Uw zoekacties: Naamloze Maatschappij ter bevordering van Landaanwinning op ...
x0176 Naamloze Maatschappij ter bevordering van Landaanwinning op de vlakte van Zwolsche Diep te Zwolle ( Historisch Centrum Overijssel (HCO) )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiƫrarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiƫrarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

0176 Naamloze Maatschappij ter bevordering van Landaanwinning op de vlakte van Zwolsche Diep te Zwolle ( Historisch Centrum Overijssel (HCO) )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
Bij request van augustus 1836 diende een aantal schippers, het Zwartewater bevarende, aan de Koning een voorstel in tot verbetering van het Zwolsche Diep door uitkribbing. Op 17 augustus 1838 werd hierop door de minister van Binnenlandse Zaken afwijzend beschikt, doch in het vooruitzicht gesteld, dat "andere, meer aan het doel beantwoordende, middelen van verbetering zullen worden overwogen en zo mogelijk ten uitvoer gelegd" *  . Waaruit deze middelen van verbetering hebben bestaan, is niet duidelijk. In de verslagen van Gedeputeerde Staten van Overijssel wordt tussen de jaren 1838-1843 wel vermelding gemaakt van de ondiepten in het vaarwater, maar van plannen tot verbetering wordt niets vermeld.
Hierop nam de Overijsselsche Vereeniging tot Ontwikkeling van Provinciale Welvaart te Zwolle het initiatief door uitschrijving van een prijsvraag, getiteld: "Door welke verdere of andere middelen, dan welke thans door de stad Zwolle worden in het werk gesteld, kan het Zwolsche Diep verbeterd worden. Zodanig dat hetzelve, bij dagelijks water, in het vaarwater ene diepte hebbe van 2,5 Nederlandse ellen?".
In de vergadering van 20 juni 1843 werd aan de Ingenieurs van de Waterstaat B.P.G. van Diggelen voor zijn ingezonden "verhandeling over de verbetering van het Zwolsche Diep" de ereprijs toegekend.
De Overijselsche Vereeniging tot Ontwikkeling van Provinciale Welvaart besloot nu een ontwerp te maken voor een op te richten naamloze vennootschap en zond dit op 26 oktober in bij de Gouverneur van Overijssel ter beoordeling. De 13e januari 1844 werd aan koning Willem II een uitvoerig request ingediend, waarbij de Provinciale Vereniging toestemming vroeg haar concessie te verlenen tot de oprichting van een N.V. die de nodige werken aan het Zwolsche Diep zou mogen verrichten, aan die maatschappij de bodem van de zeeboezem van het Zwolsche Diep, oostelijk van de lijnpunt van de Voorst-uitmonding van het Ganzediep, in volle eigendom af te staan en haar vergunning te verlenen tot het heffen van een matige tol op de scheepvaart, als vuur-, baken- en jaaggeld. De Koning werd gewezen op de toenemende zeehandel van Zwolle met de Europese landen-waarvoor zelfs te Zwolle een rederij op Hull gevestigd was -, de stoombootdienst op Amsterdam en de binnenscheepvaart, die belemmerd werden door de verzanding van het Zwolsche Diep. Niet alleen Zwolle, maar ook de omringende steden in het achterland, zouden bij een verbetering gebaat zijn.
Bij besluit van Gedeputeerde Staten van 1 februari 1844 werd een Commissie van Onderzoek ingesteld, die daarop de adviezen inwon van de stad Zwolle, de Kamer van Koophandel aldaar, de steden Genemuiden, Kampen en Ambt Vollenhove en de Hoofd-ingenieur van de Waterstaat. Op 15 februari werd hiervan een rapport uitgebracht aan de minister van Binnenlandse Zaken *  .
Bij K.B. van 26 juni 1844 nr. 2, is daarop concessie verleend tot het oprichten der maatschappij en bij K.B. van 18 november 1844 nr. 52 is deze goedgekeurd onder de naam van "Naamlooze Maatschappij ter verbetering van den Handelsweg over het Zwolsche Diep, mede door middel van landaanwinning".
Op 9 oktober 1844 had de eerste vergadering plaats van commissarissen en op 27 januari 1845 de eerste Algemene Vergadering. Tot eerste direkteur werd benoemd de schrijver van de oplossing der prijsvraag, ingenieur B.P.G. van Diggelen.
Het Dagelijks Bestuur van de nieuwe maatschappij werd uitgeoefend door een Raad van administratie, bestaande uit twaalf commissarissen en de Ingenieur-Direkteur. De commissarissen werden door de aandeelhouders uit hun midden verkozen; de Ingenieur-Direkteur werd op voordracht van de commissarissen door de Algemene Vergadering benoemd. Hij moest het technische gedeelte uitvoeren en beheren. Verder werd er een kassier benoemd voor alle ontvangsten en uitgaven der Maatschappij tegen zodanige bezoldiging en op zodanige instruktie, als door de Raad werd vastgesteld.
In de Algemene Vergadering van 10 april 1845 werd daartoe de firma Doyer en Kalff benoemd. De Raad van Administratie besliste ten aanzien van alle lopende zaken, de Algemene Vergadering van aandeelhouders over de vaststelling van rekening en balans, het vaststellen van dividend en belangrijke zaken. De boeken werden door de direkteur of door een uit het midden van de commissarissen gekozen secretaris bijgehouden. In 1845 werd reeds een begin met het werk gemaakt. In 1847 waren de beide in zee stekende dammen gereed en de haven Kraggenburg voltooid.
De bij K.B. van 4 juli 1848 goedgekeurde en 1 januari 1849 aangevangen tolheffing is door de schippers vrij algemene geweigerd, waarna vele processen over ontduiking aanhangig zijn gemaakt. In 1851 is het tarief verlaagd. In 1855 werd het nogmaals herzien en werden kleine schepen ook aan het tonnengeld onderworpen. In 1862 bij K.B. van 25 mei nr. 27 werd het tonnengeld gewijzigd in tolgeld geheven naar de diepgang der vaartuigen. De tolopbrengst nam daardoor aanzienlijk af, waardoor de Maatschappij volgens haar zeggen geen gelden beschikbaar had voor een behoorlijk onderhoud van de dammen, die dan ook spoedig in verval raakten. In 1865 is door het bestuur van de Maatschappij aan de minister van Binnenlandse Zaken een voorstel gedaan de werken aan het onderhoud van het Zwolsche Diep aan het Rijk over te dragen. Hierop werd echter nooit antwoord ontvangen. In 1867 wendde het Bestuur zich nogmaals tot de minister van Binnenlandse Zaken met een dergelijk verzoek, waarop de minister een uitgewerkt plan verzocht, waaraan bij schrijven van 22 november 1867 werd voldaan (verslag over 1867). Beide partijen kwamen echter niet tot overeenstemming. Nog tot 1875 zou het duren voor aan de onhoudbare toestand van het vaarwater een einde werd gemaakt. Op 26 januari van dat jaar ging het Rijks een overeenkomst aan met de Maatschappij, waarbij de werken, de tol en de verplichting tot onderhoud werden overgenomen tegen betaling aan de Maatschappij van fl. 25.000,= schadevergoeding, te betalen in tien jaarlijkse termijnen. Bij K.B. van 4 februari 1875 nr. 25 werd de tolheffing opgeheven en bij K.B. van 10 maart 1875 nr. 18 goedkeuring verleend op de gewijzigde statuten der Maatschappij, wier naam thans werd veranderd in "Naamlooze Maatschappij ter bevordering van landaanwinning op de vlakte van het Zwolsche Diep" *  .
Het aantal commissarissen werd ingekrompen tot vijf, de Ingenieur-Direkteur ontslagen. Voor de werkzaamheden werd een opzichter benoemd *  . Voorts werd bepaald, dat de president van de Maatschappij de ontvangsten en uitgaven zou verantwoorden voor de aanplant van biezen en twijgen en dat een sekretaris de boeken bij zou houden.
In 1904 en 1934 werden de statuten herzien. In 1935 begon de Staat der Nederlanden onderhandelingen met de Maatschappij ter onteigening van +/- 1500 ha. zeeboezem buiten de biesvelden der Maatschappij gelegen en aan de Maatschappij toebehorende, ter uitbreiding van de Noord-Oost Polder. De overblijvende bezittingen van de Maatschappij zouden aan de gemeente Genemuiden worden verkocht. Het is niet bekend of dit ook is gebeurd.
In 1940 kwam de Maatschappij tot overeenstemming met het Rijk, waarbij +/- 1520 ha. water voor het bedrag van fl. 212.500,= werd afgestaan, wat bekrachtigd werd bij K.B. van 17 april 1940. De Maatschappij trad in liquidatie en het archief werd in 1941 aan het Rijksarchief in Overijssel overgedragen.
Als aanhangsel van de inventaris wordt een reeks brochures, vlugschriften, verslagen enzovoorts beschreven, waarin de tolkwestie en de bevaarbaarheid van het Zwolsche Diep van verschillende zijden besproken worden. Velen zijn afkomstig van een zekere schipper Schuttevaer, die zich aan het hoofd stelde van de oppositie tegen het tolgeld en het nut van de beide leidammen bestreed.
Zwolle, 1943. L.J. Ruys
Naschrift
Inventaris
Kenmerken
Datering:
1844 - 1941
Omvang archiefblok:
1,50 m
Toegang:
Ruys, L., Inventaris van het archief van de Naamloze Maatschappij ter bevordering van landaanwinning op de vlakte van Zwolsche Diep, 1844 - 1941 (1943/1983).
Openbaarheid:
Het archief is openbaar.
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS