Uw zoekacties: Doopsgezinde Gemeente te Almelo
x0205 Doopsgezinde Gemeente te Almelo ( Historisch Centrum Overijssel (HCO) )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

0205 Doopsgezinde Gemeente te Almelo ( Historisch Centrum Overijssel (HCO) )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
De Doopsgezinde gemeente te Almelo zou volgens mondelinge overlevering zijn ontstaan vinden in het midden van de 16e eeuw toen een Doopsgezinde familie uit Vlaanderen, Warnaars geheten, zich hier vestigde *  . Blaupot ten Cate heeft eenzelfde opvatting aangetroffen in een door hem niet nader genoemd geschrift van P. Beets *  . Volgens dat geschrift zou de familie Warnaars een linnenfabriek te Almelo gesticht hebben reeds in de periode 1520-1530. Maar voor de 80-jarige oorlog begint, heeft ook Overijssel te maken met de kettervervolgingen van de Habsburgers en zullen er eerder Doopsgezinden uit het gewest zijn weggetrokken. Bovendien worden pas in 1534 voor het eerst Doopsgezinden uit Twente gemeld. Het betreft hier personen uit Oldenzaal, die behoren tot de hofhouding van "koning" Jan van Leiden *  . Van 1520 tot 1550 wordt onder andere de heerlijkheid Almelo onveilig gemaakt door Batenburgse benden. Deze kerkrovers waren echter eerder verwant aan de gewelddadige Munsterse Anabaptisten dan aan de vreedzame Mennonieten. Tenslotte lijkt ons de voornaam Warnar of Werner eerder van Duitse dan van Vlaamse of Brabantse afkomst en ook in de genealogie van het geslacht Warnaars wordt de bewering van Beets naar het rijk der fabelen verwezen *  .
Uit het bovenstaande concluderen wij dat het ontstaan van de Doopsgezinde gemeente te Almelo eerder na 1550 dan ervoor gedateerd mag worden, eveneens dat het twijfelachtig is dat Vlamingen er de stichters van waren.
Het eerste spoor van Doopsgezinden te Almelo treffen we aan in een Doopsgezind liedje uit 1601:
"Aen U vrienden ter stede
Tot Boeckholt en tot Vrede
Tot Almelo ooc mede
Woonachtich daer geseten......." *  .
Deze "vrienden" zijn geen Anabaptisten meer maar Mennonieten, volgelingen van Menno Simons. Maar nog voor het Twaalfjarig Bestand laat Philippus Rovenius, apostolisch vicaris te Oldenzaal er enigen te Almelo "bij den kop packen" *  . In 1612 vaardigt de Staatse drost van Twente, Unico Ripperda tot Boekelo, een plakkaat tegen hen uit. Elderink meent zelfs dat in deze tijd Doopsgezinden van Twente naar Burgsteinfurt zijn gevlucht *  .
De laatsten zijn dan hierin niet gelukkig geweest want door de Dertigjarige oorlog in Duitsland krijgen de Doopsgezinden in Munster het zwaar te verduren. In 1620 worden ze verbannen door de bisschop van Munster, Ferdinand van Beieren. Zelfs bij het Verdrag van Munster wordt het er hier voor hen nog niet beter op en van 1620 tot 1650 trekken dan ook veel Doopsgezinden uit Westfalen weg om zich in Overijssel te vestigen.
Met name leden van de rijke Doopsgezinde gemeente te Burgsteinfurt vestigen zich in Twente. Dat het klimaat voor hen in Overijssel gunstiger is blijkt uit het feit dat bij resolutie d.d. 31 oktober 1631 van Ridderschap en Steden van Overijssel aan de Mennonieten in het drostambt Vollenhove toegestaan wordt "haere privaete oefeningen" te houden, weliswaar in alle stilte *  .
Dat in het midden van de 17e eeuw de gemeente eerst zich behoorlijk ontwikkelt kunnen we afleiden uit nog een ander gegeven. Namelijk in het oudste deel van het archief, aangelegd als "Arm - Boeck", wordt voorin in 1692 het volgende opgetekend: "noch comt den Aremen aan Capytaall geliik men kan sin int olde Aremenbok van Jan ten Cate geschreven sende......"etc. *  Indien we nu aannemen dat dit "olde Aremenbok" ongeveer even lang in gebruik is geweest als het volgende, is het omstreeks 1650 aangelegd.
De geschiedenis van de Doopsgezinde gemeente te Almelo is voor een groot deel bepaald door enkele bekende Almelose geslachten, zoals daar zijn Ten Cate, Warnaars, Coster, Bavinck en Schimmelpenninck. De latere raadpensionaris Schimmelpenninck is een telg uit het laatstgenoemde geslacht. De stichter van de textielfabriek H. ten Cate Hzn. is een van de leden van de Almelose Doopsgezinde familie Ten Cate.
Deze geslachten, zeker aanvankelijk het grootste deel van de Almelose broederschap uitmakend, hebben bijna allen hun middelen van bestaan gevonden als "fabriqueurs" van linnen. Al in het begin van de 17e eeuw is het fabriceren van linnen een belangrijke bron van inkomsten in Twente. Doordat bij Almelo een vlas groeit waaruit buitengewoon goed linnen wordt verkregen en de lage ligging van deze plaats de oorzaak is van het samenstromen van verscheidene waterlopen waarbij men er ook nog goed kan bleken, wordt deze stad een centrum voor de linnenindustrie *  . Daar Twente zelf onvoldoende grondstoffen oplevert voor deze linnenindustrie worden er veel garens uit West-Duitsland geïmporteerd, waarvoor Burgsteinfurt de voornaamste markt is. Juist deze economische band schept bekendheid met het religieus-politiek klimaat in Almelo. De reeds eerder genoemde band met Burgsteinfurt is waarschijnlijk ook hieruit te verklaren.
Gedurende de 17e eeuw is het getal van de lidmaten vooral toegenomen door van elders komende Doopsgezinden, onder andere uit Westfalen. In 1756 telt de gemeente 125 leden, in 1772 zijn er 110 en in 1811 zelfs 95. In 1838 is het ledental ingekrompen tot 74 maar de teruggang wordt nu langzaam een halt toegeroepen en in 1881 zijn het er alweer 78, hierna stijgt het gestaag.
Tot 1684 vergadert de gemeente in een garenhuis of schuur maar in genoemd jaar wordt een vermaning, dat is een Doopsgezinde kerk, gebouwd of nog waarschijnlijker een bestaand gebouw als zodanig ingericht op dezelfde plaats als waar de huidige staat, namelijk aan de Grootestraat. Dit ondanks het feit dat de Hervormde Classis te Deventer het hiermee niet eens is en in 1687 zelfs bij de heer van Almelo protesteert. Het jaartal 1684 kunnen we nog lezen boven de oude ingang, de poort van Bentheimer zandsteen in de steeg naast de kerk. De bouw van de pastorie vindt plaats in 1716 als de gemeente een eigen leraar benoemt.
In 1797 wordt het huis dat tussen de vermaning en de Grootestraat staat, afgebroken en wordt de kerk met de vrijgekomen ruimte vergroot. De ingang komt dan aan de voorzijde en de kerk krijgt het uiterlijk dat zij vandaag nog heeft. In genoemd jaar wordt tevens een orgel aangeschaft. De klok binnen, die heden nog loopt, is vervaardigd door Hendrik van Heilbron en in 1736 met bijbehorende vazen geplaatst in het gebouw.
De gemeente behoort reeds in de 17e eeuw tot de Groninger Oude Vlamingen. In ons geval betekent dit niet dat de leden van de gemeente van Vlaamse afkomst zijn maar dat de gemeente behoort tot een groep gemeenten van eenzelfde, i.c. tamelijk conservatieve richting. In de Doopsgezinde gemeenten in Friesland, waar rond 1570 scheuringen ontstonden tussen een strengere Vlaamse stroming en minder strenge Friese stromingen, wijst die aanduiding wel op Vlaamse afkomst. Juist het verschil in mentaliteit tussen de autochthone Friezen en de Vlaamse vluchtelingen heeft daar een rol gespeeld. De rest van de Doopsgezinde gemeenten elders in het land koos partij ongeacht of er werkelijk Vlamingen onder hun leden waren. Kenmerkend voor de Oude Vlamingen is hun "volkomend afwijzend tegenover de wereld" staan *  . Zij beschouwen zich als de "ware gemeente Gods" *  . De conservatieve Doopsgezinde gemeenten stichten in 1674 de "Zonistische Sociëteit". Dat de gemeente in Almelo zich ook tot deze rekent blijkt wel daaruit dat zij in genoemd jaar een afvaardiging zendt naar de jaarlijkse samenkomst in de kerk "de Zon" te Amsterdam *  .
Dit behoudende wordt blijkbaar in het midden van de 18e eeuw wat minder daar in 1750 de predikantszoon Isaac Rijsdijck de toenmalige leraar van de gemeente, Reinier Klopper, van Sociniaanse dwaalleringen beschuldigt. Het Socinianisme is een geloofsrichting die onder meer de drieëenheid, erfzonde en voorbeschikking verwerpt en een door de rede beheerst Christendom leert, vrij van dogmatische dwang.
Opvallend bij de Doopsgezinden zijn de volwassendoop, het bezwaar tegen het afleggen van de eed en tegen het dragen van wapens. Dit bezwaar tegen het dragen van wapens vormt de achtergrond van een ander conflict binnen de gemeente. De oorzaak ervan ligt in de deelname van verscheidene lidmaten aan het exercitie-genootschap te Almelo in 1783. Bij de namen van officieren van dit genootschap vinden wij er ook van leden uit Doopsgezinde families *  . De kerkeraad besluit dan op 13 mei 1784 dat dit gedrag overenigbaar is met de belijdenis, dat hij er daarom tegen is en de mogelijke gevolgen van deelneming aan dit genootschap voor rekening van de personen zelf zijn maar dat de kerkeraad hen niet wegens het gebruik van de wapenen zal veroordelen en genegen is deze personen "in liefde te draagen" *  . De kerkeraad geeft hier wel blijk van een grote tolerantie die misschien verklaard kan worden uit ook bij de kerkeraadsleden levende patriotische gevoelens.
Maar wat het dragen van wapens betreft blijft de gemeente als geheel toch wel volharden. Zo zendt zij in 1799 een rekwest aan de Eerste Kamer van het Vertegenwoordigend Lichaam des Bataafschen Volks waarin om vrijstelling van de wapendienst voor Doopsgezinden wordt verzocht.
Aanvankelijk heeft de gemeente nog geen eigen leraar en worden de kerkdiensten door de kerkeraadsleden verzorgd; voor doop en avondmaal laat men predikanten van elders komen. Zo worden van 1699 tot 1709 lidmaten gedoopt door Isaac Paschen, dominee te Enschede.
Op 22 april 1716 wordt Jacobus Rijsdijck naar Almelo beroepen en wordt hier hier de eerste predikant. Nadat diens opvolger Jan Moll dit ambt gedurende bijna 20 jaar vervult komt Rijsdijck in 1742 weer terug.
Jacobus Rijsdijck was zeer afkerig van het Socinianisme, was behoudend en in Groningen in strijd geraakt met zijn minder strenge ambtgenoot Potterman *  . Het is de zoon van deze leraar die in 1750 de beschuldiging van Socinianisme geuit heeft.
De benoeming van de leraar Reinier Klopper is de oorzaak van een conflict met de heer van Almelo in 1745 en 1746. De graaf van Rechteren, heer van Almelo, weigert namelijk de benoeming van Reinier Klopper te approberen. Op 18 mei 1745 wordt Klopper door de gemeente tot leraar beroepen maar pas op 20 november 1746 houdt hij zijn intreepredikatie. Enkele oud-kerkeraadsleden beroepen er zich op dat zij bij de vorige benoeming ook geen goedkeuring aan de heer van Almelo hebben hoeven vragen. Maar toch schijnt bij een nog vroegere benoeming, namelijk die van Jan Pietersz. Moll in 1723, zo'n approbatie wel te hebben plaatsgehad *  .
Een nieuw conflict met de graaf doet zich in 1775 voor, nu naar aanleiding van het feit dat de Hervormde Geertrui Mollink, echtgenote van de Doopsgezinde Abraham Buyssant des Amories uit Amsterdam, de Doopsgezinde belijdenis wenst te doen. De graaf gebiedt haar voor de Hervormde kerkeraad te compareren hetgeen zij weigert. Pas in juni 1776 worden beiden in de Mennonietengemeente opgenomen.
De vrouwe van Almelo heeft in 1786 nog bezwaar tegen het overhandigen van de aanschrijvingen van de Staten van Overijssel tot het houden van dank-, vast- en bededagen. Bij deze kwestie worden zelfs door de gemeente twee rekwesten aan de Staten van Overijssel gezonden.
In het jaar 1795 worden alle godsdienstige gezindten gelijkgesteld hetgeen voor onze gemeente onder meer betekend dat voortaan in de eigen kerk huwelijken gesloten mogen worden. Om de gelijkstelling te vieren houdt de leraar van de gemeente, Gerardus ten Cate, een toespraak in de Gereformeerde kerk, getiteld "feestrede over de staatkundige toestand" *  , waarschijnlijk omdat de twee Gereformeerde predikanten weigeren in de dienst voor te gaan *  .
Hierboven zagen we reeds dat het meerendeel van de lidmaten zijn middelen van bestaan gevonden heeft als "fabriqueurs" van linnen. Blijkbaar waren meerderen van deze "fabriqueurs" welgestelde lieden. Vooral door hun schenkingen en legaten kan de gemeente zich reeds in de 17e eeuw behulpzaam en mild tonen jegens degenen die gebrek lijden. Zelfs Gereformeerde armen worden gesteund, vluchtelingen uitde Pfalz, een persoon uit Emden, de bouw van een vermaning te Norden, etc. De enkele Doopsgezinde armen, die de gemeente nu en dan heeft, worden onderstand verleend door de kerkeraad. Vanaf 1767 wordt gedurende een lange periode een jaarlijkse collecte gehouden voor de buitendienst des woords, uit welk fonds geldsommen geschonken worden aan gemeenten die zelf geen leraar kunnen bekostigen.
Boven de autonome gemeenten vinden we géén Doopsgezinde Synode; de zelfstandigheid van de gemeenten heeft altijd zwaarder gewogen. Ook binnen de gemeente komen verschillen voor en worden geaccepteerd. Dit is nu nog zo, als heden iemand zich als Doopsgezinde wil laten dopen schrijft hij zijn eigen geloofsbelijdenis. Ondanks dit individualisme worden toch in de 19e eeuw meerdere organisaties door Mennonieten-gemeenten opgericht. Deze organisaties hebben over het algemeen een dienstverlenende taak.
In 1810 wordt het "Weduwenfonds van Doopsgezinde predikanten" opgericht, waarvan Almelo vanaf de aanvang lid is. En jaar later de "Algemene Doopsgezinde Societeit". Ook hiervan gaat de gemeente deel uitmaken. Verder is zij lid van het "Emeritaatfonds voor Doopsgezinde leraren", dat in 1848 wordt opgericht.
Op 14 september 1856 wordt in de herberg "Carelshaven" bij Delden de "Twentse Ring" opgericht, waarbij zich Almelo, Borne, Enschede en Hengelo aansluiten. Deze vereniging had oorspronkelijk een nauwere aansluiting van de vier Twentse Doopsgezinde gemeenten en bevordering van hun financiële belangen tot doel.
En tenslotte wordt 2 jaar later op 2 juni 1858 de zgn. Zwolsche Vereniging opgericht, waarvan de gemeente eveneens lid wordt. Het is een vereniging van Doopsgezinde gemeenten in Overijssel, Gelderland, Utrecht en de naburige gemeenten in het koninkrijk Pruisen met het doel gemeenschappelijke belangen te behartigen en broederlijke zin aan te kweken.
Op aansporing van de Doopsgezinde gemeente te Haarlem wil men in 1866 komen tot de stichting van een Algemeen Wezenfonds onder de Doopsgezinden in Nederland.
De kerkeraad van de gemeente in Almelo benoemt op 19 juni 1866 een commissie, bestaande uit ds. C. Cardinaal en B. Gorter, die aan de leden een intekenlijst voor een collecte aanbiedt. Op deze manier wordt geld ingezameld voor dit wezenfonds. Dan blijkt uit een briefwisseling tussen ds. Cardinaal en ds. Manne te Haarlem, dat de revenuen van dit fonds slechts ten goede zouden komen aan wezen van hulpbehoevende gemeenten en niet aan wezen van gemeenten als Almelo. Hierop is de kerkeraad van mening, dat "men zich niet afhankelijk kon stellen van het gevoelen van anderen over eigen behoeften" *  en stelt voor het ingezamelde geld en de toegezegde jaarlijkse bijdragen te bestemmen voor de oprichting van een eigen wezenfonds. Dit voorstel wordt door de vergadering van lidmaten goedgekeurd. Een commissie van beheer, bestaande uit mr. J. Kalff en B. ten Bruggencate Bz., wordt de verdere zorg voor de belangen van dit fonds opgedragen. Deze commissie wordt later ook het wel het bestuur van het Weezenfonds genoemd. Zij zal bestaan uit 3 leden. Bij een vacature wordt door de commissie een dubbeltal opgemaakt waaruit door de kerkeraad een keuze wordt gedaan.
Bij besluit van de kerkeraad van 21 mei 1868 wordt zij vrij gelaten in de wijze van belegging van het kapitaal van dit fonds, met die beperking, dat telkens, wanneer het kapitaal door de bijschrijving van de rente met duizend gulden zal zijn aangegroeid, deze duizend gulden zullen moeten worden ingelegd op het Grootboek der Nationale Schuld. Voor onderstand aan wezen mag niet het kapitaal maar slechts de intrest aangesproken worden tot het totaal der bezittingen meer dan f 25.000,== zal bedragen. Wanneer deze som bereikt is mag de helft van de inkomsten ook voor andere belangen van de gemeente worden gebruikt, indien de ondersteuningen aan de wezen dit toelaten.
Het Weezenfonds kreeg een eigen bestuur, maar uit diverse bepalingen in de reglementen kunnen we opmaken, dat het bestuur van het Weezenfonds niet zelfstandig is en ondergeschikt aan de kerkeraad. Het Weezenfonds is b.v. geen rechtspersoon. In het dagelijks beheer genoot het een grote mate van vrijheid.
Aanvankelijk hoeft men nog geen verzorging van wezen op zich te nemen zodat de commissie zich slechts bezig houdt met het beheer van het kapitaal en dat nog wel op zeer bekwame wijze doet.
Bedroeg het kapitaal in 1890 nog maar f 3.213,29, in 1938 is dit, mede door een schenking in 1905, maar in hoofdzaak door belegging in solide fondsen aangegroeid tot f 33.175,63.
In 1935 neemt het Weezenfonds de zorg op zich voor de opvoeding van enkele halfwezen. Men gaat over tot het beleggen van een deel van het kapitaal in onroerende goederen in 1938. In hetzelfde jaar houdt, blijkens inv.nr. 90, een van de leden van het bestuur een redevoering ter verdediging van het Weezenfonds en haar dochterinstelling "Het Toekomstfonds" in de vergadering van de lidmaten omdat daar voorstellen zijn gedaan die beogen het Weezenfonds definitief van zijn bedoeling los te maken. Dit Toekomstfonds is volgens hetzelfde stuk een zestal jaren eerder opgericht door het bestuur van het Weezenfonds. Met de gelden van dit kleine fonds wil men in de toekomst iets kunnen doen voor de ouden van dagen van de gemeente. Het kapitaal hiervan wordt gestort op een spaarbankboekje. Blijkbaar heeft deze redevoering succes want het Weezenfonds blijft bestaan.
Op 20 maart 1963 wordt het door de ledenvergadering van de Doopsgezinde gemeente te Almelo samengevoegd met het bij het kerkeraadsbesluit van 13 juli 1934 ten gevolge van het ontvangen van een legaat van f 3.000,== van wijlen Egbert ten Cate opgerichte Diakoniefonds. Het heet sedertdien Wezen- en Diakoniefonds.
De overdracht van dit archief is in 3 fasen geschied. Op 27 juni 1938 worden ingevolge het Koninklijk Besluit van 20 juni 1919 aan het Rijksarchief in Overijssel door de Doopsgezinde gemeente te Almelo in bewaring gegeven de inv.nrs. 14, 15 en 16. Deze zijn door F.M. Hendriks beschreven respectievelijk onder de nrs. 7, 6 en 8 in zijn "Beschrijving van de doop-, trouw- en begraafboeken, de registers van aangegeven lijken enz. in Overijssel, dagtekende van vóór de invoering van de Burgerlijke Stand" (1952) en onder de aangegeven nummers bij de retroacta van de Burgerlijke Stand geplaatst.
Op 20 juli 1967 en 9 april 1968 wordt in twee zendingen het hoofdbestanddeel van het archief in bewaring gegeven. Hierbij heeft men zich voorlopig beperkt tot het jaar 1898.
De stukken betreffende het Weezenfonds zijn in bewaring gegeven op 14 juli 1972. Ter gelegenheid van de overdracht van de stukken betreffende het Weezenfonds is door de inbewaringgever verzocht om voorlopige beperking van openbaarheid ten aanzien van enige stukken, te weten inv.nr. 105.
In het algemeen is het archief vanaf omstreeks 1700 goed bewaard gebleven. Maar uit de 17e eeuw is er thans weinig aanwezig. Er moet tenminste één ouder armenboek bestaan hebben (zie deze inleiding blz. 4), dat nu verloren is. Naar alle waarschijnlijkheid heeft er ook een ouder doop- of lidmatenboek of andere administratie van dopelingen bestaan, hetgeen eveneens verloren is gegaan. Zodoende blijft de vroegste periode van de geschiedenis der gemeente tamelijk in het duister gehuld. De resolutieboeken beginnen pas in 1837, maar er zijn aanwijzingen, dat deze voordien alleen bij uitzondering werden vastgelegd.
Over het geheel genomen was de materiële toestand van het archief zeker niet slecht te noemen. Wel waren van sommige delen de ruggen en schutbladen losgeraakt, de inhoud van deze delen had echter niets geleden.
Tenslotte waren nogal wat losse stukken door vocht aangetast, hetgeen de leesbaarheid van die stukken bemoeilijkte.
Voor het doorzien van het eigen karakter van dit archief en de organisatie van de gemeente te Almelo is het nodig te weten dat de werkzaamheden ten behoeve van de armenzorg door de kerkeraad werden verricht. Sommige stukken die aan de armenzorg van de gemeente gericht waren, werden daarom alle door de kerkeraad ontvangen en behandeld. Toch is de zorg voor de armen een aparte taak van de kerkeraad. Daarom zijn de stukken betreffende de armenzorg door mij in een afzonderlijke afdeling, VI, ondergebracht. Onder meer vindt men hier de ingekomen stukken, voorzover zij betrekking hebben op de armenzorg.
In het archief bevindt zich tevens een summiere inventaris, opgemaakt ca. 1920 (inv.nr. 107). Deze is niet als grondslag van deze inventaris genomen. Wel is gecontroleerd of de bescheiden die hierin beschreven zijn, zich alle in het archief bevinden. Dit is inderdaad het geval voor zover het het overgedragen deel van dit archief betreft.
Van de stukken betreffende het Weezenfonds zijn met toestemming van de inbewaringgever bescheiden vernietigd, n.l.: Bankstukken, 1898 - 1953; Dagafschriften, 1938 - 1947; Spaarbankboekjes, 1938 - 1954. De gegevens die deze bescheiden op hadden kunnen leveren, kan men vinden in de grootboeken.
Met toestemming van de heer W.H. Kuiper te Almelo worden als bijlage in deze inventaris door hem opgemaakte lijsten opgenomen van leraren en voorzitters, secretarissen, boekhouders en leden van de kerkeraad. Hiervoor dank ik hem en voor het feit dat de heer Kuiper, kenner bij uitstek van de geschiedenis van de Doopsgezinden in Almelo, zo bereidwillig is geweest deze inleiding wat betreft het stuk van de geschiedenis kritisch te bekijken en mij voorts talrijke waardevolle inlichtingen heeft willen verschaffen.
Ook ben ik dank verschuldigd aan mijn collega mr. W.J. Meeuwissen op wie ik steeds een beroep mocht doen bij het beschrijven van de stukken van juridische en financiële aard.

Zwolle, 1972
A.F.M. Verstappen
Inventaris
I. Algemeen
II. Lidmaten
III. Ambtsdragers en personeel
IV. Leerstellige zaken
V. Beheer van de bezittingen
VI. Armenzorg
VII. Weezenfonds
VIII. Bijzondere bemoeiing
IX. Inventarissen
Aanhang
Bijlage
Kenmerken
Datering:
1692 - 1988
Omvang archiefblok:
1,6 m
Toegang:
Verstappen, A.F.M., Het archief van de Doopsgezinde Gemeente te Almelo, 1692 - 1960; met toevoeging uit 1989 over de jaren 1877 - 1988, 1692 - 1988, Zwolle (1972, 1989).
Openbaarheid:
Is volledig openbaar.
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS