Uw zoekacties: Gemeente Bocholtz, (1668) 1794-1940 (1970)
xT101 Gemeente Bocholtz, (1668) 1794-1940 (1970) ( Rijckheyt, centrum voor regionale geschiedenis )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

T101 Gemeente Bocholtz, (1668) 1794-1940 (1970) ( Rijckheyt, centrum voor regionale geschiedenis )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
Korte schets van de ontwikkeling van het bestuur en het gebied (1.1.)
sluiten
T101 Gemeente Bocholtz, (1668) 1794-1940 (1970)
1. Inleiding
Korte schets van de ontwikkeling van het bestuur en het gebied (1.1.)
Tot voor de komst van de Fransen in het najaar van 1794 ressorteerde Bocholtz onder de heerlijkheid en schepenbank Simpelveld.
Toen de Franse legers het gebied in 1794 bezetten, en Limburg een deel van Frankrijk werd, was het grondgebied van de tegenwoordige provincie Limburg verdeeld onder een aantal souvereinen. Een van de "grote" heren, die over delen van het gewest regeerde was de keizer als heer der Oostenrijkse erflanden. Aan hem waren onderhorig o.m. het Oostenrijks land van 's-Hertogenrade, dit gebied omvatte ongeveer de toenmalige (1981) gemeenten Bocholtz, Simpelveld en Kerkrade (behalve Bleijerheide). *  Op 24 brumaire an III (14 november 1794) werd in het gehele door de Fransen bezette gebied tussen Maas en Rijn een nieuwe regeling voor de bestuursorganisatie getroffen. Het gebied werd verdeeld in negen departementen, waarbij in Aken de Centrale Administratie werd gevestigd. Een van deze departementen was het departement de la Meuse Inférieure (departement van de Nedermaas), met Maastricht als hoofdplaats. Dit departement omvatte o.m. het gebied van de Limburg. Verder zouden er nog 7 andere administraties in het leven worden geroepen, die ieder een arrondissement kregen toegewezen.
Na wat verdere uitwerking van de bestuurlijke en administratieve organisatie werd Bocholtz en Simpelveld ondergebracht bij het arrondissement Maastricht, alwaar ook de ingestelde administratie werd ondergebracht. * 
Bocholtz werd samen met Simpelveld ingedeeld bij het kanton 's-Hertogenrade en vormden dan ook een municipalité (gemeente). Op de 28 brumaire an III (18 november 1794) stuurt de Centrale Administratie een bericht aan de maire van Simpelveld J.C. Cox betreffende de benoeming van J.L. Daniels tot maire (burgemeester) en als adjoints (wethouders) E. Vandeweijer, J.J. Boisten, W.H. Schiffelers en P.J. Creutzer, en als griffier J.W. Janssens. Hierop schrijft op 10 december 1794 J.C. Cox aan J.L. Daniels en de adjoints van de bank Simpelveld en Bocholtz, dat hij gelet op zijn woonplaats en zijn gezondheid, hij niet het ambt van maire kan uitoefenen en verzoekt daarom hiervoor ook niet in aanmerking te komen. * 
Op 20 frimaire an III (10 december 1794) kregen de administrateurs Nivar en Wilmar de opdracht een voorstel te maken om het arrondissement in kantons te verdelen.
Dit voorstel tot verdeling van het arrondissement in kantons werd op 29 frimaire an III (19 december 1794) goedgekeurd. * 
Met de gemeenten 's-Hertogenrade, Kerkrade, Eijgelshoven, Merkstein, Alsdorf, Rimburg, Ubach parochie (Ubach) en Ubach over Worms (Waubach) vormden Bocholtz en Simpelveld het kanton 's-Hertogenrade. * 
De uitvoering van verschillende bestuursmaatregelen liet te wensen over. Het aantal kantons was groter dan het aantal buitenadministrateurs en die bemoeiden zich alleen met het kanton waarin zij woonachtig waren. De administrateurs die hun vaste zetel in Maastricht hadden, moesten al zoveel werk verzetten, dat zij daardoor zich ook niet met enig ander kanton konden bezig houden.
Op 11 germinal an III (31 maart 1795) werd door de centrale administratie te Aken het besluit genomen, dat het aantal buitenadministrateurs in 7 kantons werd ingedeeld. Simpelveld en Bocholtz werden ingedeeld in het kanton Vaals. * 
Los van de bestuurlijke problematiek heeft ook de afscheiding van de parochie Bocholtz van de parochie Simpelveld de inwoners van beide plaatsen beziggehouden. De komst van de Fransen had tot gevolg, dat nogal wat geestelijken uit vrees voor gevangenneming het Zuid-Limburgse gebied verlieten. De pastoor van de parochie Simpelveld en Bocholtz, Augustinus Sougnez week uit naar Westfalen. Toe hij in 1795 weer terugkeerde had Bocholtz al een nieuwe pastoor benoemd in de persoon van Jean Benedictus Dautzenberg en zich afgescheiden van de parochie Simpelveld en een eigen parochie gesticht. Over dit geschil ontstaan in 1794 en de daarmee samenhangende zaken, zoals vergoedingen en inkomsten voerde men jarenlang een proces. Bocholtz bleef echter toch een eigen parochie. * 
Uit de Grondwet van de Franse republiek van 5 fructidor (22 augustus 1795) kwam een departementale bestuursvorm naar voren en een nieuwe organisatie in kantons. Het Comité de Salut Public stelde op de 14 fructidor an III (31 augustus 1795) een voorlopige indeling in zeven departementen vast. *  Er kwam dus een nieuwe territoriale indeling tot stand, als voorbereiding op de geplande inlijving bij Frankrijk. Het arrondissement Maastricht werd vergroot en als "Departement van de Nedermaas" ingedeeld in 30 kantons. Het departementale bestuur en de centrale administratie werd te Maastricht gevestigd. Op 9 vendémiaire an IV (l oktober 1795) volgde de annexatie bij Frankrijk.
Het was niet zo, dat alles gladjes zou verlopen. De 27e frimaire an IV (18 december 1795) Haagde de maire van Rolduc zijn nood bij het departementaal bestuur, waarbij hij meldde, dat o.m. de dorpen Simpelveld en Bocholtz, voorheen behorende tot het land van 's-Hertogenrade, niet aan Rolduc waren toebedeeld en hij wel schadeloos gesteld wilde worden door toevoeging van andere gebieden.
Op 10 nivôse an IV (31 december 1795) werd door de Conseil d'Administration het rapport van de administrateur Wilmar over de verdeling van de kantons goedgekeurd, maar voordat dit definitief werd, zou het nog verder beoordeeld worden door een twee à drietal lokaal bekend zijnde personen. Bij deze verdeling zou Bocholtz onder het kanton Rolduc gaan behoren. Negen dagen later op de 19 nivôse (9 januari 1796) werd het besluit definitief. Een week later werd het naar de diverse kantons gezonden. Dat een en ander niet snel bekend was, blijkt uit een brief van de administrateur van het kanton Vaals, Heinrich von Clermont, die op de 12 nivôse an IV (2 januari 1796) aan de municipaliteit van Bocholtz en Simpelveld Het weten, dat na een besluit van het Gouvernement te Brussel, het tribunaal van 's-Hertogenrade was opgeheven en nu tot Vaals behoorde. * 
Door de eerdergenoemde Grondwet van 22 augustus 1795 werd aan alle gemeenten beneden de 5000 inwoners het recht ontnomen om een eigen municipaliteit te vormen. Deze gemeenten werden onder een gemeenschappelijk bestuur met een municipale administratie geplaatst. Iedere gemeente was hierin vertegenwoordigd door een agent municipal.
Op 27 pluviose an IV (16 februari 1796) volgde de installatie van de administration municipal van het kanton Rolduc. Dit als uitvoering van het besluit van 27 nivôse an IV (17 januari 1796) van de gouvernementscommissaris Bouteville betreffende de bestuurlijke indeling. *  In het proces-verbaal wordt de installatie en eedaflegging van alle bestuurders van de gemeenten behorende tot het kanton Rolduc geregeld. In het bijzijn van de commissaire du directoire executif van het kanton Rolduc Jean Francois Hennequin worden de diverse personen benoemd. Voor de municipalité Bocholtz wordt Jean Louis Daniels tot agent municipal en Leon Ortmans tot adjoint benoemd.
Op 27 januari 1796 vindt er een vergadering plaats tot verkiezing van een burgemeester, Johannes Peter Prickarts wordt verkozen. Er volgt op 4 februari een tweede vergadering waar de keus uiteindelijk valt op Nicolaus Houperts "aan de Paum". *  Na de verkiezing volgt op 18 februari 1796 de eedaflegging van de burgemeester van Bocholtz, Nicolaus Houperts (Houpperets) en de burgemeester van Simpelveld, Thomas Dautzenberg in het bijzijn van de agent municipal van Bocholtz J.L. Daniels en de agent municipal van Simpelveld J.F. Scheijlen. * 
Bij wet van 28 pluviôse an VIII (17 februari 1800) *  werden de departementen in arrondissements communaux onderverdeeld en de municipalités de canton opgeheven. De oude municipaliteiten werden vervangen door gemeenten. Ingevolge die wet veranderde dus de organisatie van het bestuur. De gemeenten beneden de 5000 inwoners kregen hun bestuursbevoegdheden, die hen in augustus 1795 waren ontnomen weer terug. In plaats van een gekozen lichaam, handelende onder toezicht van een commissaris van het Directoire, kwam aan het hoofd van het departement een ambtenaar te staan, de prefect. *  Het bevolkingsaantal was bepalend voor de indeling in de klasse. Een gemeente met minder dan 2.500 inwoners had recht op aanstelling van een maire (meier, burgemeester) en een adjunct. De prefect benoemde en ontsloeg de leden van de raad, alsmede de maire en de adjoint van de gemeenten met minder dan 5000 inwoners. * 
Ondanks bovengenoemde wet van 28 pluviôse an VIII bleef Bocholtz onder het Kanton Rolduc en het arrondissement Maastricht ressorteren, echter wel als zelfstandige gemeente.
Bij besluit van 19 nivôse an X (9 januari 1802), verbeterd bij besluit van 25 ventôse an X (16 maart 1802) kwam een nieuwe kantonnale indeling van het arrondissement Maastricht. Voor Bocholtz wijzigde echter niets.
Na de nederlaag van Napoleon in 1813 waren de Franse legers gedwongen zich terug te trekken om de Franse grenzen te verdedigen en begon in Europa een herindeling van staten en staatjes. Begin 1814 trokken de Fransen zich uit het Departement van de Nedermaas terug. Een Russisch leger met aan het hoofd generaal von Wintzengerode trok het gebied binnen. Maastricht bleef echter tot 5 mei 1814 bezet door de Fransen, voordat het aan de Prins van Oranje werd overgegeven.
Bij het traktaat van Bazel (12 januari 1814) werd het Departement van de Nedermaas op 16 februari 1814 ingedeeld bij het gouvernement generaal van de Nederrijn, met als zetel de stad Aken. Het congres van Wenen (september 1814 tot juni 1815) bepaalde in februari 1815 de nieuwe grenzen van onze provincies.
Ingevolge de grondwet van 1815 werd Limburg als provincie in het Koninkrijk der Nederlanden opgenomen. De grondwet eiste, dat de wijze van samenstelling van de stedelijke besturen en van die op het platteland moest worden geregeld bij reglementen. Het reglement van bestuur voor het platteland werd bij Koninklijk Besluit van 14 februari 1818 no. 95 vastgesteld, waarbij ook het grondgebied van de provincie werd verdeeld in drie arrondissementen. *  Elke plattelandsgemeente in Limburg kreeg ingevolge dit reglement een door de koning benoemde schout aan het hoofd. Het plaatselijk bestuur bestond verder uit twee schepenen, benoemd door Gedeputeerde Staten uit de leden van de gemeenteraad, gekozen uit een dubbeltal kandidaten, op voordracht van de raad. De gemeenteraad werd benoemd door Gedeputeerde Staten, voor de eerste keer onmiddellijk en vervolgens op voordracht van de raad uit een opgave van een dubbeltal kandidaten. De leden van de plaatselijke besturen werden benoemd voor zes jaar en waren steeds herbenoembaar. De vernieuwing van de raadsleden gebeurde bij derde gedeelten. D.w.z. om de twee jaar trad een derde gedeelte van de raad en een schepen af, terwijl de schout met het laatste derde gedeelte aftrad.
De gemeente Bocholtz bestond in 1815 uit 850 inwoners, daardoor werd volgens het geldende schema het aantal raadsleden, inclusief de schout bepaald op negen. Het toenmalige gemeentebestuur bestond uit de schout, die ook nog als maire de stukken ondertekende, W.H. Schiffeler, met als overige leden: J.M. Beckers, J.W. Bröchler, L. Dautzenbergh, J. Foraschen, E.J. Huppertz, W. Knops, P. Prickaerts en J. Schneiders. * 
Op 23 juli 1825 wordt bij Koninklijk Besluit een nieuw Reglement op het bestuur ten platte lande in de provincie Limburg vastgesteld. Het bestuur in iedere gemeente zal samengesteld zijn uit een burgemeester, twee assessoren en een gemeenteraad. De gemeenteraad zal (inclusief de burgemeester en assessoren) bestaan uit een getal van zeven of negen personen, naar gelang dat de Staten, volgens de bevolking en andere omstandigheden, zullen bepalen. Tevens bevatte het reglement regels omtrent de vereisten om tot het plaatselijk bestuur te kunnen behoren, de benoeming etc. *  Voor Bocholtz betekende dit, dat het aantal zeven zou bedragen. Zo werd op 26 augustus 1825 in handen van de door de Koning benoemde burgemeester, W.H. Schiffelers de eed afgelegd door de assessoren H. Rhoen en D. Deutz (beiden benoemd door de commissaris van de Koning) en de door de Staten benoemde leden van de raad, J. Huppertz, W. Knops, J. Foraschen en J.N. Schneiders. Als secretaris was J.W. Bröchler door de Koning benoemd, hij legde ook in de vergadering van 26 augustus 1825 de eed af. * 
Bij Koninklijk Besluit van 22 september 1827 werd Hendrik Rhoen, assessor in Bocholtz, benoemd tot secretaris van de gemeente Simpelveld. *  Bij brief wordt hij verzocht om op donderdag 25 oktober 1827 in de vergadering van de raad van Simpelveld de eed te komen afleggen.
Koning Willem I heeft in de periode 1815-1830 getracht de Nederlanden Noord en Zuid tot een hechte staat te maken, waarin alle Nederlanders zich thuis konden voelen. Maar zijn bestuur was sterk autocratisch getint en op een krachtig centraal gezag gericht. Juist die autocratische houding van de koning viel slecht in Limburg, waar men veel waarde hechtte aan de eigen lokale en regionale gemeenschap. * 
Na de Belgische opstand in 1830 kwam de provincie Limburg onder Belgisch bestuur. Als gevolg van de afscheiding van Nederland kwam een nieuwe bestuursregeling voor de plattelandsgemeenten tot stand. Ingevolge het besluit van de voorlopige Belgische regering van 8 oktober 1830 moesten de notabelen-de burgers die een bepaalde belastingsom betaalden en de burgers die een vrij beroep uitoefenden-een burgemeester, assessoren en raadsleden kiezen. Termijnen van benoeming werden niet vastgesteld. *  Conform dat besluit van 8 oktober 1830 van het Provisioneel Gouvernement komen op 2 november 1830 de notabelen, waaronder de burgemeester W.H. Schiffelers, de assessoren en raadsheren in vergadering bijeen om over te gaan tot verkiezing van een burgemeester, assessoren en raadsheren. * 
Onder leiding van de oudste der vergadering, Joannes Mehlkop, geassisteerd door Henricus Rhoen, Dominicus Deutz, Jan Nicolas Schneiders en Wilhelm Henricus Schiffelers als stemopnemers kon worden overgegaan tot verdere verkiezing van plaatsen voor de vacatures.
De uitslag van de verkiezing brengt met zich mee, dat: Jan Nicolas Schneiders met 11 stemmen wordt verkozen als burgemeester, tot assessor worden Wilhelm Henricus Schiffelers met 9 stemmen verkozen en Henricus Rhoen met 8 stemmen. Als raadsleden worden gekozen, Chrisantes Hupperts (10 stemmen), Dominicus Deutz (9 stemmen), Mathias Grooten (6 stemmen) en Joannes Leonardus Wiertz (6 stemmen). Echter op 3 december 1830 wordt bij besluit van de gouverneur de verkiezing van de gemeentelijke overheid in Bocholtz geannuleerd en moet een nieuwe verkiezing plaatsvinden. Het ingezonden proces-verbaal van 2 november 1830 bevatte ernstige onregelmatigheden en werd dan ook nietig verklaard. Bij deze nieuwe verkiezing zou men zich wel aan de regels moeten houden. Tevens diende men rekening te houden met het feit, dat de burgemeester zijn werkelijke domicilie in de gemeente heeft.
Op 15 december 1830 om negen uur 's-morgens komen 29 notabelen weer bijeen. Uit de beroepen van de kiesgerechtigden kan men afleiden dat de landbouw de hoofdbron van de economie van de gemeente bevatte, want van deze 29 personen waren er 22 landbouwer, de overigen waren de pastoor, de kapelaan, de hoefsmid, de ontvanger, de burgemeester en twee assessoren. * 
Bij de eerste stemming kreeg Henricus Rhoen 15 stemmen en werd daardoor tot burgemeester gekozen. Joannes Nicolas Schneiders, gekozen op 8 oktober j.l. was dus na een maand al geen burgemeester meer. Voor de vacature van assessor waren drie mensen met elk tien stemmen, namelijk W. H. Schiffelers, H.J. Houpperetz en J.N. Schneiders verkozen. Door deze gelijke uitslag moest er een tweede stemming volgen. Bij de tweede stemming krijgt H.J. Houpperetz 26 stemmen, W.H. Schiffelers 15 en J.N. Schneiders 5 stemmen en wordt H.J. Houpperetz als 1e assessor gekozen. Bij de derde stemming wordt W. Schiffelers met 17 stemmen benoemd tot 2e assessor.
Hierna volgt dan nog de verkiezing van 4 raadsheren, dit worden dan Franciscus Xavier Vincken (16 stemmen), Dominicus Deutz (13 stemmen), Mathias Grooten (12 stemmen) en Wijnandus Knops (11 stemmen).
Op 16 december 1830 wordt onder aanvoering van de onderwijzer Dieudonné Tysken (Tisken) een petitie aan de commissaris van het Provisioneel Gouvernement van België te Maastricht gericht, waarbij men bezwaren uitte tegen de tweede verkiezing van een burgemeester, assessoren en raadsheren voor de gemeente Bocholtz. De reden hiervoor was dat niet alle notabelen die kiesgerechtigd zouden zijn, waren opgeroepen, of niet hebben kunnen verschijnen, omdat zij op 14 december na zonsondergang en laat in de nacht waren beroepen. Redenen voor de indieners om een nieuwe verkiezing te verzoeken. In de verweren hierop werd naar voren gebracht, dat degenen die zich beroepen op hun recht niet voldeden aan de eisen die gesteld waren om te mogen kiezen, zoals o.m. het betalen van een bepaalde som aan belasting. Na enige correspondentie komt er tenslotte toch geen nieuwe verkiezing.
Het besluit van het voorlopig gouvernement van 28 oktober 1830 bepaalde, dat de gemeentesecretaris zou worden benoemd door de leden van de gemeenteraad en de ontvanger van de gemeente door de gouverneur van de provincie, uit een voordracht van drie kandidaten door de gemeenteraad. * 
Omdat nog even gewacht werd op het onherroepelijk worden van de uitslag van de verkiezing heeft men nog even gewacht met het benoemen van beide functionarissen. Bovendien had men nog beide oude functionarissen. In januari 1831 telde Bocholtz 904 inwoners en 182 huishoudens. Bij besluit van Gedeputeerde Staten van 24 februari 1831 wordt Alexius De Ravenne benoemd tot ontvanger. * 
Het merendeel van de Limburgse bevolking stond positief tegenover het Belgische bewind in de jaren 1830-1839. Men had meer politieke vrijheid, een gematigde belastingheffing en geen kerkelijke problemen. Op het platteland had men nog het voordeel, dat men betere prijzen voor landbouwprodukten kon bedingen.
Dit blijkt ook uit een petitie van een aantal inwoners in 1838 aan de Belgische Koning om het gedeelte van de provincie Limburg, dat door een verdrag dreigt te worden afgestaan, onder Belgische Soevereiniteit te houden. Burgemeester Rhoen verklaarde dat alle inwoners, die niet met hun naam kunnen ondertekenen, dezelfde mening zijn toegedaan als, die dit verzoekschrift wel ondertekenden. * 
Met de Belgische gemeentewet van 30 maart 1836 traden nieuwe bepalingen in werking en vervielen de vorige besluiten van de regering. *  Er bestond geen onderscheid meer tussen stad en platteland. De gemeenteraad en niet meer de burgemeester werd op de voorgrond geplaatst. De raad werd rechtstreeks gekozen door de belastingbetalende inwoners (censuskiesrecht), terwijl de burgemeester en schepenen door de koning uit de leden van de raad werden benoemd. De zittingstermijn van de raad, burgemeester en schepenen was zes jaar. Om de drie jaar trad de helft van de raadsleden en schepenen af. De schepenen zouden voor de helft bij de eerste reeks behoren, voor de andere helft bij de tweede, alsmede de burgemeester.
Het aantal raadsleden, inclusief de burgemeester en schepenen, bedroeg 7 voor de gemeenten met minder dan 1000 inwoners, 9 in gemeenten met 1000-3000 inwoners. De vergaderingen van de raad werden openbaar. De huishouding van de gemeente werd aan de raad overgelaten.
De gemeentesecretaris zou door de gemeenteraad worden benoemd, hetgeen wel moest worden goedgekeurd door de Députation Permanente du Conseil Provincial. De gemeente telde op 1 januari 1836 930 inwoners en daardoor zou het aantal raadsleden 7 bedragen. Op 14 juli 1836 volgde de vernieuwing van de gemeenteraad conform de uitgevaardigde wet. De opgestelde kiezerslijst bevatte 52 kiesgerechtigde personen. *  Uit het proces-verbaal *  van de verkiezing blijkt, dat in de eerste ronde van 48 stembriefjes, de volgende personen gekozen werden; Hendrik Rhoen (46 stemmen), Frans Vincken (32), Mathias Grooten (32), Dominicus Deutz (29) en Hendrik Hupperetz (27). Deze personen hadden meer dan de helft der uitgebrachte stemmen (meer als 24 stemmen) en waren daardoor rechtstreeks gekozen. Omdat niet de volledige raad in één keer was gekozen en er dus nog twee leden gekozen moesten worden, werd een lijst van 4 personen opgesteld, een dubbeltal van dat der raadsleden dat nog te kiezen was. De uitslag was, dat Willem Hendrik Schiffelers 25 stemmen kreeg, Leonard Weerts 32 stemmen, Winand Gerards 32 stemmen en Winand Knops 16 stemmen, waardoor Leonard Weerts en Winand Gerards waren verkozen. De raad bestond dus uit de 7 gekozenen, waarvan Hendrik Rhoen burgemeester was. Als beroep van de 54-jarige Rhoen werd vermeld rentenier, van de overige leden was het beroep landbouwer. Bij Koninklijk Besluit van 14 oktober 1836 werden Hendrik Joseph Hupperets en Franciscus Xaverius Vincken als schepenen benoemd en in november beëdigd. *  Na voorlezing van de benoeming werden zij herinnerd aan het Dekreet van eeuwige uitsluiting van de leden van de familie van Oranje Nassau van alle macht in België deelmakend van de constitutie, waarna zij de eed voorgeschreven bij art. 61 van de Belgische Gemeentewet van 30 maart 1836 aflegden.
In maart 1837 werd Hendrik Rhoen bij besluit van zijne Majesteit benoemd als secretaris en legde op 20 juni 1837 de eed af. * 
Na de scheiding tussen Nederland en België in 1830 duurde het nog tot 1839 voordat het definitieve vredestraktaat tot stand kwam en gedurende al die jaren heeft Limburg, met uitzondering van Maastricht en St. Pieter, deel uitgemaakt van België. Na het traktaat van Londen van 19 april 1839 tussen België en Nederland werd Limburg op 22 juni 1839 in de huidige omvang door de Nederlandse koning Willem 1 weer in bezit genomen en kwam weer bij Nederland terug. Na de opname van Limburg als hertogdom in de Duitse Bond op 5 september 1840, werd de Nederlandse grondwet bij Koninklijk Besluit van 24 september 1840 voor Limburg van kracht verklaard. *  Voordien waren al voorlopige bestuursmaatregelen getroffen, o.a. dat alle ambtenaren en leden van de gemeentebesturen hun functies bleven uitoefenen.
Het bestuur werd overgenomen door de commissarissen tot de wederinbezitneming van de landstreken van Limburg. Ook na de inbezitneming van Limburg door de voornoemde commissarissen bleef de Belgische gemeentewet van kracht, tot hierin door het Koninklijk Besluit van 19 oktober 1839 no. 98 wijziging werd gebracht, met name wat betreft de benoeming van gemeentebesturen en de duur van hun zitting.
Met ingang van 1 januari 1843 was de eerste periode aangebroken van wettige aftreding van het gemeentebestuur. Op 26 december 1842 werd Hendrik Rhoen bij Koninklijk Besluit herbenoemd als burgemeester. Op 19 januari 1843 legde hij de eed af. *  Hendrik Jozef Huppertz, Dominicus Deutz, Jan Winand Gerards werden bij besluit van 17 januari 1843 van Gedeputeerde Staten herbenoemd, waarbij op 25 januari Hendrik Jozef Huppertz door de Staatsraad gouverneur als schepen werd herbenoemd.
Na bijna 40 jaar zijn diensten aan de gemeenten beschikbaar te hebben gesteld, overleed op 12 november 1843 burgemeester Hendrik Rhoen. Zijn opvolger werd bij Koninklijk Besluit van 18 maart 1844 in de persoon van Franciscus Xaverius Vincken benoemd. Tot secretaris werd op 5 juli 1844 bij Koninklijk Besluit Maximilianus Rhoen benoemd. Deze was reeds als ontvanger werkzaam voor de gemeente. *  Bovendien was hij ook nog gemeentesecretaris van de Simpelveld. * 
Na de inwerkingtreding van de Gemeentewet 1851 kwam een verandering in de vorming en samenstelling van het bestuur en haar functionarissen. Door de grondwet van 1848 en de daaruit voorkomende gemeentewet van 29 juni 1851, staatsblad, no. 85, werd de raad aan het hoofd van de gemeente gesteld. Het bestuur van de gemeente bestond uit een gemeenteraad, een college van burgemeester en wethouders en een burgemeester. Het aantal gemeenteraadsleden voor gemeenten beneden 3000 inwoners bedroeg zeven, onverschillig of de burgemeester al dan niet lid is van de raad.
De leden van de raad werden gekozen uit door belasting betalende inwoners (censuskiesrecht). De hoogte van de census, die betaald moest worden, bedroeg fl. 10,-. Van de 41 kiesgerechtigden hebben 38 personen op 9 september 1851 deelgenomen aan de verkiezing van de gemeenteraad. Na telling bleek, dat D. Deutz, F.X. Vincken, M.J. Grooten en L. Knops rechtstreeks gekozen waren, omdat zij elk met twintig stemmen voldeden aan de volstrekte meerderheid der stemmen. Op 22 september volgde een herstemming om de resterende drie leden te kiezen. De lijst werd samengesteld uit 7 leden, die net niet de volstrekte meerderheid bij de eerste verkiezing hadden gehaald. Van de 37 uitgebrachte stembriefjes worden er 36 geldig verklaard en na telling hebben J. Bindels, P.J. Schiffelers en A.J. Pelzer de meeste stemmen verkregen. Deze drie verkozenen hadden echter bezwaren ingediend tegen de opening van de stembriefjes op 9 september en de herkiezing van drie leden. Bovendien hadden J. Bindels en P.J. Schiffelers de termijn waarbinnen zij na de herkiezing hadden moeten aangeven of zij de benoeming aannamen laten verstrijken. * 
Van een en ander berichtte de burgemeester Gedeputeerde Staten. Door deze handelwijze was het noodzakelijk een derde verkiezing te laten plaatsvinden. Op 13 oktober vond dan ook weer een verkiezing plaats voor twee leden van de gemeenteraad. Hierbij werden J. Bindels en P.J. Schiffelers verkozen als leden van de raad. De verkiezing van de wethouders volgde op 31 oktober 1851, waarbij na de eerste ronde A.J. Pelzer wordt gekozen als eerste wethouder. In de tweede ronde staakten de stemmen, J. Bindels en P.J. Schiffelers kregen elk drie stemmen, waarna als gevolg daarvan J. Bindels als tweede wethouder werd gekozen, omdat hij de oudste in jaren was. *  Gedeputeerde Staten hadden geen bezwaar dat Max Rhoen de beide functies van secretaris en ontvanger bleef uitoefenen en werd dan ook op 27 april 1852 benoemd in beide functies. * 
In 1896 wordt bij Koninklijk Besluit van 23 november nummer 63 aan Bocholtz een gemeentewapen toegekend. Het wapen wordt omschreven als: gedeeld,
I in goud de apostel Jacobus de Meerdere, gelaat en handen van natuurlijke kleur, staande op een grasgrond van sinopel, gekleed in een pelgrimsgewaad en met een pelgrimshoed op het hoofd, alles van sabel, op den hoed en op de beide mouwen van het gewaad een schep van zilver, houdende in de rechterhand een pelgrimstaf, waaraan een kruikje hangt, beide van sabel,
II in azuur een paal van zilver (von der Leyen), en het schild omgeven door het randschrift: Gemeentebestuur van Bocholtz.
Het stelsel van verkiezingen heeft in de loop der tijd ook wijzigingen ondergaan. Behalve voorschriften omtrent het actief kiesrecht (het recht om te kiezen), geeft de grondwet sinds 1887 ook voorschriften omtrent het passief kiesrecht (het recht om gekozen te worden). Het stelsel van rechtstreekse verkiezing van raadsleden door bepaalde belastingbetalers werd in 1896 verruimd door de kieswet van Houten. Deze kende vele categorieën kiezers: belasting-, woning-, loon-, pensioen-, grootboek-, spaarbank- en examenkiezers. In 1917 werd het algemeen mannenkiesrecht van kracht en in 1919 het algemeen vrouwenkiesrecht.
Vanaf 1919 is de zittingsduur van de raadsleden 4 jaar en is de periodieke aftreding van een derde om de 2 jaar vervallen.
De kiezerslijst voor de verkiezing op 8 maart 1919 van een lid voor de raad bevatte toen echter alleen nog 410 mannelijke kiesgerechtigden. Van de 231 uitgebrachte stemmen waren er 226 geldig en verkreeg P.J. Schroeders 143 stemmen en werd aldus benoemd. Op 15 mei volgde de verkiezing van de leden van de nieuwe raad, 444 stemmen werden uitgebracht. Als leden van de raad werden verkozen J. Dremmen, P.A. Hamers, P.J. Knops, A.Th. van der Linden, W.H. Palm, H.P.Ruysschop en P.H. Vaessen. Met uitzondering van J. Dremmen aanvaardde ieder de benoeming. In de plaats van J. Dremmen kwam zijn lijstgenoot J.B. Franken, die op 20 augustus werd toegelaten als lid van de raad. De heren W.H. Palm en A.Th. van der Linden werden in september tot wethouder gekozen.
Eind februari 1920 kreeg Bocholtz net als andere gemeenten bericht van Gedeputeerde Staten, dat overwogen werd wijziging te brengen in de gemeentelijke indeling in deze provincie en de gemeente stelde daarvoor een commissie vast.
Samenvoeging van kleine gemeenten moest leiden tot een eenvoudigere bestuursorganisatie en tot krachtigere gemeenten, die beter in staat zouden zijn de veelomvattende taak naar de gestelde eisen te vervullen.
Donderdag 20 mei 1920 volgde een bespreking over dit onderwerp. Een jaar later op 7 maart 1921 krijgt de gemeente al een voorstel van de wijziging en moeten voor 1 april haar zienswijze kenbaar maken. Het ontwerp toegezonden in augustus omvatte de samenvoeging van Bocholtz en Simpelveld tot een nieuwe gemeente "Simpelveld c.a." Er werd een commissie ingesteld, die deze kwestie moest gaan bestuderen en het gemeentebestuur van advies moest dienen.
Zoals te verwachten was het advies dat de commissie uitbracht, dat deze zeer sterk tegen de samenvoeging van beide gemeenten was op grond van een aantal feiten, die zij in een brief aanreikte. * 
Meer dan 90% van de ingezetenen was tegen deze vereniging en daardoor de raad des te meer. De inwoners van Simpelveld en Bocholtz verschillen wat hun aard betreft te zeer van elkaar en behoren niet bij elkaar, aldus de commissie. Zelfs de geschiedenis geeft dat aan, hoofdzakelijk vanaf 1231 tot 1850 en nadien ook nog door de gevoerde strijd tussen deze gemeenten. De verplaatsing van de bestuurszetel naar Simpelveld is eveneens een onoverkomelijk probleem voor de ingezetenen. Financieel zou de nieuwe gemeente er ook niet op vooruitgaan. Op economisch gebied zouden deze gemeenten ook niet bij elkaar horen, daar de bevolking van Simpelveld uit een overwegend landbouwers-een neringdoende-bevolking en uit een veel mindere, dan deze beide groepen afzonderlijk zelfs, arbeiders- en overige middenstands bevolking bestond. Terwijl de bevolking van Bocholtz uit circa 75% arbeiders, ruim 5% middenstanders, waaronder begrepen de neringdoenden en de rest landbouwers bestond. Het verdwijnen van de naam Bocholtz was ook een punt, gezien de belangrijkheid van deze plaats in de geschiedenis, dat eveneens niet verteerbaar was. De commissie stelde voor, dat bij een onverhoopte samenvoeging best de naam "Bochveld" zou kunnen worden gehanteerd, als naam voor een "mooie verzameling van velden".
In het schrijven van de raad van 12 november 1921 werd nog wat verdere uitbreiding gegeven aan de motivatie. * 
De plannen van Gedeputeerde Staten hebben toendertijd niet geleid tot concrete herindeling van de gemeente en zo kon de bevolking en het bestuur zich wijden aan de dagelijkse bezigheden.
Met ingang van 1 januari 1936 werd door een Koninklijk Besluit bepaald, dat de bediening van de functies van gemeente-ontvanger en gemeentesecretaris weer door één persoon zouden worden bekleed. Sinds 1924 was K.C. Herberigs al ontvanger van de gemeente en sinds 1930 ook secretaris.
Eind jaren dertig werd het in Europa en met name in Duitsland onrustig, waarbij de onrust in Duitsland escaleerde en het begin van de Tweede Wereldoorlog inluidde. Tijdens deze periode kwam Nederland ook onder invloed van de Duitse machthebbers te staan, waarbij bestuurlijke veranderingen niet uitbleven.
Ten tijde van de inval van het Duitse leger bestond de raad van Bocholtz uit burgemeester J.W.H. Houbiers en de leden van de raad die op 8 juni 1939 waren gekozen bij de gemeenteraadsverkiezingen: H. Dumont, W. Franssen, A. Housen, J.J. Huppertz, C.J. H. Meijers, C.J. Schrijvers, A.J. Sodermans, L.H.M. Vaessen, L.J. Vanhommerig, P.L. Vliex en J.H. Widdershoven. *  Als wethouders waren op 5 september 1939 verkozen, H. Dumont en L. Vaessen. *  Secretaris en ontvanger was nog steeds K.C. Herberigs.
Op 15 mei 1940, enkele dagen na het binnentrekken van de Duitse troepen in Bocholtz, vergaderde het college van burgemeester en wethouders weer. Wethouder Dumont werd belast met de zorg voor de vleesvoorziening en zijn collega wethouder Vaessen zou voor de broodvoorziening gaan zorgen. Het dagelijkse leven ging weer door, ondanks de veranderende toestand, zo verleende het college van burgemeester en wethouders op die dag aan de fanfare St. Cecilia vergunning voor het houden van een muziekfeest. *  In de loop van de komende jaren tot aan het eind van de oorlog zou het niet voor iedereen gemakkelijk worden.
Geschiedenis van de archieven (1.2.)
Verantwoording van de inventarisatie (1.3.)
Lijsten (1.4.)
Inventaris
Archief van het kadaster (2.6.)
Documentatie (2.12.)
Kenmerken
Datering:
(1668) 1794-1940 (1970)
Omvang:
ca. 21 meter
Citeerinstructie:
Bij het citeren in annotatie en verantwoording dient het archief tenminste eenmaal volledig en zonder afkortingen te worden vermeld.
Daarna kan worden volstaan met verkorte aanhaling.
VOLLEDIG:
Rijckheyt, Centrum voor Regionale Geschiedenis, Heerlen. Toegang T101 Gemeente Bocholtz, (1668) 1794-1940 (1970)
VERKORT:
NL-HrlRi T101
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS