Uw zoekacties: Ommelander Archieven, 1558 - 1862

2 Ommelander Archieven, 1558 - 1862 ( Groninger Archieven )

Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

beacon
 
 
Inleiding
1. Inleiding
2 Ommelander Archieven, 1558 - 1862
Inleiding
1.
Inleiding
ead-typering:
bioghist
Organisatie: Groninger Archieven
In het Friese gebied tussen Zuiderzee en Wezer was in de loop der middeleeuwen het landsheerlijk gezag verdwenen. Evenmin had zich er een staatkundige eenheid gevormd, al was er een tijdlang een losse binding geweest door het verbond van de Upstalboom. De landschappen stonden elk op zichzelf met eigen landrechten en instellingen, die echter onderling wel een grote overeenkomst vertoonden. Ook in deze landjes zelf werd de verbrokkeling steeds groter; een eigenlijk bestuur was er niet, de abten der kloosters en de hoofdelingen, voorlopers van de latere jonkers, waren de feitelijke machtsdragers geworden.
In dit heerloze land ging de in het uiterste noorden van Drente tot ontwikkeling gekomen stad Groningen met succes een rol spelen. Ze trachtte er niet alleen haar stapelrecht te vestigen, maar ook politiek haar wil te doen gelden. Lauwers en Eemsmond, verwijd tot de Dollard, werden op den duur de natuurlijke grenzen van haar invloedssfeer. Het Oldambt en een gedeelte van Reiderland wist ze aan zich te onderwerpen, evenals het niet Friese Gorecht c.a. Met de overige Ommelanden, Vredewold, Langewold, Humsterland, Hunsingo en Fivel(in)go gelukte dit niet in die mate. Wel wist ze door verdragen, het laatst dat van 1482, deze landschappen nauw aan zich te verbinden. Op den duur zou aldus een nieuwe eenheid Stad en Ommelanden ontstaan.
Omstreeks 1500 veranderde de situatie. De Saksische hertogen in Westlauwers Friesland, de graaf van Oost-Friesland en de hertog van Gelre trachtten er met meer of minder succes hun landsheerlijk gezag te vestigen, totdat in 1536 Karel V als overwinnaar te voorschijn kwam. Als één gewest gingen Stad en Ommelanden nu deel uitmaken van de "Nederlanden".
Reeds vóór 1536 was langzamerhand uit bijeenkomsten te Groningen van vertegenwoordigers van Stad en Ommelanden een Statencollege gegroeid, dat evenwel nog geen vaste vorm had aangenomen. Op den duur werden het abten, prelaten, hoofdelingen, eigenerfden en, waar geen eigenerfden woonden, uit elk kerspel twee "volmachten", die de Ommelanden vertegenwoordigden. Ook traden gedeputeerden op namens Stad en Lande. Eveneens in de stad kwamen de Ommelander rechters bijeen voor rechtspraak en wetgeving: de Ooster- en Westerwarf. Uit deze warven hadden zich in de 15e eeuw de stedelijke Hoofdmannen tot een zelfstandig, meer permanent college ontwikkeld met een zekere rechtsmacht over de Ommelanden * 
Voortdurende twisten tussen Stad en Ommelanden, voornamelijk over het stapelrecht *  en de Hoofdmannenkamer, brachten de Ommelanders er in 1558 toe enige besluiten te nemen, welke de grondslag zouden leggen voor een eigen bestuursorganisatie. Zonder de stad er in te kennen belastten ze de 3e oktober van dat jaar een college van gedeputeerden met de verdediging van de Ommelander vrijheden. De 28e september 1559 werd een syndicus benoemd, een woord- en penvoerder te vergelijken met de pensionaris in de Hollandse steden, terwijl de 13e mei 1560 een begin werd gemaakt met het vormen van een eigen kas door het uitschrijven van een halve jaartax. Hoewel Stad en Ommelanden nog samen bleven beraadslagen ter bespreking van gemeenschappelijke aangelegenheden, vooral ten aanzien van de landsheer, werden de onderlinge Ommelander bijeenkomsten steeds veelvuldiger. Klein Friesland was de naam waarmee ze hun land officiëel gingen aanduiden. Dit alles onder protest van de stad.
Ondanks de pogingen van het centraal bestuur tot verzoening werd de kloof steeds breder. De Ommelanders streefden naar volledige afscheiding van de stad en bouwden hun organisatie gestadig verder uit, o.a. door de benoeming van een eigen secretaris en rentmeester. Deze twist beheerste ook het wederzijdse stellingnemen t.a.v. de Opstand. De Ommelanders zochten na 1576 dadelijk contact met de Generaliteit en tekenden ook onmiddellijk de Unie van Utrecht. De stad betwistte principieel het recht der Ommelanden daartoe en kon zelf niet afzonderlijk tekenen zonder daarmee dit recht te erkennen. Na het verraad van Rennenberg in 1580 geraakten beide partijen in geheel vijandige kampen, de stad werd Spaans, de Ommelanden bleven Staats. Toen hun gebied door de Spanjaarden veroverd werd, gingen de Ommelander gedeputeerden in ballingschap naar Oost- en Westfriesland, waar ze zich als de wettige regering der Ommelanden bleven beschouwen. In 1594 keerde de kans. Groningen moest capituleren voor de Staatse troepen. Hoewel de Ommelanders militair hadden overwonnen, werd de reductie van de stad staatsrechtelijk voor hen een nederlaag, want als één gewest werd Stad Groningen en Ommelanden in de Unie opgenomen *  . Over de voorwaarden werd nog enige jaren getwist, totdat op 8 maart 1599 de Staten- Generaal de eindbeslissing gaven. Aan de Ommelanden werd o.a. het recht gelaten afzonderlijke vergaderingen te houden en eigen belastingen te heffen. De onderlinge harmonie werd door deze uitspraak niet hersteld; voortdurend bleven twisten over stapelrecht, Hoofdmannenkamer enz. de bestuurswerkzaamheden vertragen, soms zelfs geheel stilleggen.
De regeringsvorm der Ommelanden bleef in hoofdzaak ongewijzigd, werd alleen nader gepreciseerd en uitgebouwd, het eerst bij de regelingen van 2 juni en 5 september 1608 en 22 februari 1609 *  . Over de interpretatie daarvan, speciaal over de comparitie ten landdag en het recht van overstemming rezen aanhoudend onderlinge geschillen. Herhaaldelijk werd een beroep gedaan op de Staten-Generaal om tussen beide te komen. De 8e juli 1655 gaf dit college een beslissing, welke werd gewijzigd bij het reglement van 19 april 1659 en enigszins herzien en aangevuld bij de zgn. "nadere correctie ende ampliatie" van 22 februari 1663. Dit reglement bleef van kracht tot de invoering van het Reglement Refermatoir van 1749.
Het bepaalde, dat de regering der Ommelanden zou bestaan uit jonkers, hoofdelingen en eigenerfden, die in eigendom en bezit moesten hebben 30 grazen land waarvan de ligging en waarde nader waren omschreven. "Jonker en hoofdeling" was in dit verband een titel, want zij moesten aan dezelfde voorwaarden voldoen als de andere eigenerfden. De kerspelen, waar dergelijke eigenerfden niet woonden, waren vertegenwoordigd door een of twee volmachten, te kiezen door en uit de ingezetenen, die minstens 30 grazen land in gebruik hadden. Bovendien vaardigde de stad Appingedam twee volmachten af.
De Ommelanden bestonden uit de drie oude kwartieren Hunsingo, Fivelingo en Westerkwartier, die elk in 1659 verdeeld werden in drie onderkwartieren, administratieve en geen territoriale eenheden, die wel gedeeltelijk de namen droegen van oude landschappen en ambten, maar wier omvang willekeurig gekozen was om alle een evenredige aantal, bij name genoemde kerspelen te geven.
Deze verdeling in 9 onderkwartieren was van groot belang. In de eerste plaats was voor het formeren van alle provinciale en Ommelander resoluties een meerheid van zes onderkwartieren nodig, voorzover er in gewichtige zaken geen eenstemmigheid vereist was. In de onderkwartieren zelf werd bij gewone meerderheid van stemmen beslist. In de tweede plaats wees elk onderkwartier een ordinaris en extraordinaris gecommitteerde raad aan, benevens een arbiter of rechter en een monsterheer. De taak der gecommitteerden wordt in het reglement niet omschreven, de arbiters moesten eventuele geschillen over het reglement oplossen, terwijl de monsterheren belast waren met het onderzoek der geloofsbrieven van de landdagcomparanten. Bovendien ging de verkiezing van leden van provinciale en generaliteitscolleges, die voor twee jaar zitting hadden, bij tourbeurt over de onderkwartieren rond.
De taak van Gecommitteerde Raden, syndicus, secretaris, rentmeester, enz. was geregeld in speciale instructies.
Het college van Gecommitteerde Raden had als eerste opdracht tezamen met de syndicus de Ommelander vrij- en gerechtigheden voor te staan, in het bijzonder tegenover de stad en Hoofdmannenkamer. Verder hadden ze de zorg voor de Ommelander financiën; ze verpachtten b.v. de Ommelander accijnzen en spraken recht in pachtkwesties. De rekening van de rentmeester hoorden ze af tezamen met de extra-ordinaris gecommitteerde raden. Dezen kwamen ook wel bij andere gelegenheden met de ordinaris-raden bijeen. In het algemeen is de functie der Gecommitteerde Raden te vergelijken met die der Gedeputeerde Staten in de provincie.
De syndicus komt overeen met de raadpensionaris in Holland; de functies van secretaris, rentmeester enz. behoeven geen nadere uitleg.
De Ommelanden vormden bovendien het tweede lid in de regering van Stad en Lande. Op de Ommelander landdagen werden dientengevolge naast de eigen ook en vooral de provinciale aangelegenheden behandeld. De besluiten daar genomen bepaalde de stem der Ommelanden op de provinciale landdag, waar hun syndicus hun woordvoerder was. In het college der Gedeputeerde Staten bezetten zij de helft der zetels.
De voornaamste wijzigingen in de regeringsvorm der Ommelanden bij het Reglement Reformatoir van 1749 aangebracht, waren, dat de subdivisie in onderkwartieren werd afgeschaft. De stemmingen en benoemingen geschiedden voortaan kwartiersgewijs. Delfzijl, dat als kerspel wel het recht had eigenerfden of volmachten af te vaardigen, maar dit praktisch niet uit kon oefenen bij gebrek aan landelijk territoir, mocht zich voortaan door één of twee volmachten laten vertegenwoordigen op de landdag met samen één stem. De keuze zou geschieden door de ingezetenen die een eigen huis bewoonden en hoofd- en haardstedengeld betaalden. De stadhouder zou de monsterheren en arbiters uit de Ommelander regering mogen aanstellen en alle hoge politieke ministeriële bedieningen vervullen. De macht der oligarchie werd door het Reglement Refermatoir sterk beperkt, die van de stadhouder zeer uitgebreid.
De revolutie van 1795 voltrok zich ook in het Ommelander bestuur. De 17e februari van dat jaar verlieten de Ommelander heren hun vergaderzaal ten behoeve van een comité revolutionnair, dat zogenaamd optrad uit naam van de burgerij der Ommelanden. Dit comité had reeds gezorgd voor de vorming van een college van 18 provisionele representanten, die nu het bestuur overnamen. Een definitieve regering zou op geheel andere basis worden gekozen dan voorheen. Alle mannen die in de haardstedebelasting vielen kregen stemrecht, bovendien de leden der exercitiegenootschappen boven de 20 jaar. Elk kerspel zou een volmacht afvaardigen. Deze volmachten kwamen op 22 april 1795 in het Ommelanderhuis te Groningen bijeen, waar het comité revolutionnair 12 kiezers uit hen benoemde. Dezen kozen 18 representanten, die zich ook nog provisioneel noemden, immers pas op 4 november werden 12 definitieve representanten gekozen.
De Unitaristische omwenteling van 22 januari 1798 had tengevolge, dat de gewestelijke soevereiniteit werd opgeheven. De representanten der Ommelanden zetten zich de 27e januari om in een Intermediair Administratief bestuur met uiteraard sterk verminderde bevoegdheden. De 28e februari d.o.v. werd een municipaliteit van vier leden geïnstalleerd, volkomen ondergeschikt aan het Intermediair Administratief bestuur van het voormalig gewest Stad en Lande. De taak van deze municipaliteit schrompelde meer en meer samen tot niets anders dan het beheer van het vermogen der Ommelanden. Het Departementaal Bestuur vond haar dan ook spoedig overbodig en droeg de 27e maart 1804 het beheer der Ommelander kas over aan drie provisionele administrateurs, bijgestaan door een amanuensis-advocaat, een rentmeester en een bode.
Deze kas was in 1798 bij het amalgama der provinciale vermogens onaangetast gebleven, maar bij besluit van 8 juli 1802 van het Departementaal Bestuur onder toezicht gesteld van dit bestuur.
Een K.B. van 7 februari 1825 bepaalde onder andere, dat de drie administrateurs zouden uitsterven tot op één. De laatste zou dan worden gepensioneerd, waarna het beheer zou overgaan op de Gouverneur der provincie.
Nu er sinds 1804 geen Ommelander corporatie meer bestond, was er voortdurend discussie over de bestemming en verdeling der kas.
De inkomsten der Ommelanden hadden bestaan uit de opbrengst van de in 1618 *  aan de Ommelanden toegewezen kloostergoederen en van later aangekochte goederen, alsmede van enige belastingen als 1/8 verponding, bier- en wijnaccijnzen, ambt-, nering-, en slachtgelden, van aequivalenten en beleggingen. Door de staatsrechtelijke veranderingen sinds 1795 waren van deze inkomsten alleen overgebleven die uit de onroerende goederen en belegde kapitalen. Daarentegen waren de uitgaven ook sterk verminderd en beperkt tot die voor de traktementen der weinige functionarissen en onkosten verbonden aan het beheer van het vermogen. Er bleef elk jaar een vrij aanzienlijk overschot.
Reeds in 1801 was de municipaliteit der Ommelanden, na raadpleging van het volk der Ommelanden door middel van een volksstemming, er toe overgegaan uit haar kas jaarlijks een bijdrage te geven aan de kort te voren gevormde plaatselijke besturen. Toen de Ommelanden staatsrechtelijk ophielden te bestaan kwam het denkbeeld op de kas te verdelen onder de inmiddels gevormde Ommelander gemeenten. Van een verdeling kwam niets; wèl werd sinds 1824 jaarlijks ? 10.000 uitgekeerd aan de gemeenten van de voormalige Ommelanden. Van 1825 - 1849 werd tevens ? 5.000 uitbetaald aan de gezamenlijke eigenaars, of hun erfgenamen, van de in 1795 opgeheven redgerrechten. Ook de provinciale archivaris ontving jaarlijks ? 250 voor het verzamelen van oude oorkonden.
Bij sommigen had, vooral na 1850, het denkbeeld post gevat, dat de kas in 1798 eigenlijk aan het staatsdomein had moeten vervallen en dat alsnog moest geschieden. De regering besloot in 1862 een rechterlijke uitspraak te forceren door in september van dat jaar een K.B. te laten uitgaan, waarbij met ingang van 1863 het beheer van de kas zou worden overgedragen aan de ontvangers der Registratie en Domeinen. Inderdaad gingen nu de gemeenten, uitmakend het territoir van de vroegere Ommelanden, een procedure aan tegen het Rijk. Pas de 13e mei 1870 wees de Hoge Raad arrest, waarbij het eigendomsrecht der betrokken gemeenten werd erkend. Deze besloten nu de bezittingen te verkopen en voor de verdeling van de opbrengst een commissie in te stellen. Het kostte nog enige moeite om voor elke gemeente een juist verdelingspercentage te vinden, maar in 1872 vond toch eindelijk de verdeling plaats.
2. Het archief
Bijlagen
1. Korte literatuurlijst
2. Lijst van syndici
3. Lijst van secretarissen
4. Lijst van rentmeesters en ontvangers
Regestenlijst
N.B. Als eindpunt is genomen het jaar 1558; dan begint de vorming van een Ommelander bestuursorganisatie, welke al spoedig het ontstaan van moeilijk in regestvorm te brengen protocollen en bundels processtukken ten gevolge heeft.
Om een lijvige en onnodige doublure te voorkomen zijn geen regesten opgenomen van de documenten in conventie en reconventie (inv. nrs 789 - 827), aangezien deze in hoofdzaak stadsstukken bevatten, waarvan de inhoud t.z.t. zal worden vastgelegd in de regestenlijst bij de inventaris van het archief der gemeente Groningen. Ook zijn geen gegevens opgenomen uit de afschriften der warfsordelboeken (inv. nrs. 1263 - 1266), daar deze gegevens zijn in de verhandelingen van Pro Excolenso Jure patrio dl. 7 I (Groningen 1863) en bovendien maar zelden geschikt zijn voor de regestvorm. Voorzover oorkonden volledig zijn opgenomen in de Oorkondenboeken van Groningen en Drenthe en het Sticht Utrecht, zijn de regesten daarvan zeer kort gehouden. Naar een volledigheid van opgave van gedrukte bronnen is niet gestreefd.
Lijst van zegels
N.B. Deze lijst is vervaardigd door A. Pathuis.
Het inventarisnmummer, waarin zich een zegel bevindt, wordt voorafgegaan door het jaartal, eventueel de jaartallen, en één of twee van de volgende letters, die de aard en kwaliteit van het zegel aangeven: G = goed, eventueel vrij goed of met geschonden randschrift; B = beschadigd, eventueel afgebrokkeld met grotendeels verdwenen randschrift; R = rest(en). Zonder nadere aanduiding betreft het uithangende zegels. Bij opgedrukte zegels wordt de kwaliteitsaanduiding voorafgegaan door een O.
Er is niet naar gestreefd alle zegels te vermelden, die er van een bepaalde soort aanwezig zijn. Van de zegels van de Staten-Generaal en die der stad Groningen zijn slechts een beperkt aantal opgenomen. Ook als in een inventarisnummer meer gelijke zegels aanwezig zijn, is daarvan geen melding gemaakt.
Aepkens, Jan, 164 OB nr. 858
Addinga, Hayo, 1560 G nr. 101
Aduard, abt van, 1560 OB nr. 151
Ahues, Gerardus, 1560 B nr. 101; 1575 B nr. 146; 1577 OB nr. 185; 1579 OG nr. 224
Albada, Aggaeus, 1561 OB nr. 109
Alberda, Gerardt, 1733 OG nr. 744
Alberda, Reint, 1677 OG nr. 1281
Alberda, R., 1643 OB nrs. 858, 861
Alberda, Unico Allard, 1701 B nr. 582
Albertine, 1753 OR nr. 1038
Albertine (Agnes), 1673 OR nr. 375
Aldringa, J., 1640 OG nr. 850; 1643 OG nrs. 858, 861; 1644 OG nr. 862; 1654 OG nr. 704
Alting, Menso, 1730, 1734 B nr. 745; 1739 OG nr. 744
Amsingh, H., 1787 OG nr. 378
Anna Prinses Royal, 1751-1757 OB nr. 1038; 1752-1754 OB nr. 747; 1752-1755 OB nr. 377
Appingedam, 15790 OB nr. 228; 1600 OB 596; 1787-1788 OG nr. 378
Aremberg, zie Ligne
Arensma, A.C., 1647 OB br. 575
Arnhem, Godfried van, 1559 R nr. 102
Asschendorp, Evert van, 164 OB nrs. 858, 861
Aswede, Caspar van, 1634 G nr. 580
Auwema, Bocko, 1587 B, OB nr. 273; 1589 OG nr. 226
Auwema, Albrecht van, 1398 R nr. 12
Beyeren, Albrecht van, 1398 R nr. 12
Bentheim, Everwijn van, 1663 OG nr. 1451
Berg, Arent van den, circa 1653 OB nr. 1074
Bergh, Elisabeth van den, 1666 OG nr. 1075
Berckhuys, A., 1643 OG nr. 858
Berchuys, A. van, 1830 OG nr. 1603; 1860 OB nr. 1522
Berum, Remmers van, 1597 OB nr. 751
Besten, Wolter van, 1560 OG nr. 106
Bleswijck, 1639 OB nr. 375
Bolhuis, A.E. van, 1643 OG nrs. 858, 861
Borchardus, aartsbisschop van Bremen, 1342 R nr. 3
Braver, Laurentius, 1577 OG nr. 294
Broersema, Menno, 1643 OG nrs. 858, 861
Broersema, P., 1632 OR nr. 823
Broersema, Tjaart, 1597 OB nr. 751
Buning, (J.C.?), 1826 OG nr. 1529
Departementaal Gerechtshof, 1808 OB nr. 1517
Derks, Hinderk, 1736 OR nr. 1339
Diepholt, Rudolf van, 1433 B nr. 59
Doccum, Hermannus van, 1571 OG nr. 159; 1579 OG nr. 294
Draxsdorp, Vyt van, 1506 OB nr. 27
Drenthe, 1338 R nr. 9; 1665 OB, 1667 OG nr. 883
Egmond, Floris van, 1515 OB nr. 27
Enthens van Mentheda, Asinge, 1583 OB nr. 263
Enthens van Mentheda, 1580 OG nr. 237
Ewsum, Anna van, 1664 OR nr. 375
Ewsum, Christoffer van, 1561 G nr. 108; 1579 OG nr. 294
Ewsum, Johan van, 1559 B nr. 102
Ewsum, Wigbolt van, 1506 OG nr. 27; 1577-1578 OB nr. 294; 1587 OG nr. 273
Ewsum, Van, 1561 contrazegel G nr. 105
Philips II, 1560 B nr. 152; 1563 R nr. 112; 1570 R nr. 131; 1576 OB nr. 173; 1578 OG nr. 197, OB nr. 198; 1579 OG nr. 209
Fivelgo, 1338 B nr. 9; 1361 B nr. 10; 1473 B nr. 24; 1561 B nr. 105
Fivelgo-Westerambt, 1431 B nr. 43; 1482 G nr. 25
Foswerd, abt van, 1348 G nr. 6
Friesland, Gedeputeerde Staten, 1665 OB nrs. 375, 883; 1667 OB nr. 883
Friesland, Hof van Justitie, 1603 B nr. 899
Friesland, President en raden in, 1577 OB nr. 234
Froma, Jacob, 1597 OB nr. 751
Gaykinga, Allard, 1592 OG nr. 280
Gelre en Zutphen, 1633, OB nr. 854
Goeverneur des Konings, 1829-1848 OB nrs. 1518, 1519, 1520, 1603
Greve, Johannes 1589 OB nr. 277
Greving, 1773 OG nr. 720; 1754 OR nr. 377
Groningen, 1338 R nr. 9; 1361 B nr. 10; 149 R nr. 19; 1458 OR nr. 48; en 1480-1504 OB, OR nr. 51; (stadssignet, gebruikt door burgemeesters, raad en hoofdmannen, en genaamd Stad en Lande secreet) 1470 B nrs. 22, 23; 1498 B nr. 26; 1560 OB nr. 151; 1567 OG nr. 128
Groningen, provincie 1858 OB nr. 1522
Gruys, Hilbrant, 1643 OB nrs. 858, 861
Gruys, J.H.J., 1787 OB nr. 378
Gualteri, Johannes, 1643 OG nr. 858
Guichart, F.J., 1798 OB nr. 584
Hoendrickx, Johan, 1643 OB nr. 858
Hoern, Arnd van, 1372 B nr. 59
Hof van Justitie, 1800 OB nr. 579
Holthe, Writzer ten, 1605 OB nr. 751
Holten, Johan ten, 1560 OG nr. 106
Hoofdmannenkamer, 1567 OB nrs. 128, 153; 1571 OB nr. 129; 1572 OG nr. 96; 1574 OB nr. 139; 1575 B nr. 304; 1576 OB nrs. 148, 172; 1579 OB nr. 225; 1619 OB nr. 681; 1640 OB nr. 1329; 1654 OB nr. 1335; 1730 OB nr. 541
Houwerda, Menno, 1558 G nr. 101; 1561 contrazegel G nr. 105
Houwerda, Menno, 1558 G nr. 101; 1561 contrazegel G nr. 105
Houwerda van Meckema, M., 1652 OR nr. 375
Hoving, W.H., 1787 OG nr. 378
Humsterland, 1361 G nr. 10; 1428 R nr. 21; 1473 G nr. 24; 1482 B nr. 25; 1561 G nr. 105
Hunsingo, 1361 R nr. 10; 1379 B nr. 41; 1473 R nr. 24; 1482 G nr. 25; 1561 B nr. 105
Hunsingo-Halfambt, 1400 B nr. 14
Ywe, kerkheer te Heveskes, 1435 R nr. 45
Inn- und Kniphausen, Von, zie Kniphuisen
Jans, Ewe, 1765 OR nr. 573
Jarges, Eyzo, 1687, 1688 g nr. 55
Jensema, Hiddo, 1559 B nr. 102; 1560 OG nr. 151
Jensema, Remt, 1577 OG nr. 185; 1587 OB nr. 273; 1589 OG nr. 266; 1592 OB nr. 280
Karel V, 1537 R nr. 33; 1539 B, 1545 R nr. 62
Cate, S.H. ten, 1825 OG nr. 1529
Kempis, Cornelius, 1562 G nr. 110, B nr. 101
Kenninck, Arnoldus, 1577 B nr. 185
Keuchenius, J., 1718 OB nr. 1084
Clama, Hemmo, 1595 OG nr. 758
Clant, Andolph, 1644 OG nr. 862
Clant, Edzard Jacob, 1643 OB nr. 861
Clant, E.J., 1643 OG nr. 858
Clant, Herman, 1643 OB nr. 861
Clant, Hindrick, 1587 OG nr. 273; 1589 OB nr. 266
Clant, H., 1643 OB nr. 858
Clant, Johan(nes), 1562 G nrs. 101, 110; 1603 B nr. 899
Clant, Lucas 1643 OR nr. 1309
Clant van Stedum, J., 1654 OG nr. 704
Cleveringa, H., 1787 OG nr. 378
Kniphuisen, R.W., 1654 OR nr. 704; 1656 OB nr. 709
Co(e)bel, Philips 1564 OR nr. 118
Coehoorn, J., 1643 OB nr. 858
Coenders, Albert, 1632 OR nr. 823; 1643 OB nrs. 858, 861
Coenders van Helpen, Bernhard, (1643?) OG nr. 1317
Commissaris des Konings, 1851-1862 OB nr. 1522
Coops, Willemtien, 1653 OB nr. 1074
Cornelius, Petrus, 1576 OG nr. 294; 1577 G nr. 181, 1578 G nr. 203; 1579 G nr. 208
Kraeyvanger, Henrick, 1589 OG nr. 266
Cuylenborg, Floris van, 1589 OG nr. 266
Laan, J.J. van der, 1839 OG nr. 1519
Lalaing, Georg van, 1577 OG nrs. 179, 180, 183, 184; 1578 OG nrs. 189, 192; 1579 OG nrs. 217, 219, 220
Langewold, 1473 B nr. 24; 1482 B nr. 25; 1561 G nr. 105
Lanth, Arnold, 1563 OG nr. 69n; 1575 B nr. 143
Lewe, Abel, 1654 OR nr. 704
Lewe, Evert, 1632 OR nr. 823
Lewe, Joest, 1654 OG nr. 704
Lewe van Middelstum, E.J., 1825 OR nr. 1529
Ligne, Johan de, 1550 G nr. 34; 1564 OR nr. 118
Lontzen, Henricus, 1571 OB nr. 159; 1576 G nr. 149
Louwens, Idse, 1632 OR nr. 823
Makdowel, G., 1643 OB nr. 858
Manninga, Hayo, 1578 OB nr. 294
Manninga, Hayo Unico, 1643 OG nr. 858
Manninga, Luirt, 1597 OB nr. 1519
Maerius (?), 1839 OG nr. 1519
Marne, 1375 B nr. 40; 1400 B nr. 14; 1407 R nr. 15; 1417 G nr. 17; 1561 G nr. 105
Meckema, Philips, 1594 OB nr. 758
Meckema, M. Houwerda van, 1652 OR nr. 375
Mentata, Albertus, 1371 B nr. 11
Mepsche, Johan de, 1587 B nr, 273; 1590 OG nr. 266; 1643 OB nrs. 858, 861
Mepsche, Rudolf de, 1595 OB nrs. 758
Middag, 1407 G nr. 15; 1417 R nr. 17; 1428 B nr. 21
Munster, Roleff van, 1558 G nr. 101
Nansum, Eppo, tho, 1643 OB nr. 858
Nansum, Heero, tho, 1632 OR nr. 823; 1633 OB nr. 1336
Niekerck, G., 1671 OG nr. 887
Ommelanden, 1581 OG nr. 251; 1597 OB nr. 751; 1598 OB nr. 1054; 1639, 1642 B nr. 555; 1644 OB nr. 861; 1649 OG nr. 872, OB nr. 874; 1658 OB nr. 359; 1663 G nr. 55, OB nr. 565; circa 1670 OB nr. 750; 1677 OB nr. 1281; 1691 B nr. 555.
Oostenrijk, Johan van, 1576 OB nr. 173
Oosterambt, 1400 R nr. 14; 1407 R nr. 15; 1417 B nr. 17
Oostergo, 1361 R nr. 10
Oosterhoff, Alb. van, 1679 OB nr. 1273
Oost-Friesland, 1511-1512 OG nr. 54; 1512 B nr. 56
Oost-Friesland, Edzard van, 1506, 1510 OG, OB nrs. 53-55
Onsta, Abel, 1561 contrazegel B nr. 105
Peppink, H., 1828 OB nr. 1603
Piccardt, Henric, 1677 OG nr. 888
Piccardt, Jan, 1729 OB nr. 744
Polman, A., 1644 OG nr. 862
Raad van State, 1576 OB nr. 173; 1594 OB nr. 1052
Reyde, Jan van, 1618 OB nr. 596
Rengers, Dutmar, 1561 B nr. 108; 1571 OG nr. 132
Rengers, Edzard, 1571 OG nr. 132; 1575 G nr. 146; 1576 B nr. 149; 1577 B nr. 185
Rengers, Johan, 1597 OB nr. 762
Rengers, O.J., 1643 OG nr. 858, OB nr. 861; 1654 OR nr. 704
Rengers, Zeyno, 1560 G nr. 101
Rengers, Coenraad van, 1598 OB nr. 762
Ripperda, B., 1506 OB nr. 27
Ripperda, Haye, 1435 B nr. 45
Ripperda, Hero Mauritsm 1630 G nr. 574
Ripperda, Jakob, 1579 OB nr. 224
Ripperda, Joachim, 1597 OB nr. 751
Ripperda, J., 1654 OB nr. 704
Ripperda, Maurits, 1561 G nr. 108
Rippert, abt van Aduard, 1371 B nr. 11
Robles, Casper de, 1576 OB nr. 298
Royen, A.J. van, 1840 OG nr. 1530
Saksen, Georg van, 1502-1506 OB, 1515 OG nr. 27
Saksen, Hendrik van, 1502 OB nr. 27
Schaffer, B., 1632 OR nr. 823
Sickinghe, J., 1639 OB nr. 856
Sickinghe, F., 1643 OB nr. 858; 1654 OG nr. 704
Sickinghe, Peter, 1575 R nr. 143
Stad en Ommelanden, 1622 OG nr. 825; 1787, 1788, 1790 OB nr. 378; 1787-1794 OG nr. 584
Stallmeister, J., 1640 OG nr. 576
Starkenborgh, zie Tjarda van Starkenborgh
Staten-Generaal, 1581 B nr. 252; 1597 OB nr. 762, B nr. 761; 1599 B nr. 763, G nr. 764; 1640 G nr. 848; 1644 OG nr. 861, 862; 1645 OG nr. 863; 1649 G nr. 873; 1655 G nr. 706; 1659 G nr. 712; 1663 OB nr. 714; 1666, 1667, 1669 OG nr. 714; 1667 OG nr. 883; 1732-1736 OG nr. 720; 1787 OG nr. 378; z.j.
Sterrevelt, Adr. van, 1670 OR nr. 887
Tamminga, Onno, 1643 OR nr. 858; 1652 OG nr. 877; 1654 OG nr. 704; 1677 OG nr. 1281
Tamminga, S., 1643 OG nr. 858
Tasma, Harmen, 1595 OG nr. 858
Tissingh, Gerardus, 1577 G nr. 182
Tiaden, G., 1643 OB nrs. 858, 861
Tyaersma, Wyet, 1510, 1511, B nr. 47
Tiacke, cureet te Loppersum, 1432 OR nr. 44
Tjarda van Starkenborgh, Johan, 1589, 1590 OG nr. 266; 1597 OB nr. 751
Tjarda van Starkenborgh, Ludolf, 1735 OG nr. 744; 1736 OG nr. 720; 1737 OG nr. 744
Tjarda van Starkenborgh, L., 1643 OR nr. 858
Tuuk, Van der, 1807 OR nr. 1534
Ubbena, 1632 OG nr. 823
Utrecht, kapittel van de metropolitane kerk, 1594 G nr. 759
Uulford, persona te Baflo, 1425 B nr. 42
Velthuisen, Hindrick, 1579 OG nr. 230; 1583 OB nr. 266
Verrutius, H., 1589 OG nr. 266
Vredewold, 1561 R nr. 105
Walcko, cureet in de Marne, 1375 B nr. 40
Welvelde, (Van?), 1825 OG nr. 1529
Werninck, Gerhardus, 1562 B nr. 101, 110
Westerambt-Fivelgo, 1431 B nr. 43; 1482 G nr. 25
Westergo, 1361 B nr. 10
Willem II, stadhouder, 1648 OG nr. 863
Willem IV, Carle Hendrik Friso, 1733-1747 OG nr. 747; 1739, 1749 OB nr. 1038; 1743, 1746, 1751 OG nr. 377
Willem V, 1773-1794 OB nr. 1038; 1774-1789 OG nr. 747; 1775, 1782, 1787, 1789, 1791 OG nr. 378; 1789 OG nr. 1038
Willem Frederik, 1662 OB nr. 880, 1075
Willem Lodewijk, 1588 OG nr. 276; 1594 OB nr. 286; 1595 OB nr. 1273; 1610 OG nr. 700
Wisses, H. (?), 1797 OB nr. 909
Wolfsen, Henricus, 1662 OB nr. 541
Wolthers, 1732 OR nr. 720
Woltherus, J., 1643 OG nr. 861
Wychgel, H.L., 1825 OB nr. 1529
Wychgel, L.H., 1825 OG nr. 1529
Zandt, Asserus, 1595 OG rn. 758
Zijl, Peter van, 1566 OB nr. 113
Zollern, douairère zu, 1666 OG nr. 1075
Zutphen, Gelre en, 1633 OB nr. 854
Onbekende zegels, 1737 OG nr. 1339; 1787 OG nr. 378