Uw zoekacties: Herman Wolberts-Armenhuizen te Zwolle
x0872 Herman Wolberts-Armenhuizen te Zwolle ( Historisch Centrum Overijssel (HCO) )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

0872 Herman Wolberts-Armenhuizen te Zwolle ( Historisch Centrum Overijssel (HCO) )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
De Kromme Jak is een nauw straatje in de binnenstad van Zwolle, in het oudste gedeelte gelegen, omzoomd door vervallen en somber aandoende panden, waarin weinig leven te bespeuren valt. Haar naam ontleent zij aan haar eigenaardige loop, die zich als het ware uitstrekt over twee zijden van een driehoek, waarvan de basis wordt gevormd door de Koestraat. Bij de top van de driehoek liggen tegenover elkaar twee behuizingen, die eertijds als de burgemeester-Wolberts-Armenhuizen bekend stonden.
Vrijwel de enige bron voor de geschiedenis van deze Armenhuizen wordt gevormd door twee grotendeels identieke registers, stammende uit de 17e eeuw. Wie deze registers openslaat, leest op het titelblad: "Reglement van de twee armenhuisen in den Crommejacke, achter den olden S. Olof tot Swolle, gegeven bij testament van sal. Hermen Wolberts, tijt sijns levens borgemeister van Swolle ende juffer Lumme van Wilssem, eheluyden, met een beneficie van gelde jaerlix ende te employeren als hierinne te vinden". Bijgevoegd is nog een aanhaling uit Mattheus, nl. 25:40 : "Voorwaer segge Ick u: alwat ghij desen minsten gedaen sult hebben, 't selve hebt ghij Mij gedaen".
In het testament, waarvan hier sprake is en dat op 19 mei 1637 aan schepenen van Zwolle werd overgegeven, bestemmen de testateur en zijn vrouw de twee woningen tot een behuizing voor vijf arme vrouwen en vermaken zij tot onderhoud van dezen een bedrag van 14 goudgulden per persoon jaarlijks, tezamen dus 70 ggl. Met de uitvoering van deze bepalingen werden de wederzijdse erfgenamen belast, die ook geacht werden het regentschap op zich te nemen.
Na het overlijden van Hermen Wolberts in 1637 en dat van zijn vrouw in 1644, ontstond evenwel onenigheid over het te volgen beleid, met als gevolg, dat er gedurende de eerste jaren van beleid niet of nauwelijks sprake was. Eerst in 1648 werd dor Henric Wolfsen, één der erfgenamen, een provisionele rekening opgesteld en pas in 1651 kwam een definitieve tot stand. Zoals hieruit blijkt, trad een van de erfgenamen-regenten als rentmeester op. Het lag in de bedoeling, dat deze om de twee jaar rekening en verantwoording zou afleggen voor zijn mede-collatoren, waarna hij door één van dezen zou worden afgelost, maar daar is in de praktijk weinig van terechtgekomen. Het viel niet mee om een doelmatig financieel beleid te voeren. De erfgenamen, die voor de jaarlijkse uitkering van 70 ggl. zorg moesten dragen, waren daar bepaald niet vlot mee, terwijl de overige bronnen van inkomsten, bestaande uit enkele legaten en obligaties, beperkt waren. Van kapitaal was dan ook nauwelijks sprake. Wat betreft de beneficiantes, deze moesten "vredelievend, erlik en onbesproken" zijn, weduwe of ongehuwd en lid van de Gereformeerde Kerk. Het is niet duidelijk, wanneer precies de eersten van deze hun op één na laatste aardse rustplaats betrokken hebben, maar in elk geval nog vóór het overlijden van Lumme van Wilssem in 1644. Overigens werden niet vijf, maar vier vrouwen opgenomen, twee in elke woning. Het zodoende resterende 5e part van 14 ggl. werd bestemd voor bijzondere uitgaven, zoals ziektekosten en onderhoud van de behuizingen. Vanaf 1655 werd hier evenwel toch een vijfde dame mee begunstigd. Het betrof hier in de eerste plaats ene Anna Jans, weduwe Segermakers, een nicht van Hermen Wolberts, die kennelijk in behoeftige omstandigheden was komen te verkeren. Het ging hier om een gedeeltelijk beneficium, want inwoning in de tehuizen verkregen de aldus begunstigden niet.
Voor degenen, die dit wel deelachtig werden, was een bepaalde toelatingsprocedure in het leven geroepen. Allereerst kon niet iedereen, die daar zin in had, zich zomaar opgeven. Men had de voorspraak nodig van "goede vrunden", relaties dus, om een kans te maken. Wie aldus aangenomen was, werd een reglement voorgelezen, bestaande uit 22 artikelen, waarin voornamelijk gedrags- en andere regels te beluisteren vielen, waarmee de kandidaat-provenierster haar instemming had te betuigen. Dit gebeurde dan door de dame in kwestie, in het bijzijn van twee getuigen, een akte van opname te laten ondertekenen (d.w.z. met een kruisje te merken). Hiermee had zij zich dan o.a. verbonden tot het inbrengen van al haar bezittingen, die na haar dood aan het tehuis vervielen. Het desbetreffende art. 5 van het reglement werd, om de inhoud ervan goed te laten doordringen zelfs tweemaal ten gehore gebracht. Bovendien, wie eenmaal in het tehuis opgenomen was kwam er niet meer uit, tenzij ten koste van grote materiële offers, want art. 5 bleef onvoorwaardelijk van kracht. Voor het overige is dit reglement aanzienlijk minder streng dan bij een soortgelijke R.K. instelling als de Emmanuelshuizen het geval is. Van strafbepalingen, bij gene nauwkeurig omschreven, wordt slechts "terzijde" gerept.
In 1681 onderging het inwoonstersbestand een ingrijpende wijziging, toen het toch al bescheiden aantal van vier beneficiantes tot de helft gereduceerd werd. Een en ander is vermoedelijk te wijten aan de financiële situatie, die zoals hierboven al geschetst, van weinig rooskleurige aard was. In 1653 was Henric Wolfsen opgevolgd door Diederick Roelinck, griffier van de provincie Overijssel, die samen met zijn vrouw tot 1675 de financiële zaken bestierde. Na dezen zien ook burgemeester Pieter Soury van 1675-1683 en stadssecretaris Joan Haeke van 1683-1699, geen kans de beperkte financiële horizon van de inrichting enigszins te verruimen.
Na 1699 daalt dan een dichte nevel over de stichting neer, welke haar verdere lotgevallen grotendeels aan onze waarneming onttrekt. Er zijn geen directe archiefbronnen meer, die de sluier kunnen oplichten. Uit de spaarzame gegevens, die ons via andere bronnen, te weten het transportregister en het kadaster, bereiken, valt te distilleren, dat de inrichting nu als "Roelinckshuizen" bekend staat. Onder die benaming heeft zij kennelijk nog lange tijd voortbestaan, terwijl op een gegeven moment het beheer in handen van de Vilsterenshuizen gekomen is.
De beide registers werden in 1964 door de heer J.E. van Nes van Meerkerk, wiens vader regent was van de Vilsterenshuizen, aan de Gemeentelijke Archiefdienst te Zwolle ten geschenke gegeven.
Kenmerken
Datering:
1637 - 1699
Omvang archiefblok:
0,12 m
Toegang:
Nijkamp, G.P., Inventaris van het archief van de Herman Wolberts armenhuizen in de Kromme Jak te Zwolle, 1637 - 1699 (1974).
Openbaarheid:
Het archief is openbaar.
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS