Uw zoekacties: Reclasseringsraad te Arnhem
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
1. Openbaarheid en citeren
2. Archiefvormer
sluiten
1130 Reclasseringsraad te Arnhem
Inleiding
2. Archiefvormer
Organisatie: Gelders Archief
Het reclasseringswerk in de negentiende eeuw droeg het karakter van liefdadigheid. Het was geheel en al particulier initiatief. Na de eeuwwisseling nam het aantal instellingen dat zich met reclassering bezig hield, toe. Bovendien ontstond het besef dat ook de overheid een rol op sociaal-maatschappelijk gebied had te vervullen. Het was de tijd van de totstandkoming van de eerste sociale wetten. Het delict werd door de overheid niet meer louter juridisch bekeken maar men kreeg ook oog voor de sociale aspecten. Steun aan ex-gevangenen werd meer en meer gezien als goede strafrechtelijke politiek. Zo begon de overheid zich met de reclassering te bemoeien. Dat resulteerde in de reclasseringsregeling van 1910. Via deze algemene maatregel van bestuur werd de subsidiëring van het reclasseringswerk geregeld waardoor tevens de mogelijkheid werd geschapen voor contrôle en beïnvloeding door de overheid.
Omdat in 1915 het instituut van de voorwaardelijke veroordeling in het leven werd geroepen en de mogelijkheden van voorwaardelijke invrijheidstelling werden uitgebreid, ontstond er behoefte aan aanpassing van de reclasseringsregeling. In dat jaar kwam een nieuwe reclasseringsregeling tot stand bij K.B. van 13 december 1915 (Staatsblad nr. 504). Daarin werd de mogelijkheid voorzien van de oprichting van reclasseringsraden. In ieder arrondissement zou zo'n reclasseringsraad kunnen gaan functioneren. De reclasseringsraden werden samengesteld uit afgevaardigden van de diverse reclasseringsinstellingen, leden van de zittende en staande magistratuur en leden van gevangenisbesturen. Zij konden bezoldigde medewerkers aanstellen die de titel van rijksreclasseringsambtenaar kregen.
De kosten van de instandhouding van de raden werden door het departement van justitie vergoed. Het was de bedoeling dat ze het werk tussen de plaatselijke reclasseringsinstellingen zouden gaan verdelen, omdat het aantal instellingen was toegenomen en omdat de taken van die instellingen zich uitbreidden. De reclassering werd meer en meer een orgaan van de strafrechtspleging. De raden moesten de minister van justitie, de gevangenisbesturen of het openbaar ministerie adviseren inzake gratie, voorwaardelijke invrijheidstelling of celbezoek door een plaatselijke instelling. De reclasseringsraden zou men kunnen beschouwen als schakel tussen verschillende overheidsorganen die bij de strafrechtspleging betrokken waren (rechters, openbaar ministerie, politie) en de particuliere reclasseringsinstellingen.
Aanvankelijk verliep de oprichting van de reclasseringsraden stroef. Van de particuliere reclasseringsinstellingen rees nogal wat verzet, ofschoon het ministerie van justitie wenste dat het toezicht op de reclasseringsinstellingen vergroot werd. Bemoeienis met de inhoud van het werk werd niet gewenst. Hierdoor en door het feit dat de taken van de raden niet allemaal waren vastgelegd bleef de betekenis van de raden tot aan de Tweede Wereldoorlog beperkt.
Na de oorlog kwam de Reclasseringsregeling van 13 december 1947 (Staatsblad nr. H 423) tot stand die de positie van de reclasseringsinstellingen aanzienlijk versterkte. De bedoeling was dat de reclasseringsraden voortaan een onmisbare schakel zouden zijn tussen de instellingen belast met de strafrechtspleging en de particuliere reclasseringsinstellingen. Zij kregen toezicht op en de leiding over alle reclasseringsaangelegenheden. De bemoeienis had betrekking op de feitelijke werkzaamheden van de reclasseringsinstellingen. Hun aangelegenheden van inwendige, huishoudelijke en organisatorische aard vielen buiten zeggenschap van de raden.
Zo moesten alle aanvragen voor een voorlichtingsrapport over een gedetineerde gericht worden aan de raad. Deze besliste dan welke reclasseringsinstelling het voorlichtingsrapport zou samenstellen. In bijzondere gevallen kon ook een rijksreclasseringsambtenaar met het samenstellen van een rapport worden belast. Na rapportage kon de raad dan ook nog zijn eigen opmerkingen toevoegen of opdracht geven het rapport te wijzigen. Via de raden werden de voorlichtingsrapporten ter beschikking van de aanvragende instantie gesteld. Verder coördineerden de raden het reclasseringsbezoek aan de gedetineerden. Ook op de nazorg oefenden ze toezicht uit. De reclasseringsinstellingen waren verplicht over hun activiteiten op dit terrein verslag te doen aan de reclasseringsraden.
Op den duur werd de leidende positie van de reclasseringsraden, die in de loop van de tijd nog door allerlei overheidsmaatregelen versterkt werd, door de reclasseringsinstellingen steeds meer als knellend ervaren. Dreven deze instellingen vroeger op de inzet van goedwillende maar niet geschoolde vrijwilligers, rond het midden van de jaren zestig waren het instellingen geworden die volledig steunden op goed geschoolde beroepskrachten. Bovendien kwam er binnen de instellingen steeds meer weerstand om als een verlengstuk van de strafrechtspleging te worden gezien. Niet zo zeer een goede strafrechtspleging maar het behartigen van de belangen van de te reclasseren gedetineerden zagen ze als centrale opgave. Daarom wilden ze zich ontworstelen aan de knellende greep die de overheid had via de reclasseringsraden. De reclasseringsinstellingen zochten aansluiting bij de zich in de jaren zestig sterk ontwikkelende instellingen van maatschappelijke en geestelijke (gezondheids)zorg en het welzijnswerk.
Ze wilden een onderdeel zijn van deze "koepel" en geen onderdeel van de strafrechtspleging. Toename van eigen professionaliteit en deskundigheid maakte toezicht op de reclasseringsinstellingen bovendien meer en meer overbodig. Een andere ontwikkeling was dat de scheidslijnen tussen de in de tijd van de verzuiling ontstane particuliere reclasseringsinstellingen steeds meer afbrokkelden. Er werd minder gehecht aan de eigen (levensbeschouwelijke of religieuze) identiteit, maar des te meer aan deskundigheid en professionaliteit. Hierdoor ontstond een toenemende behoefte aan samenwerking tussen de particuliere reclasseringsinstellingen. Uiteindelijk leidde dit in 1975 tot de fusie in de Algemene Reclasseringsvereniging (ARV). Deze overkoepelende organisatie was goed in staat alle werkzaamheden te coördineren. Dit en de toegenomen deskundigheid maakten de werkzaamheden van de reclasseringsraden steeds meer overbodig.
Aan het begin van de jaren tachtig werd sterk de behoefte gevoeld om te bezuinigen op de overheidsuitgaven. Hierbij kon de reclassering niet buiten schot blijven. Nu gebleken was dat de feitelijke werkzaamheden van de reclasseringsraden steeds meer werden overgenomen door de ARV en hun positie dus volkomen uitgehold was, kon de roep om opheffing niet meer uitblijven. Een rapport van de Algemene Rekenkamer toonde dit aan en adviseerde dan ook opheffing om de efficiency van het reclasseringswerk te vergroten. Krachtens de nieuwe Reclasseringsregeling van 1 januari 1986 (Staatsblad nr. 1) werden de reclasseringsraden dan ook opgeheven. De werkzaamheden werden overgenomen door negentien nieuwe stichtingen (in ieder arrondissement één). Particuliere en rijksreclassering gingen daarin samen met uitzondering van de reclasseringsafdeling van het Leger des Heils en de Consultatiebureaus voor Alcohol en Drugs, onder een overkoepelende organisatie geheten Nederlandse Federatie van Reclasseringsinstellingen (NFR).
3. Verwerving en inventarisatie
Inventaris
1. Raad
2. Overlegsituaties
Kenmerken
Datering:
1923-1985
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS