Uw zoekacties: Hoofdgerecht Thorn en het kerspel Thorn, 1478-1796
x01.187E Hoofdgerecht Thorn en het kerspel Thorn, 1478-1796 ( Regionaal Historisch Centrum Limburg (RHCL) )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

01.187E Hoofdgerecht Thorn en het kerspel Thorn, 1478-1796 ( Regionaal Historisch Centrum Limburg (RHCL) )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
Zoektips!

Wildcards kunnen het zoeken vergemakkelijken:

  • Een ? (vraagteken) vervangt een letter
  • Een * (sterretje) vervangt een aantal letters
  • Door een $ (dollarteken) voor een zoekterm te zetten, zoekt u naar woorden die op elkaar lijken.

Meer zoektips vindt u hier.

 
 
Inleiding
Algemeen
De abdij van Thorn
Het land van Thorn
De Drie Eijgen
sluiten
01.187E Hoofdgerecht Thorn en het kerspel Thorn, 1478-1796
Inleiding
De Drie Eijgen
In verband met het ontstaan van het Land van Thorn moet ook aandacht worden besteed aan het begrip 'De Drie Eijgen'. De onsamenhangende vorm van het Land van Thorn werd voor een belangrijk deel veroorzaakt door de tussenliggende gebieden van de heerlijkheden Neeritter en Kessenich. Neeritter, met de woonkernen Neeritter, Molenbeersel en Manestraat, was een zogenaamd Luiks vrijdorp, waarvan de heerlijke rechten toebehoorden aan het kapittel van Sint Lambertus in Luik. De oudste vermelding van die rechten dateert uit 1143. De status van vrijdorp hield een vrijstelling in van belastingen die door de Staten van Luik en Loon aan het land werden opgelegd. Verder waren de vrijdorpen - tot op zekere hoogte - gevrijwaard van inmenging van Luikse gerechten. Het 'land' Kessenich bestond uit het gebied rond de kern Kessenich en het gebied rond Hunsel, welke van elkaar gescheiden waren door Neeritter. De heerlijkheid was eigenlijk een combinatie van twee heerlijkheden, te weten Kessenich en Bronshorn. (9) Tot Bronshorn behoorden onder andere het gebied van Hunsel en 2/7 deel van de heerlijkheid Kessenich. Over de oorsprong van de heerlijkheid Kessenich ontbreken gegevens. Men veronderstelt dat het ooit is ontstaan als een kleine, zelfstandige allodiale heerlijkheid. Echter vanaf 1321 tot circa 1700 zijn er voor de heerlijkheid Kessenich leenbanden met het graafschap, later hertogdom Gulik bekend. De heerlijkheid Bronshorn werd daarentegen verheven bij het leenhof van Brabant. Uiteindelijk hebben deze onduidelijke verhoudingen tot allerlei problemen geleid, waarbij Kessenich een speelbal werd van Brabantse, Gulikse en later ook Gelderse inmenging. (10) Hoewel Thorn, Kessenich en Neeritter ieder een heel eigen geschiedenis hebben, zijn er tot in de achttiende eeuw sporen van een bepaalde samenhang tussen deze gebieden
Het oudste voorbeeld daarvan betreft een scheidsrechterlijke uitspraak uit 1279 door de proost van het kapittel van Sint Salvator in Utrecht in een geschil tussen het kapittel van Sint Lambertus in Luik en de heer van Horne over de afbakening van hun rechten in Neeritter. (11) Naast een aantal regelingen van interne aard komt daarin ook de berechting aan de orde van misdrijven die met de dood worden bestraft. Een delinquent uit Neeritter moest worden overgebracht naar een berg, waar de schepenen van Neeritter, Thorn en Kessenich waren verzameld. De meier van Neeritter moest als eerste 'recht manen', waarna de schepenen een vonnis moesten geven. Een soortgelijke procedure was ook voorzien voor misdadigers uit de andere dorpen. Hoe lang deze gezamenlijke rechtspraak heeft bestaan, is niet duidelijk, maar waarschijnlijk is er in het midden van de vijftiende eeuw een einde aan gekomen. De samenwerking blijkt in ieder geval ook uit een gewelddadig grensconflict in de jaren 1441-1442 met de bewoners van een aantal dorpen uit het graafschap Loon. (12) Daarin is duidelijk sprake van een grens en een landweer tussen het gebied van de Drie Eijgen en het graafschap Loon. Dertig jaar later is opnieuw sprake van een grensscheiding, waarbij de rechten van 'ondersaeten van Dryen Eyghen' op bepaalde woeste gronden worden vastgelegd. (13) Ook in jongere tijden duikt het begrip van de Drie Eijgen regelmatig op. In 1618 verklaren schepenen van Kessenich en Neeritter dat deze twee dorpen samen met Thorn worden genoemd de Drie Eijgen en dat zij gezamenlijk opkomen voor de verdediging van hun rechten op bepaalde heide- en turfgronden. (14) In 1755 is sprake van een getuigenis over het recht van weide en turf steken dat de inwoners van drie 'lantgens, genaemd de Drie Eyghen' hebben op onverdeelde woeste grond. (15)
De Drie Eijgen maken de indruk meer te zijn dan alleen een gemeenschap van rechthebbenden op woeste gronden, zoals ook al bleek uit de getroffen regeling inzake het berechten van misdadigers in 1279. Zo wordt in het archief van de schepenbank Thorn ook enkele malen gerefereerd aan andere rechten. In 1551 is er sprake van een gemeenschappelijk beslag recht van deze drie plaatsen ten opzichte van de stad Roermond (16) en in 1630 van een bijzonder recht voor het maken van testamenten. (17) Ook maken deze drie landjes in 1618 aanspraak op vrijstelling van belastingen die vanwege het Rijk worden opgelegd. (18) Wijzen de hiervoor genoemde kenmerken op een gemeenschappelijke oorsprong van deze drie landjes, met mogelijk een herkomst uit het bezit van graaf Ansfried? In de literatuur is deze opvatting verdedigd (19) en het is zeker een plausibele hypothese. Maar met het schaarse bronnen materiaal uit die tijd, dat vaak voor verschillende uitleg vatbaar is, komen we uiteindelijk ook niet verder dan dat. Voorts roept een veronderstelde gemeenschappelijke oorsprong weer direct een nieuwe vraag op. Want hoe valt de sterke territoriale versnippering te verklaren wanneer de goederen uit één hand afkomstig zijn? Vrijwel zeker lijken de territoria van de Drie Eijgen te zijn ontstaan uit adellijk allodiaal grondbezit uit de tiende eeuw. Maar het blijft een vraag of dit bezit toebehoorde aan één persoon, dan wel verdeeld was binnen een familie of dat er nog andere rechthebbenden waren. Onduidelijk blijft hoe in die tijd dit bezit, gelegen in een dunbevolkte streek met veel moerassen en heide, was gestructureerd. Mogelijk moeten we ons de ontwikkeling aldus voorstellen dat vanuit kernen zoals Thorn, Kessenich en Neeritter ontginningsactiviteiten werden ondernomen in een groot, waarschijnlijk grotendeels onverdeeld gebied met heide en moerassen.
Daar ontstonden kleine nederzettingen of losse hoeven die als exclaves ook juridisch verbonden bleven met de plaats van waaruit ze gesticht werden. Deels smolten die nieuwe ontgonnen gebieden samen met de oorspronkelijke nederzetting, deels bleven ze als afzonderlijke exclaves bestaan. We hoeven in de omgeving van de Drie Eijgen niet ver te zoeken naar een parallel van een gelijke ontwikkeling. Ook Wessem kende ten westen van Grathen het zogenaamde Buiten-Wessem, bestaande uit de gehuchten Katert, Kelpen, Oler en de helft van Ell, die duidelijk het resultaat zijn van ontginningsactiviteiten vanuit Wessem. (20) Dit betekent dat de verklaring van de grillige territoriale verdeling van het gebied van de Drie Eijgen eerst en vooral moet worden gezocht in de ontginningsgeschiedenis van het gebied. Waarschijnlijk hebben daar ook, zoals van elders bekend is, kerkelijke instellingen als de abdij van Thorn en het kapittel van Sint Lambertus in Luik een stimulerende rol vervuld. De rol van de Drie Eijgen binnen deze ontwikkeling lijkt, naast eventueel andere veronderstellende gemeenschappelijke rechten, toch vooral betrekking te hebben op de handhaving van de gebruiksrechten op de woeste gronden. Dit belang was des te groter omdat de grenzen niet nauwkeurig waren vastgelegd. In dat opzicht kan een vergelijking worden gemaakt met andere grote bos- en heide- en veengebieden, zoals de Peel, de Meinweg en de Graetheide, waarop de aangrenzende dorpsgemeenschappen gebruiksrechten hadden. Onduidelijk blijft de interpretatie van de oorkonde uit 1279. waarin sprake is van een gezamenlijke rechtspraak door schepenen van Neeritter, Kessenich en Thorn bij zeer ernstige delicten. Het probleem is dat we over het functioneren van schepenbanken in deze streken uit de tijd voor 1200 niets weten. (21) Het blijft dus zeer de vraag of deze bijzondere bijeenkomst moet worden gezien als een relict van eeuwenoud land gerecht voor een groot gebied
Evenzeer zou men kunnen verdedigen dat in deze tijd de schepenbanken nog zo zwak waren ontwikkeld, dat voor deze uitzonderlijke gevallen een versterking van de schepencolleges werd gezocht. Daar komt nog bij dat de uitoefening van hoge justitie onder kerkelijke jurisdictie toch altijd enigszins problematisch was, omdat hiervoor de hulp van wereldlijke autoriteiten moest worden ingeroepen. En hoe is het gesteld met de andere beweerde overeenkomsten tussen de Drie Eijgen, zoals een gemeenschappelijk beslagrecht, erfrecht of recht van belasting vrijdom? Ook hier is de verleiding groot te denken aan een gemeenschappelijke oorsprong. Maar evengoed kunnen deze veronderstelde overeenkomsten het resultaat zijn van interpretatie achteraf, of het redeneren naar een bepaalde uitkomst toe. Zo laat de bewering dat deze drie plaatsen sedert onheuglijke tijden vrij waren van bepaalde belastingen zich toch moeilijk onderbouwen met een beroep op een tijd toen die belastingen niet bestonden. Op zich zijn deze redeneringen wel verklaarbaar. In bepaald opzicht hadden de Drie Eijgen immers wel bepaalde gemeenschappelijke belangen en een bijzondere status vanwege een gezamenlijk verleden kon de argumentatie versterken
Het kerspel/de gemeente Thorn
Het Thornse landrecht (22)
Landsheerlijkheid en grondheerlijkheid
Voogdij
Meiers
Het hoofdgerecht Thorn als organisatie
Processen en schriftelijke vastlegging daarvan
Consultatie van juristen
Rentmeester van het kapittel/grondmeier en schepenen
Hoofdvaart en appel
Hof van appel of Appellationsraad voor Thorn
De gerechtelijke hervormingen 1781-1791 (73)
Einde van de rechterlijke instellingen
Geschiedenis van het archief
Verantwoording van de inventarisatie
Lijst van gebruikte literatuur
Kenmerken
Datering:
1478-1796
Auteur:
Th. J. van Rensch
Inventaris:
Inventaris van de archieven van het hoofdgerecht Thorn en het kerspel Thorn (Maastricht 2010)
Omvang:
18,6 meter
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS