Uw zoekacties: Archief van het stadsbestuur van Culemborg, 1318 - 1813
x0826 Archief van het stadsbestuur van Culemborg, 1318 - 1813 ( Regionaal Archief Rivierenland )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

0826 Archief van het stadsbestuur van Culemborg, 1318 - 1813 ( Regionaal Archief Rivierenland )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
Gelijk het aan eene 18e-eeuwsche stedebeschrijving paste, heeft Voet van Oudheusden in zijn in 1753 uitgegeven werk *  den oorsprong van het stadje Culemborg 200 hoog mogelijk opgevoerd door mede te deelen *  , dat het in 1144 gebouwd zou zijn door Roelof heer van Bosinchem ten behoeve van diens zoon Huibert. Deze zou geboren zijn lange jaren nadat de vader, meenende geene kinderen meer te zullen krijgen, de heerlijkheid Beusichem aan zijne dochter Ida tot bruidschat had beloofd, zoodat door haar huwelijk met Allard heer van Buren de heerlijkheden Buren en Beusichem in één hand zouden zijn gekomen. Dit geheele verhaal moet naar het rijk der fabelen worden verwezen, gelijk aangetoond is door Jhr. Mr. W.A. Beelaerts van Blokland in een artikel. De vereeniging van Beusichem met Buren, in de Bijdragen en Mededeelingen der Vereeniging „Gelre" *  , en reeds vermoed werd door Van Spaen, die in zijn Inleiding tot de historie van Gelderland *  , dat Huibert II heer van Culemborg in 1271 een kasteel bouwde aan de westzijde der stad benedendijks aan den weg naar Goilberdingen. In hoeverre dit jaartal juist is, valt niet na te gaan. maar wel is het mogelijk om aan de hand van enkele oorkonden den gang van zaken weer te geven.
Het oudste charter, waarin van een „castrum, dictum Culenburgh" sprake is, dateert van 21 November 1281. Een enkele maanden oudere brief, nl. van 4 Juli in hetzelfde jaar, spreekt van een in Kulenburg gelegen stuk land, waarop het kasteel was gesticht *  . Omtrent den oorsprong van dezen naam bestaan geene gegevens, maar in verband met den uitgang van het woord kan men veilig aannemen, dat het kasteel eerder dan de landstreek den naam gedragen heeft. De door Voet gehouden bespiegelingen over den oorsprong ervan *  missen allen vasten ondergrond, en men late ze dus voor wat zij zijn.
Uit de bovengenoemde acte van 4 Juli 1281 blijkt, dat er toen te dezer plaatse een versterkt huis (castrum) stond op een aan het kapittel van Oudmunster te Utrecht leenroerig stuk grond. Die grond, door Hubertus van Bosinchem, erfschenker van den bisschop van Utrecht, in leen gehouden, werd op genoemden datum door het kapittel aan zijnen leenman in vrijen eigendom afgestaan tegen de opdracht van elders gelegen en terstond weder aan hem in leen uitgegeven landerijen. Uit de bewoordingen der acte, die mededeelt, dat op het bedoelde stuk land het kasteel van Hubertus van Bosinchem gesticht was, valt af te leiden: 1° dat de stichting niet lang geleden had plaats gevonden, want anders zou zij niet zijn vermeld, en 2° dat deze Hubertus niet zelf de stichter kan zijn geweest, want anders zou het feit van de stichting niet met de thans gebruikte bewoordingen in de acte zijn opgenomen.
Op grond hiervan kan men als stichter van het kasteel Culenborch beschouwen Hubertus van Bosinchem, vader van den in de acten van 1281 vermelden Hubertus. De bouwheer was, gelijk uit een acte van 31 Mei 1271 *  blijkt, op dezen datum reeds overleden, zoodat de stichting van het kasteel in elk geval vóór dien moet hebben plaats gevonden. Men zal zich overigens van dit castrum geen al te weidsche voorstelling moeten maken, doch veeleer het als een versterkt steenen huis dienen te beschouwen. Gelijk hierboven reeds is uiteengezet, heeft de zoon Huibert den grond, waarop zijn vader dit steenen huis had gesticht, op 4 Juli 1281 van den er op rustenden leenband doen ontslaan. Nog geen vijf maanden later, op 21 November 1281, droeg hij zijn huis in leen op aan den graaf van Gelre, Reinald I, en van dien tijd af tot aan de opheffing van het leenstelsel toe is het een Geldersen leengoed gebleven. De afstammelingen van dezen Huibert, te beginnen met zijnen kleinzoon Huibert Schenck van Culenborch, hebben den naam Van Bosinchem laten varen en zich naar den Culenborch, hun stamslot, genoemd.
Bij het versterkte huis ontstond eene nederzetting, die in 1310 werd afgesplitst van het kerspel Beusichem en tot eene zelfstandige parochie verheven *  , en die op 6 December 1318 haien eersten privilegebrief ontving van Johan van Bosinchem, heer van Culemborg, zoon en leenvolger van zijnen vóór 21 Maart 1303 overleden vader Huibert *  , Dit is de z.g. Oude stad, wier aanleg men ook tegenwoordig nog duidelijk in het stadsbeeld herkennen kan. Weliswaar zegt het charter van 1318 alleen, dat de vrijheden aan de poorters ter plaatse werden geschonken, maar men kan deze oorkonde toch als de eerste stadrechtbrief beschouwen. Dat de nederzetting bij het huis Culenborch met muren en poorten versterkt was, laat zich hieruit veilig afleiden. Omstreeks het midden der 14e eeuw werd het oude kasteel afgebroken en een nieuw slot aan de oostzijde der stad gebouwd. Dit is in de 18e en het begin der 19e eeuw gesloopt.
Het jaar 1339 bracht eene verandering, doordat met het huis, dat thans niet meer afzonderlijk in de acte wordt genoemd, de stad en de heerlijkheid Culemborg onder den leenband werden vereenigd *  . De in de acte gegeven omschrijving van de grenzen der heerlijkheid is weinig duidelijk. Er is echter geen aanleiding om aan te nemen, dat met die omschrijving bedoeld zou zijn, dat slechts een deel der heerlijkheid tot een Geldersch leen zou zijn gemaakt *  .
In den loop der 14e eeuw is het stadsgebied twee malen vergroot. Ook deze uitbreidingen zijn nog in het stadsbeeld na te gaan. De Havendijk aan de zijde van de Lek, waar schippers zich gevestigd hadden, werd in de 15e eeuw bij het stadsgebied getrokken. Aan den zuidkant ontstond op het einde der 14e eeuw eene nederzetting van boeren, die door een watervloed uit hunne ten Zuiden der stad gelegen dorpen als Paveien en Prijs of Parijs verdreven waren. Dit gedeelte, dat Lanksmeer heette en later de Nieuwstad werd genoemd, vormde eene zelfstandige parochie met een eigen, aan St. Jan toegewijde, parochiekerk. Het kerspel is reeds tengevolge van de Reformatie opgeheven en met de stadsparochie van St. Barbara vereenigd. De kerk is eerst in het begin der 19e eeuw afgebroken.
Tot het gebied der tegenwoordige gemeente Culemborg behoort het territoir der voormalige stad alsmede het er buiten gelegen gebied der voormalige heerlijkheid Culemborg, dat in hoofdzaak ten Oosten en ten Zuiden der stad gelegen was, en de buurschappen Redichem, Lanksmeer (ten deele), Paveien, Parijs. Tienhoven en Zoowijk (Zoechwijck) omvatte. De heerlijkheden Everdingen en Zijderveld, alsmede Goilberdingen, die eveneens aan de heeren, na 1555 graven, van Culemborg toebehoorden, vormden tot 1795 een afzonderlijk gericht onder een richter met zeven schepenen overeenkomstig twee handvesten van 1413 en 1494 *  en stonden niet onder het gezag van den stedelijken magistraat. Ook na 1795 zijn Culemborg en Everdingen administratief gescheiden gebleven. In beide plaatsen vormde zich eene municipaliteit, die in 1798 vervangen werd door een gemeentebestuur, en het geheele graafschap, dat van 1795 tot 1799 hardnekkig gepoogd had als een zelfstandig gebied bij de Bataafsche Republiek te worden gevoegd, kwam in laatstgenoemd jaar onder het Departementaal bestuur van den Rhijn en werd door de Staatsregeling van 1801 bij de provincie Gelderland gevoegd *  .
In 1811 veranderden Culemborg en Everdingen elk in eene mairie en werden zij bij het Département des bouches du Rhin gevoegd, terwijl Gelderland overigens, voorzoover boven de Waal gelegen, tot het Département de l'Issel supérieur behoorde. De Grondwet van 1814 herstelde den ouden toestand door Culemborg en Everdingen opnieuw onder de provincie Gelderland te brengen. De wet van 27 April 1820, Stbl. no. 12, eindelijk heeft de provinciale grens langs den Diefdijk gelegd, zoodat Everdingen sindsdien tot de provincie Zuid-Holland heeft behoord, terwijl Goilberdingen daarvan is afgescheiden en met de gemeente Culemborg is samengevoegd. Opgemerkt zij, dat Everdingen ten aanzien van den waterstaat van oudsher tot de Vijfheerenlanden en daarmede tot de provincie Holland behoorde, en dat het dus te dien aanzien, anders dan de naam zou doen denken, niet onder het Gemeeneland van Culemborg ressorteerde. Goilberdingen behoorde er echter wel toe, want de waterstaatkundige grens lag van ouds aan den Diefdijk.
Volgens den oudsten stadrechtbrief van 1318 bestond het stadsbestuur uit richter en schepenen, door den heer aan te stellen *  . Het privilege van 1533 geeft den richter den titel van scholt. Beide termen, richter en schout, werden in den tijd van Voet door elkaar gebruikt. Het getal schepenen blijkt uit de privilegebrieven niet, maar men kan aannemen, dat het evenals in het gericht Everdingen en Zijderveld zeven zal hebben bedragen. Volgens het Stad- en Landrecht van 1680 bedroeg het getal schepenen in de stad zes, volgens dat van 1742 acht. Buitendien maakten een drost en twee burgemeesters deel van de stedelijke regeering uit. De burgemeesters werden onderscheiden als stads- en schepenburgemeester. Over hunne functie ten aanzien van de stadsfinanciën vóór 1628 zie men het aangeteekende bij de desbetreffende afdeeling van den inventaris. Volgens het Stad- en Landrecht van 1742 bekleedde in zaken van justitie, bij rechtspraak dus. de schepenburgemeester den voorzittersstoel, maar in zaken van politie, hetgeen wij administratieve zaken zouden noemen, drost, schout en stadsburgemeester *  . Deze laatste had ook tot taak de stadszegels alsmede de stadssleutels te bewaren *  . Ten aanzien van het openen van de ingekomen brieven hadden drost, schout en burgemeesters gelijke bevoegdheid *  .
In den loop der 18e eeuw heeft het college der grafelijke Raden, die den landsheer in het bestuur van zijn graafschap ter zijde stonden, bemoeiingen met het stadsbestuur gekregen en vonden vergaderingen plaats van Raden en Magistraat als één college. Op welken grond de samenwerking dezer beide lichamen is begonnen, is niet bekend, terwijl ook nog bij eene behandeling der rechtsgeschiedenis van Culemborg onderzocht zou dienen te worden, over welke onderwerpen van bestuur de bevoegdheden van het nieuwe college zich uitstrekten. De resoluties vangen met het jaar 1765 aan en het eerste deel is gemerkt A *  . Er zijn echter aanwijzingen, dat toen slechts eene nieuwe serie werd begonnen. Hoewel uit dezen tijd geen resoluties van den Magistraat alleen bewaard zijn gebleven, blijkt toch uit enkele resoluties van het groote college, dat ook nog afzonderlijke bijeenkomsten van den stedelijken Magistraat plaats vonden. Aan het bestaan der grafelijke Raadkamer werd door de revolutie een einde gemaakt.
Het oudste stadszegel, dat in de 15e en de 16e eeuw in gebruik was, vertoont een poort met ringmuur en torentjes, terwijl op de poort eene linksgewende banier beladen met drie zuilen (2 en 1) is geplaatst. In de poortopening bevindt zich een aanziende zittende leeuw. Het randschrift luidt: SIGILLUM OPIDI CULENBORGENCIS. Dit zegel is, vermoedelijk in de 17e eeuw, vervangen door een ander, waarvan een afbeelding voorkomt in het werk van Voet *  . Het vertoont weder een poort met ringmuur en torens. Onder de poort bevindt zich een met eene paarlenkroon gedekt schild, terwijl uit den middeltoren twee vanen zijn gestoken. Schild en vanen vertoonen ieder drie zuilen (2 en 1), terwijl de kleuren volgens de afbeelding bij Voet zijn aangegeven als rood in goud. Het randschrift luidt: Sigillum magnum civitatis Culenburgensis. Een kleinzegel, dat tot randschrift heeft: Sigillum minus civitatis Culenburgensis, en alleen het door een kroon met fleurons gedekte schild met de drie zuilen bevat, wordt vermeld in de Beschrijving der zegelverzameling van het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage *  . Het boven beschreven wapen, in goud drie roode zuilen 2 en 1, wordt eveneens door de tegenwoordige gemeente Culemborg gevoerd. Het is hetzelfde als dat van de oudste heeren van Culemborg, voordat dit door aanhuwelijking met andere wapenfiguren vermeerderd werd.
Het stadsarchief zal waarschijnlijk van oudsher op het stadhuis zijn bewaard onder de hoede van den stedelijken magistraat. Toch zijn er ook relaties met het kasteel geweest, want o.a. op de stadsrekening over het jaar 1539/40 is aangeteekend. dat de bijbehoorende acquiten "op mijns Vrouwen contoir" waren gelegd, Daarentegen is op de rekening over 1580/81 vermeld, dat deze met de bijlagen op het stadhuis was geborgen. Ook de bijlagen bij de rekeningen der gasthuizen werden daar bewaard, terwijl op sommige rekeningen van het St. Elisabethsgasthuis is genoteerd, dat deze acquiten in de kist van den schepenburgemeester waren geplaatst. Met deze kist is waarschijnlijk de stadskist bedoeld, die reeds in een bewaard gebleven inventaris van het jaar 1567 wordt genoemd en eveneens in een in het jaar 1764 opgemaakt exemplaar. Ook elders in het stadhuis werden archivalia geborgen, gelijk blijkt uit een inventaris van 1810, waarin van "de groote kast" gesproken wordt.
In 1828 werd de provinciale archivaris Is. An. Nijhoff door den gouverneur der provincie Gelderland gecommitteerd om de binnen de stad Culemborg bewaarde archieven op te nemen. Het bleek hem, dat de archivalia, welke moesten worden verwijderd in 1812, - toen een der laatste overblijfsels van het kasteel, de z.g. Witte Toren, die als bergplaats voor het archief diende, voor afbraak werd verkocht, - een tijd lang in kisten in de open lucht hadden gestaan, en dat vervolgens de stedelijke rekeningen en de stukken betreffende de stedelijke financiën op den zolder van het stadhuis waren geplaatst. De rest van het grafelijk archief, het grootste gedeelte uiteraard, was uitgestort op den zolder van het weeshuis. Op grond van het door Nijhoff uitgebrachte rapport *  werd den Culemborgschen boekhandelaar J.K. van den Abeelen de inventarisatie opgedragen onder het toezicht van den provincialen archivaris. Terloops zij vermeld, dat de eerstgenoemde met eene gratificatie werd beloond voor den door hem in de jaren 1830-1835 verrichten arbeid, terwijl de provinciale archivaris, onder wiens toezicht en in overleg met wien het werk was geschied, door den Koning met een gouden medaille werd vereerd.
Een Koninklijk Besluit van 1835 bepaalde, dat het grafelijk archief naar de provinciale archiefbewaarplaats te Arnhem zou worden overgebracht, zoodra hiervoor ruimte zou kunnen worden gevonden. Het zou daarom echter voorloopig te Culemborg blijven onder het toezicht van Van den Abeelen, Dit toezicht heeft geduurd tot aan 's mans overlijden op 24 December 1869, waarna het grafelijk archief in het begin van Februari 1870 naar Arnhem werd overgebracht. Intusschen was het in 1835 na de voltooiing van de inventarisatie naar het stadhuis overgebracht, omdat de zolder van het weeshuis moest worden ontruimd. In de jaren 1847-1849 heeft Van den Abeelen zich ook met het gemeentearchief bezig gehouden ter assistentie van den gemeente-secretaris. Bij raadsbesluit van 27 September 1847 werd aan Van den Abeelen een belooning van f. 50,- toegekend, welke op 14 September 1849 tot f. 75.- werd verhoogd. In een brief aan Nijhoff van 21 Juni 1850 schreef Van den Abeelen: „Het stedelijk archief is nu ook in order en bevat ten deele nog al merkwaardigs" *  .
Met den door hem vervaardigden inventaris, die steeds in handschrift is gebleven, heeft men het lang gedaan. Er staan verschillende archivalia in vermeld, die organisch in het grafelijk archief thuis behoorden, want om de herkomst der stukken hebben noch Van den Abeelen noch Nijhoff zich bekommerd. De tijd, dat het herkomstbeginsel zijnen zegetocht zou aanvangen, was toen dan ook nog ver verwijderd. Hierboven is reeds vermeld, dat bepaalde stedelijke archivalia op het kasteel waren geborgen geweest. Omgekeerd zal het verblijf van het grafelijk archief ten stadhuize niet bevorderlijk zijn geweest aan een behoorlijke afscheiding van de verschillende archieven, waartoe, gelijk hieronder uitvoeriger wordt medegedeeld, ook dat van het polderdistrict behoorde.
In 1886 heeft de toenmalige Rijksarchivaris in Gelderland, Mr. J.F. Bijleveld, aan den Gemeenteraad den afstand verzocht van de stukken, die tot het rechterlijk archief der stad en tot het grafelijk archief behoorden. Nog in hetzelfde jaar is de overbrenging daarvan naar Arnhem geschied, maar later is gebleken, dat Mr. Bijleveld eenerzijds te veel, andererzijds te weinig had gedaan. Te veel, doordat hij o.a. mede ten behoeve van het grafelijk archief overgenomen had de rekeningen van het Gemeene land van Culemborg, die als afkomstig van den dijkstoel ongetwijfeld in het eveneens in een vertrek ten stadhuize bewaarde archief van het polderdistrict Culenborg *  thuis behoorden; te weinig, doordat niet alles wat voor overdracht in aanmerking kwam, ook overgenomen was, en verder de archivalia in het grafelijk archief, die organisch tot het stadsarchief behoorden, buiten beschouwing waren gelaten, terwijl zij toch volgens denzelfden gedachtengang aan de gemeente hadden behooren te worden afgestaan.
Het gemeente-archief is nadien lange jaren verwaarloosd, tot het omstreeks 1925 eenigermate is geordend en verzorgd door Mr. L. Sillevis ten behoeve van door dezen in te stellen onderzoekingen. Die ordening heeft bij de laatste inventarisatie in zooverre gunstig gewerkt, dat geen al te groote chaos behoefde te worden uitgezocht, maar overigens is de indeeling van het archief, waartoe Mr. Sillevis nog niet was genaderd, geheel nieuw opgezet. Deze inventarisatie heeft ook geleid tot eene ruiling van archiefstukken tusschen Rijk en Gemeente, waarvoor thans eene gunstige aanleiding bestond, omdat ook het grafelijk archief aan een inventarisatie naar moderne inzichten werd onderworpen, en tevens gebleken was, dat Mr. Bijleveld niet alles, wat organisch tot dat archief behoorde, van de gemeente had overgenomen. Van deze gelegenheid is ook gebruik gemaakt om archivalia af te staan aan het polderdistrict, aan het St. Elisabethsweeshuis en aan de gemeente Everdingen, alsmede een handschrift aan de plaatselijke Oudheidkamer.
De belangrijkste aanwinst, door het gemeente-archief bij bovengenoemden ruil verkregen, bestond in een groot getal archivalia, meest charters, behoorend tot de archieven van het St. Petersgasthuis, den Poth en het St. Elisabethsgasthuis. De archieven dezer stichtingen zijn beschreven onder de gedeponeerde archieven naast de gilde-archieven, die der z.g. Boedels en dat van Curatoren der voormalige Latijnsche school, welke verder geene toelichting behoeven.
Van de genoemde liefdadige instellingen bestaat tegenwoordig alleen nog het St, Elisabethsgasthuis als zoodanig. Het is bestemd tot huisvesting van eenige oude mannen en vrouwen in verschillende woningen en werd in 1532 gesticht door Elisabeth vrouwe van Culemborg en haren tweeden echtgenoot Anthony van Lalaing, graaf van Hoogstraten. Het wordt niet meer afzonderlijk beheerd, maar ressorteert onder het Burgerlijk Armbestuur, evenals de beide andere stichtingen, die echter niet meer zelfstandig in wezen zijn.
De oorsprong van het St. Petersgasthuis is onbekend; het wordt voor het eerst vermeld in een oorkonde van 1386 *  . In 1421 schijnt het in een nieuw gebouw te zijn gekomen *  . De stichtingsacte van den Poth d.d. 7 Mei 1455 is in afschrift bewaard gebleven in het Cartularium dier instelling *  , terwijl een aanvullende acte van 1511 dateert *  . Het doel dezer fundatie was het doen van uitkeeringen aan huiszittende armen.
Uit de rekeningen laat zich afleiden, dat het St. Petersgasthuis nog in de 16e eeuw werkelijk tot verpleging van behoeftigen heeft gediend. Er was personeel, bestaande in eene moeder en eene dienstmaagd, en er werden uitgaven gedaan voor de keuken. Wellicht werden er dus ook maaltijden verstrekt. Deze uitgaven nu vindt men voor het laatst opgeteekend in de rekening over 1567/68. Bij die voor het personeel staat het er zelfs bij: Uuytgegeven van loon des huysgesins voor de leste reyse. Daarentegen zijn in de volgende rekeningen de uitkeeringen aan behoeftige personen veel uitgebreid. Vermoedelijk is dus omstreeks 1569 het gasthuis van bestemming veranderd. De kerk, waarin reeds in 1566 de Gereformeerde leer was gepredikt, stond na dien lange jaren ledig en werd in 1677 aan de Luthersche gemeente in gebruik gegeven door den toenmaals regeerenden graaf Georg Friedrich graaf van Waldeck *  . In hoeverre het onder Inv. no. 1993 beschreven bestek ook inderdaad tot eene verbouwing geleid heeft, blijkt uit deze stukken niet. Volgens de mededeeling van Voet *  zou de Latijnsche school, waartoe de gasthuiskerk volgens bovengenoemd bestek-verbouwd zou worden, sedert de middeleeuwen nooit van plaats zijn veranderd. Uit eene „Memorie der in het Departement Gelderland gevonden wordende godshuizen en andere gestigten van liefdadigheid", ingediend bij den Minister van Binnenlandsche Zaken in Augustus 1806, blijkt, dat het gebouw van het St. Petersgasthuis toen nog bestond en diende voor uitdeelingen van brood, kleederen enz, aan noodlijdende ingezetenen. In den tegenwoordigen tijd zijn alleen nog de kapel, die als Luthersche kerk dienst doet alsmede een klein gebouwtje aanwezig.
Op eenige weinige uitzonderingen na is het oud-archief, gelijk dit in den hierna volgenden inventaris beschreven is, afgesloten met het daarvoor gebruikelijke jaar 1813, Als grens voor de regestenlijst van de in het archief aanwezige oorkonden is gekozen de 9e December 1555, op welken datum door het overlijden van Elisabeth van Culemborch het geslacht van dezen naam uitstierf en de inmiddels tot een graafschap verheven heerlijkheid onder het bewind kwam van graven, die uit vreemde geslachten gesproten waren. Bij de oorkonden is de eenige van vóór 1555 bewaarde brief, die in het grafelijk archief was beland en thans weder in het stadsarchief is teruggebracht, mede vermeld (no. 290). Verder zij er hier nog op gewezen, dat ter besparing van drukkosten de dateeringen niet in onopgelosten vorm onder de regesten zijn opgenomen. Achter den opgelosten datum zijn alleen bijzonderheden in de dateering vermeld.
Wel zijn in den inventaris de specificatiën der verschillende serieën behouden, omdat het weglaten hiervan in de practijk te groote bezwaren bleek op te leveren. Dat ook de regesten in het algemeen gesproken behouden zijn, is een gevolg van de overweging, dat deze in het bijzonder voor de beoefenaars der locale geschiedenis van groot nut kunnen zijn in verband met de vele namen van personen en plaatsen, straten enz., welke zij bevatten.
Na het gereed komen van den inventaris werden de daarin beschreven archivalia op de gebruikelijke wijze genummerd en werd ten laatste een index op de in inventaris en regestenlijst voorkomende persoons- en plaatsnamen vervaardigd. Vervolgens ging het archief weder naar de bewaarplaats te Culemborg terug.
Op het einde van 1936 evenwel kwam schrijver dezes tot de onaangename ontdekking, dat destijds bij de voorloopige ordening niet het geheele oud-archief naar de brandvrije bewaarplaats was overgebracht, doch dat op één der zolders van het stadhuis eene vrij groote hoeveelheid archivalia in eene tamelijke wanorde was achtergebleven. Het meerendeel dezer stukken bleek te bestaan uit liassen met acquiten, bijlagen bij rekeningen van verschillende instellingen, welke liassen zelf gelukkig intact waren gebleven. Ware deze ontdekking eerder geschied, dan hadden deze archivalia in den inventaris kunnen worden ingevoegd. Thans echter, nu niet slechts de nummering, maar ook de index gereed waren, was een dergelijke invoeging zonder meer onmogelijk, omdat het aantal bis-nummers veel te groot zou geworden zijn. De eenig aangewezen weg zou in dat geval zijn geweest het werk opnieuw te verrichten: het archief over te nummeren en eenen nieuwen index te vervaardigen. De tijd, die met dat werk gemoeid zou zijn geweest, kon in verband met de overige werkzaamheden van den schrijver niet worden gevonden. Om die reden is de overigens niet zeer elegante oplossing gekozen, al deze stukken in een supplement te beschrijven *  .
Ten einde het opzoeken van de bij elkander behoorende stukken toch eeningszins te vergemakkelijken, is in het Supplement de indeeling van den Inventaris gevolgd en zijn over en weer verwijzingen aangebracht. Hopelijk zullen op die wijze de bezwaren dezer noodgedrongen gekozen methode van beschrijving zooveel mogelijk zijn ondervangen. Gelijk van zelf spreekt, zijn de verschillende in het Supplement voorkomende eigennamen mede in den Index verwerkt.
Inventaris
Kenmerken
Datering:
1318 - 1813
Plaats:
Culemborg
Taal:
Nederlands
Dekking in tijd:
1318 - 1813
Verversingsgraad:
onregelmatig
Omvang in meters:
40
Openbaarheid:
onbeperkt
Toegangstitel:
A.J. v.d. Ven, Het Oud-archief van de gemeente Culemborg (Utrecht 1938).
Gemeente:
Culemborg
Locatie:
Culemborg
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS