Uw zoekacties: Provinciaal Bestuur van Limburg, 1814-1913
x04.01 Provinciaal Bestuur van Limburg, 1814-1913 ( Regionaal Historisch Centrum Limburg (RHCL) )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

04.01 Provinciaal Bestuur van Limburg, 1814-1913 ( Regionaal Historisch Centrum Limburg (RHCL) )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
Zoektips!

Wildcards kunnen het zoeken vergemakkelijken:

  • Een ? (vraagteken) vervangt een letter
  • Een * (sterretje) vervangt een aantal letters
  • Door een $ (dollarteken) voor een zoekterm te zetten, zoekt u naar woorden die op elkaar lijken.

Meer zoektips vindt u hier.

 
 
Inleiding
Historische inleiding
Geschiedenis van het archief
Verantwoording van de inventaris
Gebruikershandleiding
Inventaris
Gedeponeerd archief: Archieven van de houtvesterij, 1814-1852
sluiten
04.01 Provinciaal Bestuur van Limburg, 1814-1913
Inventaris
Gedeponeerd archief: Archieven van de houtvesterij, 1814-1852
Datering:
1814-1852
De voormalige generaliteit landen in Limburg vormden het vijfde jacht district van de provincie Noord-Brabant. De banken van St. Servaas zijn er ook onder begrepen. De houtvester noemt deze nog eens apart in zijn brief van 31 december 1823 aan de opper houtvester (inv. nr. 12413), waar hij zegt dat het vijfde jacht district de voormalige generaliteit landen in Limburg en de "dertien bannen" van St. Servaas omvat. Hoe hij aan dit getal dertien komt, is niet duidelijk; er waren slechts elf banken van St. Servaas: Berg, Bernau, Groot-Loon, Heer en Keer, Hees, Koninksem, Mechelen, Sluizen, Tweebergen, Vlijtingen en Zepperen. Hiervan ligt Bernau in de provincie Luik en was bovendien sinds het verdrag van Fontainebleau in 1785 geen generaliteit land meer.In Limburg resten dan dus nog slechts 10 banken. En het gebied van het vijfde jacht district is geheel binnen Limburg gelegen, zoals de houtvester in zijn aangehaalde brief zegt: "Het vijfde jacht district der provincie Noord Brabant geheel in de provincie Limburg ingesloten en daarenboven zeer uitgestrekt zijnde, als bevattende de voormalige generaliteit landen en die der dertien bannen van St. Servaas...". Bovendien behoeft Tweebergen, als liggende binnen Maastricht, niet meegeteld te worden. Resten dus nog negen banken. Misschien heeft de houtvester zich in zijn aangehaalde brief dus in de telling vergist. De benaming" vijfde jacht district" komt in de brieven van 1814 nog niet voor. Deze zijn geadresseerd aan de houtvester voor het district Maastricht en de voormalige generaliteit landen" (zie inv. nr. 12407, brieven van 24 en 26 september 1814) of aan de houtvester, in het jacht district Maastricht etc." (ibidum, brieven van 17 en 18 november en 9 december 1814, en 4 januari 1815)
Vanaf 16 januari 1815 zijn de brieven geadresseerd aan de houtvester in het vijfde district van de provincie Brabant (ibidem, brieven van 16 januari 1815 en volgende) ; alleen een brief van de gouverneur van Brabant van 18 februari 1815 is nog gericht "aan den heer J. Olyslagers van Meersenhoven, houtvester te Maastricht en in de overige voormalige generaliteit landen" (ibidem). Vanaf 14 december 1815 zijn de brieven gericht aan de houtvester in het vijfde district van de provincie Noord-Brabant (ibidem). Vanaf circa 1840 wordt niet meer gesproken van de provincie Noord-Brabant, maar worden de brieven geadresseerd aan de waar nemende houtvester te Maastricht of de waar nemende houtvester in het vijfde jacht district te Maastricht of de waar nemende houtvester in het hertogdom Limburg te Maastricht (inv. nrs. 12420-12421). In dit vijfde jacht district nu was van kracht de Nederlandse jachtwet van 11 juli 1814, Stbl. 79 (te vinden in inv. nr. 12407), terwijl het overige gedeelte van Limburg de Franse jachtwet heerste (A.J.C. Rüter, Rapporten van de gouverneurs in de provinciën 1840-1849, dl I, 225-227, 242-247). Aan het hoofd van het vijfde jacht district stond een houtvester en onder hem enkele adjunct-houtvesters. In de functie van houtvester treden achtereenvolgens de volgende personen op. 1. J. Olyslagers van Meersenhoven 1814-1816; hij werd bij besluit van de souvereine vorst van 20 september 1814, nr. 56, benoemd tot houtvester voor Maastricht en de voormalige generaliteit landen, welke geen deel uitmaakten van het voormalig departement van de Monden van de Rijn; zie archief der commissarissen van de prins van Oranje, inv. nr. 3; p. 146 en archief der houtvesterij, inv. nr. 12407
Bij k.b. van 16 maart 1816 werd Olyslagers als houtvester ontslagen, en bij resolutie van de opper houtvester voor de noordelijke provinciën van 1 april 1816 de adjunct-houtvester L.B.A. Vrijthoff belast met de waarneming ad interim van de functies van houtvester; zie inv. nr. 12407, brief van 1 april 1816. 2. W.G.F. Graaf de Borchgrave d'Altena 1816-1839; hij werd benoemd vóór 12 september 1816, zoals uit het kopieboek van verzonden brieven, inv. nr. 12405, blijkt. De juiste datum van zijn benoeming heb ik niet kunnen achterhalen. Bij k.b. van 15 november 1839 werd hij eervol ontslagen, inv. nr. 12420, brief nr. 458. Van circa mei 1824-circa september 1826 neemt C. de Brouckère voor de graaf de Borchgrave de functies van houtvester waar: zie de brieven aan de adjunct-houtvester te Obbicht, inv. nr. 12434, en het Annuaire de la province de Limbourg 1825-1826, p. 12 en 154. Van 1827-1830 doet dit De Beelaerts, adjunct-houtvester te Obbicht (ibidem, zie ook een brief van 2 januari 1827, inv. nr. 12416; het Annuaire de la province de Limbourg 1827-1830, p. 171, 185, 191 en 189; en de Maastrichter almanak 1827-1830). Eind 1830 zijn enkele brieven gericht aan Van den Broek (adjunct-houtvester te St. Oliënberg als fungerend houtvester) (inv. nr. 12419). 3. De derde en laatste in de rij der houtvesters is S. Bloemendal, die deze functie waarnemend bekleedde tot 1852. We ontmoeten hem al vanaf 1834, toen de graaf De Borchgrave d'Altena dus nog officieel in functie was, als waarnemend houtvester, inv. nr. 12419); Maastrichter almanak 1838 (de Maastrichter almanakken van 1831 en 1832, 1834 en 1836-1837 heb ik hier niet tot mijn beschikking; in die van 1833 en 1835 staan geen gegevens over de houtvesterij). De gegevens over de jaren 1831-1833 zijn schaars, zodat ik niet heb kunnen vaststellen vanaf wanneer hij als zodanig optreedt. Hij was al eerder, circa 1828, secretaris van de houtvester, getuige zijn handschrift en paraaf op de ingekomen stukken (inv. nrs. 12417 seqq.)
In een k.b. van 13 februari 1835, waarbij hem een gratificatie wordt toegekend, word hij genoemd "voormalig geëmployeerde van den houtvester in het 5e jacht district" (verbaal van 3 maart 1835 nr. 1). Hij is ook adjunct-commies der 1e klasse bij het provinciaal bestuur in Limburg, en solliciteert in 1840 naar een betere betrekking, waarschijnlijk zonder succes: zie een brief aan een van de commissarissen belast met het voorlopig bestuur der weder in bezit genomen landstreken van Limburg van 6 augustus 1839 en 28 september 1840, inv. nr. 10475. In het jaar 1852 hield de houtvesterij op te bestaan en werd de jacht en visserij opnieuw geregeld bij de wet van 6 maart 1852, Stbl. 47, die 1 juli 1852 in werking trad. In de functie van adjunct houtvester ontmoeten we de volgende personen: 1. L.B.A. Vrijthoff 1814-1816, hij werd benoemd bij k.b. van 8 november 1814 (inv. nr. 12404, sub nr. 22). In de Almanach de la province de Limbourg van 1818 komt hij niet voor, en ook niet in de Maastrichter almanak van 1817. In 1816 is hij nog in functie, zoals hiervoor terloops vermeld. 2. De Loisel 1818-1822; hij wordt als zodanig genoemd in de Almanach de la province de Limbourg van 1819 en zal dus in 1818 benoemd zijn (in die van 1818 komt hij nog niet voor). Hij komt in genoemde Almanach eveneens voor over de jaren 1819-1822. In die van 1823 niet meer. 3. Ridder J.J.L. van den Broek 1819-1830 of 1831; hij werd bij k.b. van 21 augustus 1819 benoemd tot tweede adjunct-houtvester (inv. nr 12410). Hij komt in de Almanach de la province de Limbourg voor over de jaren 1820-1823 en in het Annuaire de la province de Limbourg over de jaren 1824-1830. Zijn woonplaats is St. Odiliënberg. Uit een brief van de opper houtvester van 24 mei 1831 (inv. nr. 12419, brief nr. 321) blijkt, dat Van den Broek zijn ontslag heeft aangevraagd, waarop hem vanwege de koning wordt geantwoord, dat hij ipso facto, dat hij functies van het Belgische bestuur heeft aangenomen
Of hij deze Belgische functies in 1830 of in 1831 heeft aangenomen heb ik niet achterhaald. 4. Ch. de Brouckère 1824-1830 febr 28; 5. Beelaerts 1824-1830 ?; bij missive van 31 december 1823 vraagt de houtvester van het 5e jacht district aan de opper houtvester te 's-Gravenhage om in plaats van de overleden Loisel twee nieuwe adjunct-houtvesters te benoemen vanwege de uitgestrektheid van het jacht district, en wel Charles de Brouckère, zoon van de gouverneur, te Maastricht, en Beelaerts van Obbicht te Obbicht (inv. nr. 12413). Beiden worden benoemd bij k.b. van 17 jan 1824 (Repertorium, inv. nr. 302, p. 194; zie ook inv. nr. 12413, sub 2 februari 1824, de ontvangstbewijzen van de missives houdende hun benoeming). Ch. de Brouckère werd ontslagen bij k.b. van 28 februari 1830 (Repertorium, inv. nr. 310, p. 4235); wanneer Beelaerts ontslagen is, heb ik niet achterhaald; misschien ipso facto, zoals Van den Broek. 6. H.F.F.J. graaf de Liedekerke 1830; hij werd benoemd bij k.b. van 16 maart 1830, zie brief van 2 april 1830, inv. nr. 12419, en het register van kon. besluiten 1830, p. 2703. Wanneer hij ontslagen werd, blijkt niet. Zoals gezegd hield de houtvesterij in 1852 op te bestaan. Maar reeds eerder, nl. vanaf de Belgische afscheiding in 1830, had zij haar grootste betekenis verloren en had de houtvester alleen zegging macht in de vesting Maastricht. In de Limburgse generaliteit landen die van 1830-1839 onder België hoorden (en dat zijn ze allemaal behalve Maastricht) werd de wet van 11 juli 1814 afgeschaft. Wanneer dit precies gebeurd is, heb ik niet kunnen achterhalen, maar dat het gebeurd is, is duidelijk, want bij de Belgische wetten die nà 1839 in Limburg voorlopig van kracht blijven, is ook de Franse wet van 30 april 1790 en het decreet van 4 mei 1812 betreffende de jacht, en wel voor de voormalige generaliteit landen: zie het laatste k.b. hieromtrent van 1 juni 1852, Stbl. 121 (voor de overige landstreken van Limburg golden deze franse jachtwetten eveneens
Daar golden ze al vóór de Belgische afscheiding en waren het dus geen Belgische nieuwigheden. In een brief van de opper houtvester van 22 juli 1831 (inv. nr 12419, brief nr. 322) lezen we eveneens, dat de jachtwet van 11 juli 1814 is afgeschaft, althans de executie geschorst; "De dorpen tot het 5e jacht distrikt behorende in de macht der opstandelingen zijnde, is daardoor de executie der jachtwet geschorst". Wat St. Pieter betreft, dit viel niet onder de zegging macht van de houtvester, zijnde geen voormalig generaliteit land. Wel zijn de vis-akten, door de houtvester uitgereikt, (van jachtakten zal waarschijnlijk niet veel sprake zijn geweest in de tijd van 1830-1839) ook geldig in St. Pieter, evenals vroeger de door de houtvester uitgereikte jachtakten voor de hele provincie Limburg geldig waren; zie hierover een brief van de buitengewoon commissaris des konings van 18 maart 1837, inv. nr. 12420, brief nr. 414. Na de weder in bezitneming der landstreken van Limburg in 1839 bleven, zoals reeds gezegd, de Franse wetten op het stuk der jacht in de voormalige generaliteit landen gelden en hield de houtvester dus alleen zegging macht in de vesting Maastricht. In de jaarboeken en jaar boekjes voor het hertogdom Limburg wordt dit telkens uitdrukkelijk vermeld. In het jaarboek van het hertogdom Limburg van 1846 (1e jrg.) lezen we op p. 157 onder het hoofd "Bestuur der jagt en visserij te Maastricht": S. Bloemendal, waarnemend houtvester, .. N.B. Dit bestuur bepaalt zich alleen tot de stad Maastricht en den kring der vesting, alwaar de wet van 11 juli 1814 (Stbl. 79) in werking en van kracht is gebleven, in afwachting dat een algemene wet op het stuk der jach en visserij zal worden daar gesteld". Gelijke notities vinden we in de jaar boekjes voor het hertogdom Limburg jrg. 2, 1847, p. 175; jrg.3, 1848, p. 176; jrg. 4, 1849, p. 176; en jrg. 5, 1850, p. 168; en in het jaarboek voor het hertogdom Limburg 1850, p. 192
Terwijl in de jaarboeken van 1851, p. 229,en 1852 p. 235, onder hetzelfde hoofd bovendien vermeld wordt, welke wet in het overige gedeelte van Limburg van kracht is, n.l. : "Voor zo lang de Nederlandse wetten op het stuk der jacht en visserij, die alleen in de vesting Maastricht van kracht zijn, in het overig gedeelte van Limburg niet zijn ingevoerd, blijft in dat gedeelte de wet van 30 april 1790 met al hare gevolgen bestaan. De functie van conservateur en inspecteur der wateren en bossen over het gehele hertogdom (met uitzondering der vesting Maastricht), behoort tot de attributen van den directeur der registratie en domeinen, C. Winckelman, S. Bloemendal, waarnemend houtvester in de vesting Maastricht, alwaar de wet van 11 juli 1814 van toepassing is". In verband met deze veranderde omstandigheden worden er dan ook na 1830 geen adjunct-houtvesters meer benoemd. De verdeling van de gemeenten over de adjunct-houtvesters was sinds 1824 (toen er twee nieuwe benoemd werden in plaats van de overleden Loisel, en er dus voortaan in het geheel drie waren; een vroegere verdeling tussen de twee adjunct-houtvesters heb ik niet gevonden) als volgt: onder de jurisdictie van de adjunct-houtvester te Obbicht (Beelaerts) kwamen: Obbicht en Papenhoven, Roosteren, Nieuwstadt, Beek, Geulle, Ulestraten, Schimmert, Hulsberg, Voerendaal, Heerlen, Schaesberg, Nieuwenhagen en Klimmen; onder de jurisdictie van de adjunct-houtvester te St. Odiliënberg (Van den Broek) kwamen: Venlo, Beesel, Belfeld, Vlodrop, Posterholt, St. Odiliënberg, Montfort, Echt, Stevensweert, Ohé en Laak, Maasbracht, Linne, en Lommel; onder de jurisdictie van de adjunct-houtvester te Maastricht (De Brouckère) kwamen de overige gemeenten. Deze worden niet met name genoemd in de brief waaraan ik deze gegevens ontleen, inv. nr. 12434, brief van 28 maart 1824
Supplement
Kenmerken
Datering:
1814-1913
Auteur:
E.M.Th.W. Nuyens
Inventaris:
Inventaris der archieven van het Provinciaal Bestuur van Limburg, 1814-1913
Omvang:
1510,1 meter
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS