Uw zoekacties: Stadsbestuur van Utrecht, supplement
x703-a Stadsbestuur van Utrecht, supplement ( Het Utrechts Archief )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

703-a Stadsbestuur van Utrecht, supplement ( Het Utrechts Archief )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
Zoektips!

Wildcards kunnen het zoeken vergemakkelijken:

  • Een ? (vraagteken) vervangt een letter
  • Een * (sterretje) vervangt een aantal letters
  • Door een $ (dollarteken) voor een zoekterm te zetten, zoekt u naar woorden die op elkaar lijken.

Meer zoektips vindt u hier.

 
 
Inleiding
Voorwoord
Bijvoegselen bij de geschiedenis van het archief
703-a Stadsbestuur van Utrecht, supplement
Inleiding
Bijvoegselen bij de geschiedenis van het archief
Organisatie: Het Utrechts Archief
Als inleiding van het eerste deel van den catalogus van het stads-archief heb ik indertijd opgesteld eene uitvoerige geschiedenis van het stads-archief, samengevoegd uit tallooze verspreide berichtjes, die ik bij mijn werk nu en dan vond en toen tot een geheel verwerkte. In de twintig jaren, die sedert verloopen zijn, heb ik voortdurend nieuwe dergelijke vondsten gedaan. Uit den aard der zaak was deze nalezing minder groot dan de eerste oogst geweest was; een goed samenhangend geheel vormt die natuurlijk ook niet. Maar toch scheen het mij niet gewenscht, de losse mededeelingen hier eenvoudig achter elkaar af te drukken: zoo zouden zij weinig begrijpelijk geweest en niet tot hun recht gekomen zijn. Ik heb ze dus zo goed mogelijk in een verband gebracht, onderling en ook met mijne vroegere mededeelingen. Aldus is er althans eenigszins een geheel van gemaakt, dat zich echter geheel moet aansluiten bij het vroeger geleverde verhaal.
Over de oudste archiefberging der stad kan ik nog enkele mededeelingen geven. Vroeger heb ik verhaald, hoe krachtens een raadsbesluit van 1342 het Liber albus (het oudste stedelijke rechtsboek) bewaard werd in “der stat kiste.” Deze kist wordt dan voor het eerst vermeld; maar eene halve eeuw later was het depôt in de stadskist toch blijkbaar reeds vrij omvangrijk. Immers het stads-kopijboek E *  bevat op fol. 129 eene lijst van “aldusdanighe brieve als legghen in der stat kiste”, die blijkens den inhoud moet dagteekenen van omstreeks 1394-97, maar die (helaas!) dien inhoud blijkbaar zeer onvolledig weergeeft.
Waar die stadskist stond, blijkt uit deze mededeeling niet. De plaats, waar zij zich bevond, wordt het eerst genoemd in een raadsbesluit van 1452 (Maandag na St. Mathijs): “Ontfenc die raet aut en niwe van Hugo van Gronenberch opten raethuise de brieff, dair onse genedigen heere van Utrecht der stat van Utrecht in geloeft heeft te betalen die gelde van die Drenthe. *  Ende wert geleyt in der stat kiste op sinte Katherinen poirte.” Daar stond de kist nog eene kwart-eeuw later; dit blijkt reeds uit de vroeger medegedeelde feiten. Ook de stadsklerk Tylman Momfelen was daar in 1478 werkzaam bij het nemen van de afschriften, waarvan ik vroeger verhaalde: immers zijn memoriaal (no. 32 van den Catalogus) bevat op fol. 19 de volgende kantteekening: “Collaccionate sunt presentes copie….. die XXIII Januarii anno LXXVIII.”.
Aangezien de kist op de Catharijnepoort in de veertiende eeuw telkens vermeld wordt als eene bewaarplaats van bisschoppelijke charters, terwijl ook de hierboven afgedrukte vermelding daarvan in 1452 eene bisschoppelijke oorkonte noemt, zou men geneigd kunnen zijn deze kist te identificeeren met “des lants kiste”, die ook op de Catharijnepoort stond en waarvan de schepenen der stad en de vijf kapittelen de sleutels bewaarden. Maar dit zou toch niet aangaan; want de boven de medegedeelde lijst van 1394/97 vermeldt stukken, die zonder twijfel aan de stad, niet aan den bisschop behoorden; en ook boven medegedeelde citaat van 1452 vermeldt op de Catharijnepoort duidelijk, naast de elders vermelde "des lants kiste", ook “der stat kiste”.
Was echter de op de Catharijnepoort bewaarde stadskist inderdaad de gewone bewaarplaats der stedelijke charters? Ik heb dit in mijn vroeger opstel zonder bedenken aangenomen, omdat ik geene andere stadskist op eene andere plaats vermeld vond. Maar thans heb ik het bewijs gevonden, dat er toch inderdaad reeds vóór de afbraak der Catharijnepoort ook elders eene bewaarplaats van stedelijke oorkonden was, en wel naar het schijnt juist in de Buurkerk, waar men ze verwachten zou. Op Donderdag na Remigii 1510 besloot de raad *  : “Peter Pot ende Geryt Peterss. Van Merenborch zijn gescict, om die kasse in de sacristie, dair der stat brieve in liggen, te versetten.” Er was dus inderdaad eene bewaarplaats van stedelijke oorkonden buiten de Catharijnepoort. Dit verwondert ons ook niet; want de stadspoort was geenszins de aangewezen bewaarplaats der stedelijke charters. Meer gewoon als brandvrije bewaarplaats der stads-privilegiën was de parochiekerk; en Utrechts oudste en voornaamste parochiekerk, waar zich ook de raadskapel bevond, was wel aangewezen, om ook de stedelijke charters veilig te bewaren.
Men zou geneigd kunnen zijn, deze kast te identificeeren met de oudermanskist, die sedert 1390 ook in de sacristie der Buurkerk stond *  . Maar dit zou toch onjuist zijn, want deze oudermanskist wordt reeds in 1342 vermeld naast de stadskist *  , en zij kan dus daarmede niet worden verward; trouwens de oudermannen waren het college, dat den raad controleerde. Derhalve, het waren gewis “der stat brieve,” stedelijke privilegiën, die bewaard werden in eene kast in de sacristie der Buurkerk.
Bestonden er derhalve twee bewaarplaatsen van stedelijke charters? Dit dient onderzocht. Opgemerkt dient dan dadelijk te worden, dat de vermelding dezer stadskast (die zeker grooter was dan de stadskist) eerst dagteekent van 1510, terwijl die kist op de Catharijnepoort in 1479 voor het laatst vermeld wordt. Daarbij herinner ik er aan, dat herhaaldelijk (b.v. in 1456 bij de bepaling, waar het nieuwe rechtsboek der schepenen zou bewaard worden *  zeer in het algemeen wordt gesproken van “onser stadt kiste”; daaruit zou men opmaken, dat er slechts ééne enkele stadskist geweest is. De conclusie moet dus zijn, dat de kist met de stedelijke privilegiën blijkbaar in de veertiende en vijftiende eeuw geplaatst was bij de landskist op de Catharijnepoort; maar dat zij, toen het aantal der charters toenam, vervangen werd door eene kast, die geplaatst werd in de sacristie der Buurkerk, waarheen reeds sedert 1390 ook de kist der oudermannen was overgebracht.
Het Oostenrijksche bestuur bracht in dezen toestand aanstonds verandering. Vroeger heb ik de interessante ordonnantie medegedeeld *  , waarbij de stadhouder, graaf Van Hoogstraten, in 1537 o.a. beschikkingen maakte tot organisatie van het stads-archief in een afzonderlijk “camptoir”, waarvan de burgemeester en de secretaris de sleutels zouden bewaren. Ik giste toen, dat het kanselerij-archief te gelijk wel in verband gebracht zou zijn met de stedelijke charters, die door de afbraak der Catharijnepoort dakloos geworden zouden zijn; nu het gebleken is, dat de stedelijke charters reeds in 1510 overgebracht waren naar de sacristie der Buurkerk, vervalt natuurlijk dit motief. Maar toch blijkt mijn vermoeden juist te zijn geweest; de charters zijn inderdaad overgebracht naar het stadhuis en daar geborgen bij het kanselarij-archief. Deze belangrijke hervorming blijkt zelfs reeds vroeger dan ik had vermoed tot stand gekomen te zijn: blijkbaar is de ordonnantie van den stadhouder aanstonds uitgevoerd. Immers reeds in 1541 verbond de stad zich tegenover haren buurman Huych Pott *  , die toen naast het stadhuis aan de Ganzenmarkt woonde *  , om zeker kruisraam in den achtergevel; van Lichtenberch aan de oostzijde, dat uitzag op Pott’s erf, toe te metselen; “ende dessgelijcx doer den gevell van de(r) stadt secreet ende scrijffcamer oick geen licht te sceppen over zijn erve, anders dan daer nu en staet.” Reeds in 1541 moet er dus aan den achtergevel van Lichtenberch een “secreet” (d.i. stellig eene bewaarplaats der charter) bestaan hebben met eene daaraan grenzende “scrijffcamer”.
Maar dit gebouwtje was toch stellig slechts eene voorloopige bewaarplaats, om het stads-archief alvast, volgens den wensch des stadhouders, in een afzonderlijk, behoorlijk gesloten vertrek onder dak te brengen. Immers wij weten, dat reeds in 1546 besloten is tot het stichten van eene nieuwe, afzonderlijk geplaatste en overwelfde, dus brandvrije bewaarplaats voor het stads-archief. Over dit oudste archiefgebouw van de stad Utrecht kan ik thans iets meer mededeelen dan vroeger. Ik meende toen, dit gebouw te moeten beschouwen als eene hoogen vrijstaanden toren achter het stadhuis, welks top op oude afbeeldingen zichtbaar is boven den gevel van Klein Lichtenberch. Maar die meening is onjuist gebleken: de bedoelde toren was een traptoren aan den achtergevel van Klein-Lichtenberch. Het archiefgebouwtje lag naast dien toren, op de binnen plaats van het stadhuis: nog op den plattegrond van het stadhuis van 1841 *  is het te zien als een (blijkbaar opzettelijk) geheel geïsoleerd gehouden gebouwtje, dat door een abnormaal dikken muur (volgens den ouden plattegrond van 1537 *  gevormd door twee oude muren) was afgescheiden van de raadkamer der schepenen. Zelfs afbeeldingen van dit archiefgebouw kan ik thans aanwijzen op eene teekening van 1817 *  en ook op plaat IX in Liefland’s Utrechts oudheid; het was een laag gebouwtje met een trapgevel, achter op de binnenplaats van het stadhuis.
Allen eerbied behooren wij te hebben voor de goede zorgen van het Oostenrijksche bestuur voor het Urechtsche stads-archief. Wel weten wij, dat dit hetzelfde bestuur was, dat in 1572 de kostbaarste stukken, de charters, ontvoerde naar de citadel Vredenburg; maar wij weten ook, dat den 5en April 1574 Alva’s veroordeelende sententie van 1570 voorloopig buiten werking werd gesteld *  en dat de kostbare stukken daarop in Augustus 1574 aan den raad gerestitueerd en natuurlijk weder in het “secreet”geborgen zijn. De eerste maal, dat wij het archiefgebouw weder ontmoeten, is in 1610, bij een besluit van den raad van 26 September betreffende een secreeten brief van den Raad van State van 15 September over de keuze van den eersten burgermeester uit de ridderschap. De raad gelastte toen den secretaris, om “den voorsz. Brieff well te bewaren”, en de secretaris gaf terstond gevolg aan deezen wenk door, zooals hij uitdrukkelijk in het resolutieboek inschreef, “die terstont in archivis boven in de yseren kasse te leggen, by de zegelen deser stadt *  ”; ook deze kostbaarste en zorgvuldigst bewaarde stukken waren dus “in archivis” in veiligheid gebracht
Meer dan eene halve eeuw duurde het, voordat die veiligheid nogmaals in gevaar kwam; zoodra na het vertrek der Franschen in 1673 de nieuwe militaire gouverneur van Utrecht, de graaf van Horne, binnen de stad kwam, vorderde hij van de Vroedschap af “de sleutels van stads archiven”. *  Natuurlijk zijn die sleutels echter later teruggegeven. Sedert wordt het archiefgebouw zelden meer vermeld; er is zelfs eenige aanleiding om aan te nemen, dat het later betrokken kan zijn door den schout, die dicht bij de schepenkamer gevestigd moest wezen.
Wij verlaten thans het stedelijke charterdepôt in de “stads kiste” en in het “stads-secreet”, om de andere bestanddeelen van het stads-archief te bespreken. Want reeds eeuwenlang hadden zich, zooals ik vroeger uiteenzette, naast het depot met de privilegiën andere stedelijke archieven gevormd. Het archief de zelfstandige en deftige schepenbank was, naar ik verhaalde, geborgen in het schepenhuis, dat aan de westzijde van de oudste parochiekerk, de Buurkerk, lag. Wij zouden geneigd zijn, deze plek nader te bepalen als op den zuidhoek der derde Buurkerksteeg. Immers in November 1285 gaf de stad in erfpacht aan Johan Wedermoet “aream nostre civitatis, sitam inter aream Erenberti dicti de Mosa ab uno latere et stigam, que transit a simiterio Civilis ecclesie usque in Dunkerstrate, ab alio latere”: en het ligt wel voor de hand te meenen, dat dit in erfpacht gegeven stuk grond het terrein is geweest van het oude verlaten schepenhuis. Evenwel geloof ik dit toch niet; want het oude rechthuis lag niet op den zuidhoek eener straat: het werd noordwaarts begrensd door het woonhuis van Jacob van der Tyner, en bovendien is het oude schepenhuis denkelijk eerst in of na 1343 verlaten. De juiste plaats van het oude stedelijke rechthuis blijft dus onzeker: eerst in 1343 krijgen wij daarover zekerheid toen de schepenbank verhuisde naar Hasenberch, waar zij zetelde tot haren ondergang toe. Sedert 1520 was hare verblijfplaats ook zeer in het oogvallend, want het gebouw werd toen luisterrijk versierd met een nieuwen, rijk met beeldwerk opgeluisterden gevel. Maar dit monument was toch bestemd, om slechts korten tijd te bestaan: reeds in 1536 trok, naar wij weten, de raad der stad uit haar oud verblijf op het Schoonhuis (ten noorden der Buurkerk) naar het huis Lichtenberch, dat naast Haseberch lag; en deze verhuizing gaf weder aanleiding tot eene nieuwe totale verbouwing van de beide perceelen.
Ook op het oude raadhuis had zich onderwijl, naar ik vroeger uiteenzette, eene kanselarij gevormd onder toezicht van den stadsklerk. Vroeger heb ik reeds een lijstje gegeven van deze voor de geschiedenis van het stads-archief zoo belangrijke titularissen; ik heb daar thans weinig bij te voegen. “Thidemannus scriptor”, die zeker wel geïdentificeerd mag worden met den stadsscrijver Tideman van der Oudewijc van 1330, wordt in 1327 vermeld als procurator van het Heeilige Geesthuis, dat door Matheus Eremberti, die in 1298 als notaris voor de stad werkzaam was geweest (en die het bij zijn dood in 1317 gebracht had tot deken van Oudmunster), begunstigd was met een legaat van vele landerijen *  Deze omstandigheid schijnt te wijzen op zeker verband tusschen de beide schrijvers. Overweegt men daarbij, dat (naar ik vroeger mededeelde) de zoon van den stadsschrijver Conrad Tolnaer in 1392 door de stad in genade werd aangenomen, omdat zijn vader en zijne twee grootouders “voortijts der stad clercken ende schrivers geweest hebben,” dan komt men tot de conclusie, dat er ook tusschen Tideman van der Oudewijc en zijnen opvolger Johannes, die blijkbaar de zoon van den tollenaar in het Gein was, eene vrij nauwe betrekking zal bestaan hebben: Johannes Tolnaers zoon Conrad zal de dochter van Tideman van der Oudewijc gehuwd en hem mettertijd opgevolgd hebben. Vandaar tot eene (destijds zeer gewone) erfelijkheid van het ambt zijn er nog vele schreden te doen; maar de feiten wijzen toch in die richting.
De zooeven genoemde Johannes dictus Tolnaer, clericus Traiectensis, publicus imperiali auctoritate notarius”, wordt reeds vermeld in eene akte, door hem op 12 Mei 1372 opgemaakt van eene verklaring, die de raad van Utrecht aflegde bij eene samenkomst met de raden van Holland in het koor der Johanniter-kommanderij te Oudewater *  . Tolnaer was destijds misschien nog geen vaste klerk der stad: voor zijn vader, den stadsklerk Conrad Tolnaer, die wellicht te bejaard was om mede naar Oudewater te trekken, kan hij de conferentie met de raden van Holland hebben bijgewoond. Daarentegen was hij, naar het nu blijkt, wel degelijk (reeds in 1372) notaris, zodat het optreden naast hem van een anderen notaris in 1392 *  eene verklaring behoeft. Vreemd is het dat ook in 1447 en weder in 1476, in tijden dus dat bepaalde personen (Herman van der Meer en Tylman Momfelen) als stadsklerken zijn aan te wijzen, een andere “clerck der stadt van Utrecht” of een “clericus civitatis Traiectensis” vermeld wordt. Ik bedoel Geryt Boll in een charter van 1 December 1447 *  , en Willem Buser alias Byndop in een charter van 19 October 1476 * 
De positie dezer personen moet voorlopig nog onzeker blijven. Het verdient opmerking, dat de clericus civitatis volgens prof. W. Stein de stads-advocaat was, de latere stedelijke pensionaris, die in rang boven den stadsschrijver stond *  ; maar deze algemeene bewering houdt, dunkt mij, niet voldoende rekening met de historische ontwikkeling van het ambt, die ik vroeger uiteenzette. Hoe dit zij, zeker had de aanzienlijke en invloedrijke pensionaris niets te maken met het stads-archief, welke bezorging eene zuiver huiselijke aangelegenheid was. Huiselijk werd dan ook met de stukken omgegaan: wij vinden daarvan een nieuw bewijs in een raadsbesluit van Vrijdag na Jacobi 1515. Toen de pandverkoopers en andere gedeputeerden van den raad, belast met het onderzoek van de stukken, gevonden bij eene huiszoeking bij den ketter Dirck de Cuyper, den raad “enen corff mit groete ende cleyn doesen mit brieven ende hantscriften “ overhandigden, werden deze stukken eenvoudig geborgen “in ’s raets sittenkyste, opt raithuys staende.” Daar zullen gewis ook wel andere archiefstukken, die den raad nu en dan ter hand kwamen, geborgen zijn; maar de massa berustte toch zeker in de “scrijffcamer,” waar de stadsklerk troonde en waar ook het archief der stedelijke kanselarij bewaard werd; immers voor deze steeds aangroeiende massa kan in het stadssecreet op den duur geene plaats gevonden zijn.
Het spreekt wel van zelf, dat voor het kanselarij-archief niet gewaakt werd met zoo angstvallige zorg als voor de stedelijke charters. Zoo kwam het zeker, dat vrij wat stukken, die aan de stad behoorden, zich allengs buiten het archief en zelfs buiten de stad bevonden. Reeds in 1560 vernemen wij, dat onder den bekenden rekenmeester Mr. Pieter van St. Pieters, die toen overleden was, berust hadden allerlei papieren, waarop de stad bijzonderen prijs stelde en die na zijn dood in handen waren gekomen van het Hof van Holland, dat ze bewaarde in eene kist, onder toezicht van den secretaris van het Hof Mr. Jacob de Jonge. Wat voor stukken dit waren, is niet gemakkelijk te zeggen; de stad behoefde ze in 1560 in een geschil met de geestelijkheid: mogelijk heeft Mr. Van St. Pieters ze dus ten gebruike ontvangen, toen hij in 1548 de lossing der in 1528 verpande Geldersche goederen van de Staten van Utrecht tot stand bracht *  . Hoe dit zij, de stad had in 1560 behoefte aan de stukken, en zij zond dus in Juni en Augustus den tweeden burgemeester Gerrit Pot met eenen stadsbode tweemaal naar Den Haag, om althans kopieën er van de verkrijgen. Maar de burgemeester slaagde niet; want de secretaris van het Hof was (zeer modern!) in Augustus “buyten”. En ook toen hij na eenige dagen terugkwam, kon hij de burgemeester toch niet helpen; want ook “die meestendeel van den Raden waren buyten.” Zoo moest dus in September de schepen Cornelis van der Maeth met den secretaris der stad op nieuw naar Den Haag; ditmaal slaagden zij,na een aan den secretaris De Jonge aangeboden diner, en verkregen kopieën “van de stucken ende munimenten gevonden.” Maar de stukken en munimenten zelven bleven in Den Haag, en de stad Utrecht heeft ze wel nooit teruggezien * 
In 1657 moest eene dergelijke opdracht gegeven worden aan den oud-burgemeester G. de Wyckersloot, raad in de Chambre mipartie te Mechelen; men verzocht hem in de griffie van de Grooten raad te doen opzoeken de stukken, door de stad Utrecht vroeger gefurneerd in het proces tegen den heer van Brederode over den “maenttol” te Ameide 3). Wij weten niet, welk succes de heer De Wyckersloot bij zijne pogingen heeft gehad. Het geval is trouwens niet bijzonder opmerkelijk: wij weten toch, dat processen altijs vijanden zijn van welgeordende archieven. Maar het was toch niet zonder beteekenis, dat de Vroedschap aan de opdracht moest toevoegen het verzoek, dat het onderzoek zich zou uitstrekken tot “wat daer voorts meer voor stucken souden mogen berusten deser stad rakende”; ook bij andere processen voor den Grooten raad waren dud blijkbaar stukken overgelegd, en ook dezen waren niet teruggezonden!
Uit den aard der zaak moest de zorg voor de archiefstukken nog verminderen, naarmate de dienst en ook het archief zich om strijd uitbreidden; plaatsgebrek moet ten slotte ontstaan zijn, en zoo kwam men dus 2 Januari 1627 (naar ik reeds vroeger verhaalde) met den stads-secretaris Leerdam overeen, dat hij zijne ambswoning verlaten zou en dat deze zou verbouwd worden “tot een secretarye met drie distincte cameren.” Waar die nieuwe ontworpen secretarie lag, was mij vroeger nog niet gebleken; wel wisr ik, dat de secretaris zelf verhuizen zou naar twee stadswoningjes aan de Ganzenmarkt, waarbij ok het bureau van den stads-secretaris zou aangetrokken worden; dit perceel zou dan verbouwd worden tot een huis met vier kamers en ook eene keuken (“wasch- ende backhuys”) dicht bij de put op de binnenplaats *  . Thans weet ik, dat de secretaris, toen dit besluit genomen werd, reeds aan de Ganzenmarkt woonde een paar huizen verderop, en aangezien later van eene stads-secretarie aan de Ganzenmarkt nooit iets vernomen is, moet men dus aannemen, dat van het bouwplan, hoewel de secretaris toestemde, niets gekomen is.
Op den duur hielp men zich toen op andere wijze: zooals ik vroeger mededeelde, werd het zich uitbreidende archief toen eene verdieping hooger dan de secretarie geborgen, in een ruim en fraai vertrek, waar later de Finantiekamer gevestigd zou worden. Het was inderdaad, zooals ik vroeger giste, het vredescongres van 1713, dat het archief uit dit uitnemend geschikte verblijf verdreef: immers den 28en December 1711 werd aan de Vroedschap gerapporteerd, dat “bij het opruymen van de kaemer boven de secretarye” gevonden waren al de rekeningen van de fundatie Van de Poll, die men lang had gezocht. Ik verhaalde reeds, dat het archief later nooit is teruggekomen in zijn fraai verblijf: het is dus nu wel zeker, dat het in 1711 eenvoudig nog eene verdieping hooger is verhuisd naar den houtzolder.
Intusschen kon men toch daar niet de stukken bergen, die men gedurig nodig had en op wier bewaring men prijs stelde; inderdaad blijkt het dan ook, dat in de secretarie zelve meer plaats moest worden gemaakt voor archiefberging. Den 17en Februari 1721 machtigde de Vroedschap de gecommitteerden tot stads-finantie, “om een “bequame plaats uyt te sien in de secretarye, en daer te doen maken kassen, waarinne Haar Ed. Agtb. resolutiën en andere stadts-boeken en registers behoorlijk konnen worden geplaatst,” Nog voller werd het in de secretarie: den 11en October 1723 vergunde de Vroedschap ook, op het verzoek van Weigraaf en heemraden van de Hooge en lage weide, dat hunne gerechtskist zou worden “geplaetst in stads-secretarye.”
Zoo verwondert het ons niet, dat wij in 1737 vernemen, hoe “in de groote vertrekkamer van de politie der stadt” eene groote verzameling stukken aanwezig was, terwijl ook “in de bovenkassen van de groote secretarye” eene collectie stukken berustte. Van beide verzamelingen bezitten wij inventarissen van de hand van de secretarissen E. van Harscamp en J. van Baerle *  De stukken schijnen in de secretarie bewaard te zijn op de destijds gebruikelijke wijzen. Zij waren grootendeels geborgen in “sakken,” zooals het opschrift van den eenen inventaris zegt; overigens waren zij vereenigd tot dossiers: immers wij vernemen uit eene vroedschapsresolutie van 15 December 1800, dat zekere volumineuse insertiën “zijn uit de notuelen gelaten en te vinden onder de papieren, ter secretarye berustende, onder den titel: Zaken van het Armbestuur”, - dus blijkbaar in eene loketkast, waarin de dossiers systematisch verdeeld waren.
Nog een woord over de andere archiefplaatsen op het Utrechtsche stadhuis. Over het archief de Momboirkamer kan ik thans vrij wat nieuws mededeelen. De boedelpapieren waren, naar wij reeds weten, geborgen in eene ladekast in het lokaal de kamer; ik kan er thans bijvoegen, dat “de obligatiën en verdere effecten,” die tot de boedels behoorden, daarentegen geborgen werden in den kelder onder de vergaderkamer, waar een tijdland de wisselbank gevestigd was gewees *  ). Ook de eigenlijke archiefkamer der Momboirkamer kan ik thans aanwijzen. Zij lag op de verdieping van Hasenberch op den linkerhoek van dit gebouw; daarnaast *  (boven den ingang van het stadshuis) was een klein kamertje, dat tevens voor het archief der kamer gebruikt werd en dat later het “Crimineele kamertje” zou heeten, omdat er toen”eenige afgelopen stukken en papieren, het criminele wesen rakende,” geborgen waren. *  )
Iets uitvoeriger moet ik zijn over de zoogenaamde protocolkamer, - de bewaarplaats der kostbare reeks protocollen van transporten en plechten der schepenbank. De plaats op de verdieping van Hasenberch, waar die kamer zich bevond, kan ik thans met juistheid bepalen: het was de oude Momboirkamer, die ter gelegenheid van het vredescongres ontruimd was 3). Het bewijs van deze plaatsbepaling levert de Vroedschapsresolutie van 26 October 1767 4). Uit deze resolutie blijkt, dat de protocolkamer grensde aan een vertrek, dat blijkens het verband geen ander kan zijn dan de zooeven genoemde archief kamer der Momboirkamer; welnu, aan deze archiefkamer grensde geen ander vertrek dan het daarachter gelegen lokaal, dat eenmaal de kamer zelve gehuisvest had. Daar, op een donker bovenkamertje aan eene kleine binnenplaats, zijn dus eeuwenlang de voor partikulieren zoo hoogst belangrijke protocollen van het gerecht geplaatst geweest, zonder dat iemand er aan gedacht heeft, ze de goed verlichte bovenvóórkamer van het stadhuis te doen innemen, waar het toch veel minder belangrijke archief der Momboirkamer zooveel gunstiger was geplaatst.
Zoover over de bewaarplaatsen van het stads-archief; thans nog iets over de zorg van het stedelijk bestuur voor zijne schatten.
Uit het boven gezegde is reeds terloops gebleken, dat mijne vroeger uitgesproken meening, dat er vóór 1800 geen catalogus van het archief der secretarie bestond, niet geheel juist was: immers reeds in 1737 werd de boven vermelde lijst van stukken (trouwens grootendeels eigendomsbewijzen) in de groote vertrekkamer van de politie der stad Utrecht (d.i. de groote secretarie achter in Klein Lichtenberch) opgemaakt, bij gelegenheid dat de secretaris Mr. E. van Harscamp het archief aan zijnen opvolger J. van Baerle overdroeg. Er bestaat ook eene lijst van de stukken in de “bovenkassen” der Groote secretarie, die van de hand van Harscamp zelven is en dus waarschijnlijk nog iets ouder dan die zooeven besproken lijst *  .
Ook in een ander opzicht heb ik Utrechts vroede vaderen onrecht gedaan. Ik zeide, dat eerst in Maart 1717 iets bleek van den wensch der Vroedschap, dat archiefstukken niet van het stadhuis medegenomen zouden worden. Die belangstelling is echter wel veertig jaren ouder; want reeds 1 November 1675 besloot de Vroedschap (nog wel “inhererende voorgaande resolutie”), “dat geen leden van dese vergaderinge sulle vermogen te lichten uytte archiven oft secretaryen van de politie eenige boecken, stucken off pampieren, als by recepisse, te schryven in seecker boekgen, daertoe te houden” 2): een reçuboek dus. Ernstiger bewijs van hare belangstelling in het archief gaf de Vroedschap op 23 December 1771. Op dien dag toonde het achtbare lichaam de beteekenis van zijn archief volkomen te begrijpen; tevens bleek het, dat het archief toen nog leefde en een orgaan was, praktisch nuttig voor de maatschappij. Het was de oud-burgemeester Van Harscamp, die (naar aanleiding van zekere “omstandigheeden, waarinne de eersten clerq zig bevond”) in de volle Vroedschap der heeren van het gerecht verzocht, “om de nodige ordre te beramen, dat de toegang tot de protocol-kamer niet zoo faciel mag gelaten, maar gezorgd worden dat ’t publiek vertrouwen in dezelve blijve geconserveert. “ Men wist dus, waarom het ging; men begreep de praktisch nuttige beteekenis der protocollen. En het gerecht sloot zich daarbij aan: het adviseerde, om aan de protocolkamer twee verschillende sloten te doen maken, die zouden blijven onder de bewaring van de beide secretarissen van het gerecht. Geen der klerken van het gerecht zou voortaan zonder verlof en buiten tegenwoordigheid van een der secretarissen een onderzoek in de protocollen mogen instellen, en aan geen ander persoon stond zonder verlof van een der secretarissen de toegang vrij. * 
Zoo was dus gezorgd voor de belangen der praktijk; maar ook de belangen der wetenschap lieten onze Vroedschap niet volkomen koel. Den 28en September 1778 konden Burgemeesteren berichten, dat prof. Bondam hun had medegedeeld, dat hij voornemens was, het aanstaande tweede eeuwfeest der Unie van Utrecht, als eene “groote gebeurtenisse”, met eene plegtige oratie te celebreeren.” De hoogleraar beweerde, dat het hem dan van veel nut en dienst zou zijn, om “visie te mogen hebben en gebruik te mogen maken van eenige oude charters en brieven, welke in de archieven dezer stad berustende zijn”; mitsdien verzocht hij toegang tot het archief. Het blijkt niet, wat dit wel voor papieren geweest mogen zijn; eigenlijke charters waren het zeker niet. Maar hoe dit zij, de Vroedschap verleende den geleerden man na deliberatie “acces tot de archiven dezer stad,” mits in tegenwoordigheid van een der secretarissen, - met verlof aan prof. Bondam om de door hem bedoelde papieren te onderzoeken en voor het beoogde doel te gebruiken *  . Het klinkt ons vreemd; maar in dien tijd was dit besluit inderdaad liberaal, alleen te verklaren door den beroemden naam van den geleerden aanvrager
Thans beleven wij geheel andere tijden. Dat het zóóver gekomen is, moeten wij (ik verhaalde het reeds vroeger) te Utrecht dankweten aan burgemeester Van Asch van Wijck. Het verheugd mij, dat ik deze nalezing kan besluiten met een nieuw loffelijk getuigenis van dezen verdienstelijken man. Het was de bekende kerkhistoricus prof. H.J. Royaards, die in 1838 in zijne inleiding voor het eerste deel van Dodt’s Archief (p. VII) verklaarde: Inzonderheid is voor de wereldlijke, en gedeeltelijk ook voor de kerkelijke geschiedenis van Utrecht gewigtig het rijke Stads-archief, sedert eenige jaren onder en door de zorg van onzen onvermoeiden en scherpzinnigen beoefenaar der vaderlandsche en bijzonder der Utrechtsche geschiedenis, den burgemeester dezer stad, Jonkheer Van Asch van Wijck, behoorlijk en nauwkeurig geordend en geregistreerd; waarvan ons zoowel de uitgegeven historische schriften van het gemelde hoofd des Stedelijken bestuurs, als het Tijdschrift voor geschiedenis, oudheden en statistiek van Utrecht reeds proeven gegeven hebben.”
S. Muller Fz., 1914
Bewerkingsgeschiedenis
Bijlage
Regesten
thumbnail
Kenmerken
Datering:
1122-1813
Toegangstitel:
Inventaris van het supplement op de archieven van het stadsbestuur van Utrecht 1122-1813
Auteur:
S. Muller Fz. en C.L. de Leur
Datering toegang:
1914
Datering bewerking:
1995, 2012
Openbaarheid:
Volledig openbaar
Rechtstitel:
Overbrenging van een overheidsarchief
Omvang:
10 m
Rubrieken:
Categorie:
Archiefvormer(s)::
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS