Uw zoekacties: Nederlandse Tuinbouwraad te Den Haag
x573 Nederlandse Tuinbouwraad te Den Haag ( Noord-Hollands Archief )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

573 Nederlandse Tuinbouwraad te Den Haag ( Noord-Hollands Archief )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
Zoektips!

Wildcards kunnen het zoeken vergemakkelijken:

  • Een ? (vraagteken) vervangt een letter
  • Een * (sterretje) vervangt een aantal letters
  • Door een $ (dollarteken) voor een zoekterm te zetten, zoekt u naar woorden die op elkaar lijken.

Meer zoektips vindt u hier.

 
 
Inleiding
1. De Nederlandse Tuinbouwraad1908-1990
sluiten
573 Nederlandse Tuinbouwraad te Den Haag
Inleiding
1. De Nederlandse Tuinbouwraad1908-1990
Organisatie: Noord-Hollands Archief
Zonder veel overdrijving kan worden gesteld dat de Nederlandse Tuinbouwraad zijn bestaan dankt aan de nauwe samenwerking van de Haagse ambtenaar H.J. Lovink (1866-1938) en de Haarlemse bloemist E.H. Krelage (1869-1956). Krelage deed dat openlijk en op de voorgrond vanuit zijn bestuursfuncties bij de Algemene Vereniging voor Bloembollencultuur (AVB) en de Nederlandse Maatschappij van Tuinbouw en Plantkunde (NMTP) en Lovink strategisch en wat meer op de achtergrond, hij was in 1901 tot directeur generaal van den Landbouw benoemd op het Ministerie van Waterstaat, Handel en Nijverheid. De motivatie van Lovink ontleende hij aan het besef bij zijn aantreden dat hij een algemene tuinbouwvereniging nodig had voor de beleidsontwikkeling en dat ook nodig was gezien de toenemende betekenis van de tuinbouw. Krelage vond, fungerend als lid van het hoofdbestuur van de NMPT, dat deze organisatie niet geschikt was voor een dergelijke rol en vond ook dat de tuinbouw naast de landbouw recht had op een eigen vertegenwoordiging. Het hele proces van tot standkoming van de Raad (het duurde jaren) werd gekleurd door het gevoel bij de tuinbouwsector dat ze werden ondergewaardeerd in vergelijking met de landbouw. Zo had de regering in 1893 geen gehoor gegeven aan de wens van de tuinbouw om een eigen orgaan voor de belangenbehartiging maar had die ondergebracht bij het Nederlands Landbouwcomité, NLC, (opgericht in 1883 en geherstructureerd in 1893 zodanig dat ook de behartiging van de tuinbouwbelangen daar onderviel) Nog in 1902 werd in een winterbijeenkomst van de NMPT ( in het Brongebouw in Haarlem) stelling genomen tegen de winterbijeenkomst van de NMPT (in het Brongebouw in Haarlem) stelling genomen tegen de deelname van de tuinbouw aan landbouwtentoonstellingen. Daar werden ze maar gebruikt als publiekstrekker en versiering.
De sector wilde een gelijkwaardige positie en eigen tentoonstellingen. Het begon allemaal toen de regering begin 1903 een wetsontwerp uitbracht (al aangekondigd in de troonrede van 1901) over de instelling van landbouwraden als provinciale organisaties met een rijksoverkoepeling ten behoeve advisering aan de regering en andere overheden. De raden zouden worden gekozen en benoemd door de landbouworganisatie. De reacties in de tuinbouw waren gemengd, enerzijds positief vanwege de mogelijkheid dat ook de tuinbouw kon meedoen maar anderzijds negatief omdat men verwachtte dat de landbouw door zijn getal zou overheersen. De toon werd echter gezet door Krelage die daarover een uitgebreide beschouwing hield in de Congresvergadering van de NMPT van 11-2-1903. Die beschouwing werd letterlijk gepubliceerd in het Nederlandse Tuinbouwblad / Sempervirens het officiële orgaan van de NMPT. Hij was vol kritiek op het wetsontwerp omdat de beschrijving van de tuinbouw zoals die daarin voorkwam geen recht deed aan het werkelijke belang ervan. Hij pleitte voor een zelfstandige positie van de tuinbouw, dus schrap de tuinbouw maar uit de wet en schep een rechtstreeks gekozen tuinbouwraad. Dat was dan ook reactie die de NMPT (mede namens de AVB) naar de Tweede Kamer stuurde. Overigens kwamen die landbouwraden er niet, maar dat is weer een ander verhaal. Krelage had nog iets anders gezegd in zijn congresrede en dat was dat de NMPT niet goed toegerust was om de taak als "tuinbouwraad" te vervullen. Die moest worden omgebouwd om met name de beroepstuinbouw meer invloed te geven (van het ledenbestand maakten die maar 1/3 uit, de rest waren liefhebbers en tuinbazen van o.m. buitenplaatsen).
Een beweging van enkelen om toen al te komen tot de oprichting van een coöperatie van alle tuinbouwverenigingen (ook de handelsverenigingen) had nog geen draagvlak maar wel een voorstel om vanuit de NMPT een commissie te benoemen (met ook vertegenwoordigers van buityen de NMPT) om de tuinbouw via zijn verenigingen in kaart te brengen en voorstellen te doen tot aansluiting c.q. nauwe samenwerking met de NMPT. Krelage werd secretaris van die Cie en Lovink gaf zijn rijkstuinbouw leraar in Noord-Holland, Hazeloop, de taak de inventarisatie voor de Cie te doen. Dat had nog heel wat voeten in aarde, want al die plaatselijke verenigingen moesten worden benaderd (via de rijkstuinbouw leraren) dubbeltellingen van leden moesten er uit gehaald etc. De resultaten waren voor de Cie zeer verassend. Had men aanvankelijk gedacht dat het aantal beroepsbeoefenaren rond de 12.000 lag. Hazeloop kwam tot 176 verenigingen en bijna 16.000 tuinbouwers waarvan 8500 warmoeziers en zaadtelers en rond de 2000 telers voor elk van de sectoren fruit bomen en bollen en nog eens 1.000 bloemtelers. 12.000 daarvan kwamen uit Noord-Holland (6182) en Zuid-Holland (5242). Inmiddels was er in de kolommen van het NTM / SV een polemiek ontstaan over de vraag of de NMPT de kern moest worden van de tuinbouwraad of daarin moest opgaan. Kortom een strijd van federalisten tegen centralisten. Krelage koos duidelijk voor het laatste hij vond dat het de NMPT ontbrak aan draagvlak bij de andere organisaties om zich daarbij aan te sluiten.
Hij kon dat echter niet openlijk doen omdat hij dan buiten de opdracht van de Cie zou treden. In zijn (ongepubliceerde) herinneringen (Krelagearchief AVK, inventaris nummer 237) schreef hij dat hij een "coup d 'état" pleegde door te komen met ontwerpstatuten voor een nieuwe raad, een Nederlandse Tuinbouwbond, een federatie van tuinbouw verenigingen, waarin de macht lag bij de beroepstuinders. Pas in 1905 won hij het pleit en besloot de NMPT in principe tot te treden tot een bond of federatie. En toen ging het alsnog mis niet door toedoen van de NMPT maar door de machtsverdeling in de nieuw bond. Daar was voorzien in een groepsindeling naar sectoren die een eigen bestuur kregen en die het centrale bestuur zouden vormen. De grove tuinbouw (vollegrondsgroenten en zaadteelt onder aanvoering van West-Friesland) en handelsverenigingen (onder aanvoering van de groenteveilingen uit het Westland) vonden zich of niet (de handel) of onvoldoende (groente en zaadteelt was één groep) terug in de groepsindeling. Er ontstond een strijd om de macht tussen de fijne tuinbouw (bloemen, bollen, bomen) en de "koolboeren" en de "slaboeren", die zeer emotioneel werd gevoerd en die werd gewonnen door de laatsten. Zelfs zo dat bij de oprichtingsvergadering in maart 1906 de NMPT en de AVB niet meededen ook al omdat de contributieregeling voor grote verenigingen in ongunstige zin was veranderd. Het was een Pyrrusoverwinning voor de Bond. Nog geen 40 verenigingen sloten zich aan met nog geen 1.000 leden. Iedereen likte zijn wonden. De NMPT wierp zich na een statutenwijziging onder leiding van voorzitter Wentholt (die voorzitter was geweest van de ABV) op tot de vertegenwoordiger van de tuinbouw en stichtte een bureau in Amsterdam maar verloor de AVB als lid (die waren het niet eens met de statutenwijziging).
Toen zowel de NMPT (voor zijn bureau) als de nieuwe Bond (voor zijn secretariaat) subsidie bij de regering vroegen greep Lovink in. Volgens Krelage was het aan hem te danken dat de minister bij de begrotingsbehandeling van eind 1907 in de kamer uitsprak voorstander te zijn van een centrale vertegenwoordiging van de tuinbouw en die te willen subsidiëren zolas ook het NLC werd gesubsidieerd. Door Krelage werd dat gezien als de hefboom die de zaak weer in beweging zette. Ook de NMPT was die mening toegedaan en al begin 1908 kwam er op initiatief van Krelage en de NMPT een gemengde Cie van leden van de Bond en de NMPT en de andere organisaties om te komen tot een bundeling. Om er zeker van te zijn dat de zaak nu niet zou stranden werd Lovink voorzitter (volgens Krelage was dat wel vreemd maar kon het niet anders het onderlinge wantrouwen in de tuinbouw was nog te groot). Bekwaam werden alle pijnpunten zoals de groepsindeling en de contributie omzeild dan wel opgelost en op 4 mei 1908 werd de oprichtingsvergadering gehouden. 44 verenigingen traden toe met 17.000 leden en de Nederlandse Tuinbouwraad (NTR) was een feit. Lovink werd de eerste voorzitter. Nog tijdens die eerste vergadering liet Lovink impliciet blijken wat zijn bedoelingen waren. Hij vroeg machtiging voor het nieuw hoofdbestuur om voorstellen te doen voor een onderlinge verzekering voor werknemers tegen ongevallen in de tuinbouw (dat was zijn hoofddoel om de tuinbouwraad snel tot stand te brengen) en voor deelname aan de internationale tuinbouwtentoonstelling in Berlijn. En zo geviel het dat de Tuinbouwraad de eerste vereniging in de land- en tuinbouw was die zo'n verzekering onderling regelde, de zogenaamde "Onderlinge" van 1909 en dat Aalsmeer triomfen vierde met zijn seringen in Berlijn ook in 1909.
Plaatsingslijst Nederlandse Tuinbouwraad 1908-1930. ir. M.J.G. Timmer, 15-11-02
Informatie over oprichting en werkzaamheden van de NTR is te vinden in het gedenkboek dat de NTR in 1938 uitbracht ter gelegenheid van zijn 30 jarig bestaan onder de titel: "De Nederlandsche Tuinbouwraad 1908-1938, Haarlem, 1938".
2. Aanwijzingen voor de gebruiker
Plaatsingslijst
1. Algemeen
2. Interne organisatie
3. Taken
4. Groepen
Kenmerken
Datering:
1908-1990
Periode documenten:
1908-1990
Omvang:
6,40
Openbaarheid:
openbaar
Vestiging voor raadplegen:
Haarlem, Kleine Houtweg
Gebruiksinformatie:
Plaatsingslijst in band 573 nrs. 1-82.
Licentie:
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS