschreven was, waren er op sommige punten en in bepaalde series duidelijk hiaten te constateren. Bij een daarom ingesteld onderzoek bleken er bij enkele regenten inderdaad thuis nog archiefbescheiden aanwezig te zijn. Het kostte toen enige tijd om deze regenten er toe over te halen deze stukken die zij voor de lopende administratie toch niet meer nodig hadden, aan de gemeentelijke archiefdienst over te dragen. Helaas bevonden deze archiefbescheiden zich niet in materieel al te goede staat. Als einddatum van het geïnventariseerde gedeelte van het weeshuisar-chief werd het jaar 1960 gekozen, enerzijds omdat de regenten voor hun lopende administratie de stukken van na 1960 nog niet wilden overdragen, anderzijds omdat zoals boven uiteengezet de funktie van het weeshuis toen wezenlijk ging veranderen, wat zijn weerslag in de gevoerde administratie vond, terwijl voorts het gebouw werd afgestoten.
1. Geraadpleegde literatuur
Inventaris
1. Algemeen
2. Bijzonder
Kenmerken
Datering:
1833 - 1960
Omvang archiefblok:
14,50 m
Toegang:
Huijsmans, W.A., Inventaris van het archief van het Weeshuis der Hervormde Gemeente te Zwolle, 1833 - 1960, Zwolle (1972).
Bijzonderheden:
Oud: IA002.
Openbaarheid:
Het archief is openbaar.
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS