Uw zoekacties: Provinciaal Bestuur van Limburg, 1814-1913
x04.01 Provinciaal Bestuur van Limburg, 1814-1913 ( Regionaal Historisch Centrum Limburg (RHCL) )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

04.01 Provinciaal Bestuur van Limburg, 1814-1913 ( Regionaal Historisch Centrum Limburg (RHCL) )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
Historische inleiding
Geschiedenis van het archief
Verantwoording van de inventaris
Gebruikershandleiding
Inventaris
Archief van de commissaris van het District Maastricht rechter oever, 1831-1839
sluiten
04.01 Provinciaal Bestuur van Limburg, 1814-1913
Inventaris
Archief van de commissaris van het District Maastricht rechter oever, 1831-1839
Datering:
1831-1839
Nadat door de op 25 augustus 1830 uitgebroken Belgische revolutie de provincie Limburg van het koninkrijk der Nederlanden was afgescheiden, werd baron Frans de Loë de Mheer tot gouverneur van de provincie Limburg benoemd, met als zetel de stad Hasselt, bij besluit van 16 oktober 1830, in de plaats van de te Maastricht residerende gouverneur baron De Beeckman, die ruim een maand later, op 20 november, door de Belgische regering formeel als zodanig ontslagen werd. 1). Gouverneur De Beeckman, die op 31 augustus 1828 als opvolger van Charles de Brouckère tot gouverneur van Limburg was benoemd, bleef in die functie nog werkzaam te Maastricht - welke stad met het nabij gelegen Sint Pieter onder Nederlands bewind was gebleven - maar bij koninklijk besluit van 8 april 1831 werd hij ook van Nederlandse zijde ontslagen 2). Kerens de Wolfrath was toen Districtscommissaris van Maastricht, een functie, die in het leven was geroepen bij de uitvaardiging van het "Reglement op het bestuur ten platten lande in de provincie Limburg" in 1818, dat door het "Reglement" van 1825 werd vervangen. Door het Belgisch bewind werd Kerens de Wolfrath op 24 oktober 1830 uit die kwaliteit ontslagen, nadat enige dagen te voren H. de Pitteurs voor de districten Hasselt en Maastricht samen werd benoemd en op 24 oktober 1830, tegelijk met het ontslag van Kerens de Wolfrath, definitief voor het district Maastricht benoemd werd Max de Renesse, terwijl De Pitteurs met het districts commissariaat van Hasselt belast bleef. Aangezien de stad Maastricht door de Hollandse troepen bezet bleef, was het uiteraard voor de nieuwe districtscommissaris De Renesse onmogelijk zich daar te vestigen. Hij nam residentie te Tongeren 3) Kerens de Wolfrath bleef als districts-commissaris onder het Nederlandse bewind in functie, maar zijn bemoeiingen konden uiteraard niet verder reiken dan Sint Pieter, omdat de stad Maastricht buiten de bepalingen van het Plattelands reglement viel
In januari 1831 werd het district Maastricht in tweën gesplitst - blijkbaar omdat toen niet meer verwacht werd, dat de stad Maastricht alsnog voor de Belgische troepen zou capituleren, en in elk geval omdat de hoofdplaats van het gouvernement te Hasselt voor de gemeentebesturen op de rechter Maasoever, wegens de gegeven omstandigheden bij de bezetting van de stad Maastricht door de Hollandse troepen, moeilijk bereikbaar was 3a) - en verdeeld in een district van de linker Maasoever, waarvan De Renesse commissaris bleef, en een district van de rechter Maasoever, waarvoor bij besluit van gouverneur De Loë op 12 januari 1831 als commissaris werd aangewezen Lodewijk Alexander Van de Weijer 4). Korte tijd nadat baron De Beeckman op 31 augustus 1828 tot gouverneur van Limburg was benoemd, trok hij L.A. Van de Weijer aan als ambtenaar aan het gouvernement te Maastricht, kennelijk om als zijn particulier secretaris te fungeren 5). Op 1 januari 1829 werd Van de Weijer formeel aangesteld in de rang van commies aan de provinciale griffie 6). Het moet zeer waarschijnlijk worden geacht, dat De Beeckman, die in Leuven werd geboren als zoon van de burgemeester aldaar, Van de Weijer, die eveneens uit Leuven afkomstig was, heeft bewogen om hem als secretaris naar Maastricht te volgen 7). Enige dagen nadat door het Belgisch bewind een aantal functionarissen was vervangen door Belgisch gezinde ambtenaren, heeft Van de Weijer, die kennelijk ook tot de Belgisch gezinde behoorde, zijn post als ambtenaar op de provinciale griffie te Maastricht verlaten, zodat hij door gouverneur De Beeckman op 31 oktober 1830 uit zijn functie ontslagen moest worden 8). Van de Weijer heeft zich blijkbaar voor een post bij het Belgische bestuur beschikbaar gesteld en kon derhalve in aanmerking komen voor de functie van districts-commissaris voor de rechter Maasoever, in welke kwaliteit hij tijdelijk en als "buitengewoon commissaris" werd aangesteld 9)
Als secretaris werd aan hem toegevoegd - eveneens in tijdelijk dienstverband M. Lenaerts te Heer, die als "chef van de tweede afdeling van de provinciale administratie" werkzaam was geweest 10). Op 19 januari 1831 vestigde Van de Weijer - die blijkbaar ongehuwd was - zich te Valkenburg, in het centrum van zijn district gelegen, en huurde er in het huis van Antoine Quaedvlieg enige vertrekken, waarvan hij er een als kantoor inrichtte 11) nadat hij in Luik het noodzakelijke materiaal daartoe was gaan aanschaffen 12). Reeds op 21 januari 1831 kon hij van De Renesse te Tongeren de lopende zaken, die zijn district van de rechter Maasoever betroffen, overnemen, zodat hij zijn geregelde werkzaamheden kon beginnen. De dag te voren, op 20 januari 1831, had hij bij circulaire aan de burgemeesters van zijn district kennis gegeven van zijn benoeming 13). Zijn taak bestond, ingevolge hetgeen daarover bepaald werd in artikel 118 van het "Reglement op het bestuur ten platten Lande in de provincie Limburg", in het houden van toezicht op de uitvoering van de algemene en plaatselijke verordeningen en over de administratie van de gemeenten in het algemeen. Slechts de gemeenten met minder dan 5000 inwoners vielen onder zijn ressort. 14), zodat in zijn gebied de stad Sittard buiten zijn bemoeiingen viel 15). In 1832, toen aan Van de Weijer militaire acties in de richting Valkenburg gemeld werden, overwoog hij om zijn residentie uit veiligheid overwegingen naar Oirsbeek te verplaatsen. Op 14 oktober 1832 vroeg hij daartoe verlof aan de gouverneur te Hasselt. Nadat hem dat verlof verleend was, vertrok hij op 30 oktober naar Geleen, waar hij zijn kantoor tijdelijk vestigde "op den hof Ten Eijsden", in afwachting van het vinden van een beter geschikt huis elders, meer in het centrum van zijn district
Op december 1832 kon hij evenwel al aan de burgemeesters van zijn rayon melden dat hij met ingang van 24 december weer zijn kantoor in Valkenburg zou gevestigd hebben in het vorige door hem bewoonde pand 16). Korte tijd daarna kon hij zijn personeel uitbreiden met een nieuwe employé, Egida Spronck, die door hem op 15 mei 1833 als zodanig werd beëedigd 17). Met ingang van 1 januari 1835 werd Van de Weijer, bij koninklijk besluit van 15 december 1834 staatsblad no. LXXV, tevens benoemd tot militie-commissaris 18), een functie waarin voor het district van de rechter Maasoever te voren nog niet afzonderlijk was voorzien 19). Als secretaris voor deze functie werd hem de heer Rosmeulen toegewezen, die als zodanig reeds te Tongeren in functie was geweest 20). Nadat op 19 april 1839 het tractaat was tot stand gekomen waarbij de afscheiding van België definitief geregeld werd 21), vaardigde de koning op 12 juni 1839 een K.B. uit betreffende de weder inbezitneming van de landstreken, die ingevolge art IV van het tractaat onder Nederlands gezag zouden terugkeren. De desbetreffende proclamatie van de commissarissen, belast met die weder inbezitneming in Limburg 22), werd door het lid van de Provinciale Raad, A.J.H.J. Bloemaerts, in het district van de rechter Maasoever op 22 juni 1839 bekend gemaakt in Valkenburg, bij welke gelegenheid Van de Weijer bij hem informeerde naar de mogelijkheden, die het artikel 4 van het K.B. van 12 juni 1839 opende voor de in functie zijnde ambtenaren, om in Nederlandse dienst over te gaan. Van de Weijer was van mening, dat hij wel voor een of andere betrekking bij het Belgische gouvernement in aanmerking zou worden gebracht, maar voor het geval hij in deze verwachting teleurgesteld zou worden, wilde hij zich wel tot de gouverneur te Maastricht wenden, waartoe Bloemaerts hem de mogelijkheid voorhield 23)
Intussen werd met ingang van 27 juni 1839 de districtscommissaris van Maastricht, Kerens de Wolfrath, bij resolutie van de Commissarissen van de Koning, wederom voor het gehele district benoemd 24). zodat Van de Weijer, die verklaarde bereids een functie bij het Belgisch gouvernement te hebben aangenomen 25), van zijn functie van districtscommissaris en militie-commissaris, daardoor was ontheven. Van de Weijer was inmiddels begonnen aan de inventarisatie van zijn archief, dat hij aan zijn opvolger Kerens de Wolfrath overdroeg 26). Het door Van de Weijer gevormde archief heeft hij ingericht volgens een dossier stelsel. In elk dossier werden de afzonderlijke stukken chronologisch gerangschikt. Volgens zijn eigen verklaring 27), hield Van de Weijer twee indicateurs bij, waarin de stukken werden vermeld in alfabetische volgorde volgens de persoonsnamen en die van de instellingen. De eerste indicateur betrof de administratie. Er werden de nummers aan ontleend voor de gevormde dossiers, waarbij elk dossier een nummer ontving tussen 1 - 1000. De tweede indicateur betrof de militaire zaken en daaraan werden de nummers van 1001 tot 2000 toegekend. Elk jaar werden twee nieuwe indicateurs geopend. Deze indicateurs zijn verloren gegaan. Zij werden althans niet bij het archief, zoals dat aan het Rijksarchief in Limburg werd overgedragen, aangetroffen. De archieven door Van de Weijer gevormd in zijn kwaliteit van militie commissaris werden eerst gevormd sedert 1 januari 1835, de datum van ingang van zijn benoeming in die kwaliteit 28). Deze archieven vormen een afzonderlijke, van het civiele archief bestanddeel afgescheiden reeks. Aangezien de indicateurs niet meer bij de archieven werden aangetroffen en derhalve de toegang tot de gevormde dossiers ontbreekt, werd bij de thans afgesloten inventarisatie, een lijst vervaardigd van de dossiers der civiele zaken, houdende een zeer summiere beschrijving van deze zaken
Voor de reeks militie dossiers werd het vervaardigen van een dergelijke dossier lijst overbodig geacht, omdat het onderwerp van deze dossiers steeds gelijk is en onveranderd op militaire zaken betrekking heeft. De vervaardigde dossier lijst is als no. 11847 achter de reeks dossiers van de civiele administratie geplaatst. In de inventarislijst, die hierachter volgt, zijn de nummers der portefeuilles aangegeven met de daarin geborgen, numeriek gerangschikte dossiers. De inhoud van de dossiers moet over het algemeen als zeer onbelangrijk worden beschouwd, omdat in het overgrote deel der voorgekomen zaken, door de districtscommissaris de betrekkelijke stukken werden doorgezonden aan de gouverneur te Hasselt, door wiens bureau als regel de afdoening ervan plaats vond. Een afzonderlijke en omstandige beschrijving van de inhoud der dossiers - anders dan op de hierboven bedoelde dossier lijst - die onder inventaris nummer 11847 is opgenomen - werd daardoor overbodig. Teneinde de onderzoeker in dit archief enige aanwijzing te verschaffen over de zeer beperkte reeks van dossiers, waarvan het raadplegen ten behoeve van het historisch onderzoek nut zou kunnen afwerpen, is van deze - op uiteraard subjectieve gronden "belangrijk" geachte - dossiers een afzonderlijke lijst opgesteld, die als bijlage aan deze inventaris onder no. III, is toegevoegd. De inventarisatie van het archief van de districtscommissaris voor de rechter Maasoever had plaats in samenwerking tussen mej. Dr. Nuyens en C.G.H. Bloemen
Noten: 1) Dr. G. Panhuysen. Uit de geschiedenis van Limburg's Provinciaal Bestuur. De Maasgouw 1955, blz. 124, noot 6. 2) Ibidem blz. 103. 3) Dr. E. Nuyens. De staatskundige geschiedenis van de provincie Limburg vanaf haar ontstaan tot aan haar uiteenvallen in 1839. Blz. 120. 3a) Arch. Distr. Comm. Dossier 1 (1831). 4) Dr. Nuyens a.w. blz. 121. 5) Prov. Archief no. 378. Doss. no. 27 "Personeel der Provincie". 6) Prov. Archief 10 februari 1829 no. 3. 7) Het bleek niet mogelijk door enige genealogische documentatie zekerheid te verkrijgen over de familierelaties van L.A. Van de Weijer. De Leuvense afkomst van Van de Weijer wordt hier gebaseerd op het feit, dat hij 24 augustus 1832 verlof vroeg, omdat zijn aanwezigheid te Leuven voor enkele dagen nodig was wegens familiezaken (archief distr. comm. 1832 dossier 460, brieven van 24 en 28 augustus 1832) en dat de gouverneur op 20 oktober 1832 in een brief aan Van de Weijer o.a. schreef "à Louvain ou reside votre familie" (archief distr. comm. 1832 dossier no. 565) en bovendien op het feit, dat L.A. Van de Weijer door de evenals hij uit Leuven afkomstige gouverneur De Beeckman, tot diens particuliere secretaris werd aangesteld, wat kan duiden op het honoreren van een relatie van de familie Van de Weijer met die van De Beeckman te Leuven, waarvan vader De Beeckman burgemeester was te Leuven. 8) Prov. Archief no. 378 doss. 27 "Personeel der Provincie". 9) Arch. Distr. Comm. 1831 dossier no. 1. 10) Arch. Distr. Comm. 1831 dossier no. 4. 11) Arch. Distr. Comm. 1835 dossier no. 586. 12) Arch. Distr. Comm. 1831 dossier no. 4. 13) Arch. Distr. Comm. 1831 dossier no. 1. 14) Dr. E. Nuyens a.w. blz. 123. 15) Vgl. Arch. Distr. Comm. 1835 dossier no. 259. 16) Arch. Distr. Comm.1832 dossier no. 565. 17) Arch. Distr. Comm. 1833 dossier no. 317 bis. 18) Arch. Distr. Comm. 1835 dossier no. 586. 19) Arch. Mil. Comm. 1835 dossier no. 1001. 20) Arch. Mil. Comm. 1835 dossier no. 1023. 21) Dr. Nuyens a.w. blz. 135
22) Prov. Archief no. 10745 (gedrukte proclamatie). 23) Prov. Archief no. 10679. Arch. Comm. 1829 no. 28. 24) Dr. E. Nuyens a.w. blz. 134. 25) Prov. Archief inv. no. 10679. Arch. Comm. 1839 no. 36. 26) Ibidem. 27) Arch. Distr. Comm. 1835 dossier no. 586. 28) Ibidem
Administratieve Zaken
Militaire Zaken
Supplement
Kenmerken
Datering:
1814-1913
Auteur:
E.M.Th.W. Nuyens
Inventaris:
Inventaris der archieven van het Provinciaal Bestuur van Limburg, 1814-1913
Omvang:
1510,1 meter
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS