Uw zoekacties: Stadsbestuur Kampen, 1251-1813
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
Zoektips!

Wildcards kunnen het zoeken vergemakkelijken:

  • Een ? (vraagteken) vervangt een letter
  • Een * (sterretje) vervangt een aantal letters
  • Door een $ (dollarteken) voor een zoekterm te zetten, zoekt u naar woorden die op elkaar lijken.

Meer zoektips vindt u hier.

 
 
Inleiding
Inrichting van het stedelijk bestuur vóór 1519
Inrichting van het stedelijk bestuur 1519-1580
Inrichting van het stedelijk bestuur na 1580
sluiten
00001 Stadsbestuur Kampen, 1251-1813
Inleiding
Inrichting van het stedelijk bestuur na 1580
Organisatie: Stadsarchief Kampen
De Hervorming, die te Kampen in 1580 plaats vond, blijkt gepaard te zijn gegaan met een politieke omwenteling. Een viertal „verordenten" uit de burgerij wist het verlangen naar een vrije keur zoveel kracht bij te zetten, dat bij resolutie van 2 april 1579 de arbitrage werd opgedragen aan Deventer en Zwolle. Deze deden op 14 april uitspraak. De magistraat en de verordenten zouden elk 24 meentslieden aanwijzen, die voortaan de vrije keur van 10 schepenen en 4 raden zouden hebben. Volgens resolutie van 10 januari 1580 zouden uit deze 48 meentslieden 12 keurnoten worden uitgeloot, die de keur zouden verrichten. De meente was echter nog niet tevreden, aangezien de beide zustersteden vergeten hadden te bepalen wie de opengevallen meentmansplaatsen zou mogen vervullen. Bij resolutie van 20 februari 1580 verkreeg de gezworen gemeente het recht bij ontstane vacatures te coöpteren. In 1600 werd het aantal meentslieden teruggebracht op 36.
De meente had niet het recht op eigen gezag bijeen te komen. Zij moest „verboden" worden. Op Petri ad Cathedram kwam men bijeen om de rekeningen af te horen. Daags daarvoor had de inkiezing van nieuwe leden plaats, indien er vacatures waren. De keur vond plaats op woensdag na Driekoningen. Daags daarvoor hield men de zogenaamde Zuivering. De gezworenen verlieten espelsgewijs de zaal, waarna de drie achtergebleven espels overlegden of de buitenstaande leden waardig waren aan de keur deel te nemen. Tevens besprak men het gedrag van de magistraatsleden en vervulde men de opengevallen meentmansplaatsen. Op deze zuiveringsdag was men tevens gerechtigd klachten van burgers te horen, ,,die in hunne voorrechten benadeelt ende geen justitie hebben¬de kunnen bekomen". Op de keurdag trokken magistraat en gezworen gemeente in processie naar de Broederkerk om de keurpredikatie aan te horen. Teruggekomen op het Raadhuis liet de gezworen gemeente de poorten sluiten en werden 12 keurnoten, uit elk espel drie, met de bonen uitgeloot. Deze keurnoten ontsloegen de magistraatsleden - die geacht werden als "particuliere personen" naar huis te gaan - van hun eed. Hierna verrichtten zij de keur. Deze kwam in feite hierop neer, dat over elk magistraatslid bij meerderheid van 7 tegen 5 stemmen werd beslist of hij zou aanblijven of niet. Geen echte verkiezing dus, maar een revisie. Aangezien de magistraat meestal voldoende aanhangers in de gezworen gemeente had, was het niet eenvoudig een meerderheid van 7 te vinden om een magistraatslid weg te stemmen. Na het beëindigen van de keur werd de Schepenklok geluid en las de oudste secretaris de namen van de gekozenen af van de pui.
Hiermede was een stabiele regeringsvorm bereikt, die zou standhouden tot aan de Franse tijd. Sedert 1697 wordt in de regeringslijsten de magistraat niet meer onderverdeeld in schepenen en raden; vermoedelijk omdat alle schepenen en raden de persoonlijke titel van burgemeester voerden.
Toen in 1674, na de Franse bezetting, het gewest Overijssel weer in de Unie werd opgenomen, werd de keur van magistraat en gezworen gemeente ingevolge het regeringsreglement onderworpen aan de approbatie van de stadhouder, die desgewenst anderen kon aanstellen. De magistraat kreeg het recht de keur van nieuwe meentslieden te „wederzeggen". In deze tijd ontstonden moeilijkheden tussen beide colleges, die zich zouden voortzetten tot aan de Franse tijd toe. Zowel de magistraat als de meente blijken hun positie voldoende geconsolideerd te hebben. De magistraat als souverein aan wie de regering "rechtens" toekomt en die steeds eigenmachtiger optreedt; de gezworen gemeente als toeziend college, dat nauwkeurig omschreven rechten en bevoegdheden heeft en zeer naijverig is op de handhaving daarvan.
Een der oorzaken van de steeds terugkerende geschillen was het ontbreken van een afgerond complex van stadsrechten, hetgeen mogelijk maakte dat de magistraat zich kon beroepen op reeds lang vervallen of zelfs imaginaire stadswetten. De gezworen gemeente, waarvan ,,op de tien leden er nauwelijks één was die van de wetten meer wist dan van horen zeggen", drong bij herhaling aan op openbaarmaking en bekrachtiging van het ontwerp-stadsrecht van Dr. Herman Croeser. Dit was tot stand gekomen in de tweede helft van de zestiende eeuw en bevatte de totaliteit van stadswetten, privileges, keuren etc, zoals die verspreid lagen in de verschillende oude rechtsbronnen als Boek van Rechten, Gulden Boek, Digestum Vetus. Door onenigheid in de magistraat was het nimmer bekrachtigd geworden en sindsdien in de secretarie blijven berusten. De herhaalde verzoeken in de achttiende eeuw gedaan om dit werk door de druk gemeen te maken, werden door de magistraat immer afgewezen. Toen in 1740 de meentsman E. Valck een afschrift van dit werk, dat hij op een auctie had gekocht, door een Leidse drukker wilde doen uitgeven, werd hij tot een hoge boete veroordeeld, omdat hij „de burgerij tot muiterij wilde brengen en de magistraat van het kussen stoten". Hij werd genoodzaakt het manuscript terug te halen en in te leveren.
De grondoorzaak van de geschillen moet echter worden gezocht in de begeving van stadsambten en officiën. Oudtijds waren de meentslieden bevoegd tot alle ambten en waardigheden op stedelijk, provinciaal en landelijk gebied, behalve de militaire. Toen in de achttiende eeuw de magistraat deze winstgevende bedieningen hoe langer hoe meer aan zich ging trekken en in 1739 een convenant "tot begeving der stadsambten" opstelde, sloten 24 meentslieden in 1740 een acte van correspondentie, waarbij bepaald werd, dat de begeving van meentmansplaatsen en officiën onder hen zou rouleren. De reden hiervan moet gezocht worden in het feit, dat de meente afgescheept was met enige rentmeesterschappen voor stad en geestelijkheid, die maar „enige honderden guldens per jaar" deden en met „een rest officiën die vrij mager zijn", terwijl de magistraat de "vette officiën en commissiën" voor zichzelf had behouden. De magistraat nam deze acte van correspondentie echter niet en schorste de 24 deelnemers in hun ambt.
De reden ligt voor de hand. Door het in het vooruitzicht stellen van winstgevende baantjes wist zij dikwijls een meerderheid te vinden om een neefje of vriendje de meente binnen te loodsen. Door de correspondentie zou hieraan een einde komen. Tevens stelde zij vast, dat de keur voortaan niet langer met een meerderheid van 7 tegen 5, maar met 9 tegen 3 zou geschieden. De keur van 1741 liet zij verrichten door de 12 overgebleven meentslieden. In 1743 blijkt men zich weer te hebben verzoend en werden de gezworenen in hun ambt hersteld. Wat precies is voorgevallen blijkt niet, aangezien de betreffende resoluties na de verzoening uit de boeken zijn gescheurd of onleesbaar gemaakt. De overwinning was echter aan de zijde van de magistraat. Deze had op 27 januari 1742 een nieuw convenant gesloten „tot conservatie van de proeminenten, regten en geregtigheden tot haar ampt behorende en om dezelve ten allen tijden tegen alle die geene die daar omtrent enige infractie zouden willen doen, des te beeter te maintineren". Op 17 februari 1745 werd dit convenant door alle magistraatsleden ondertekend en in werking gebracht. Een geheime overeenkomst van 22 februari tussen magistraat en gezworen gemeente bepaalde tevens, dat de meente een aantal bedieningen zou ontvangen, in ruil waarvoor de zittende magistraatsleden door de keurnoten niet zouden worden uitgeloot. De gezworen gemeente verkocht dus haar recht voor geldelijk voordeel.
Het ambt van schepen of raad moet in de achttiende eeuw bijzonder winstgevend zijn geweest door de uitoefening van de zogenaamde stadsambten. Dit waren functies als dijkgraaf, kerkmeester, provisor, schutmeester e.d, waarvoor oudtijds de leden van het stadsbestuur werden aangewezen. Het vreemde was, dat nimmer functies werden afgeschaft, doch dat er steeds nieuwe bijkwamen. In 1476 tellen wij een aantal van 18 stadsambten. In 1790 blijkt dit getal te zijn aangegroeid tot 145, die over 50 personen verdeeld werden. Elk dezer functies, waarvan een goed deel alle inhoud had verloren, bracht jaarlijks enige tientallen of honderden guldens op. Van deze 145 functies werden er 71 door 14 schepenen en raden en 74 - uiteraard de minst winstgevende - door 36 gezworenen vervuld. Van de stedelijke inkomsten, die in de jaren 1780-1790 gemiddeld ƒ 45.000,- bedroegen, werd 10 a 12 % uitgetrokken voor deze, dikwijls nutteloze, baantjes. Daarnaast gingen nog uit de salarissen van het stedelijk personeel, waarvan ook een deel in de zakken van de burgemeesters terugvloeide. De magistraatsleden ontvingen tevens gelden uit functies in dienst van gewest, generaliteit, admiraliteit e.d. Het dagboek van een burgemeester leert ons, dat deze lieden gemiddeld ƒ 1000,- per jaar trokken uit het stads- en landsbestuur, waarbij nog niet gerekend zijn de inkomsten uit boeten e.d. en de voordelen uit de verkoop van stedelijke bedieningen, variërend van het ambt van stadssecretaris tot dat van vinnenkijker of stovenzetster.
Een tweede botsing tussen magistraat en gezworen gemeente ontstond in 1759, Acht jaar daarvoor, na de dood van stadhouder Willem IV, was de vraag gerezen aan wie de approbatie der keuren zou toekomen indien de Gouvernante zou overlijden voor haar zoon Willem V meerderjarig was. De Staten van Overijssel vonden op aandringen van de Gouvernante een oplossing in het Reglement van Tutele, dat o.m. behelsde dat de zittende magistraatsleden zouden aanblijven totdat de stadhouder meerderjarig zou zijn geworden. De gezworen gemeente, die gehoord moest worden, weigerde echter deze inbreuk op haar recht van „vrije keur" te bekrachtigen. De magistraat droeg toen de arbitrage op aan de Gouvernante, die natuurlijk het reglement voor aangenomen verklaarde. In 1759 overleed zij, waardoor de Tutele in werking trad. Toen de gezworen gemeente toch een vrije keur wilde houden, wist de magistraat dit te beletten. Van de 36 leden werden 29 uit hun ambt ontzet en een dezer werd zelfs uit de stad gebannen wegens zijn oneerbiedige geschriften. In 1766 werd Willem V meerderjarig, waardoor het Reglement van Tutele kwam te vervallen. Het duurde echter tot 1779 voor het geschil tussen magistraat en meente tot een oplossing kwam.
In de patriottentijd roerde de meente zich opnieuw. Reeds spoedig echter kwam zij tot de ontdekking, dat haar bevoorrechte positie in gevaar was. Een commissie uit de burgerij, die een democratische regeringsvorm moest ontwerpen, zag haar pogingen mislukken door de uiteenlopende belangen van de verschillende partijen. De komst van de Fransen maakte een einde aan magistraat en gezworen gemeente, doch niet aan de politieke werkzaamheden van de meeste leden. In de verschillende besturen, die elkaar in de Franse tijd opvolgden, voerden zij de boventoon.
Geschiedenis van het archief en inventarisatie
Afkortingen
Bijlagen
Inventaris
Kenmerken
Datering:
1251 - 1813
Omvang:
120 m.
Openbaarheid:
Ja.
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS