Uw zoekacties: Inventaris van het archief van het Ministerie van Justitie: ...
 
 
Beschrijving van het archief
1882-1912
Naam archiefblok:
Ministerie van Justitie: Registers Auteurswet
Justitie / Registers Auteurswet
Archiefbloknummer:
J25537
Omvang:
5,00 meter; 36 inventarisnummers.
Taal van het archiefmateriaal:
Het merendeel der stukken is in het Nederlands.
Soort archiefmateriaal:
Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.
Archiefbewaarplaats:
Nationaal Archief, Den Haag
Archiefvormers:
Ministerie van Justitie
Samenvatting van de inhoud van het archief:
Het archief bestaat uit de chronologisch geordende registers auteursrecht uit de periode 1882-1912, geldend voor publicaties, beeldende kunst, en (uitvoeringen van) muziek- en toneelstukken. In de registers werd onder een doorlopend nummer onder meer vermeld: naam en plaats van de inzender (bij publicaties meestal de uitgever), titel van het werk, auteur, eventuele vertaler, naam en vestigings­plaats van de drukker, jaar van uitgave, datum en nummer van het verbaal en dagtekening in de Staatscourant.
Archiefvorming
Geschiedenis van de archiefvormer
sluiten
2.09.33 Inventaris van het archief van het Ministerie van Justitie: Registers Auteurswet, 1882-1912
Archiefvorming
Geschiedenis van de archiefvormer
Organisatie: Nationaal Archief
Voor de uitvinding van de boekdrukkunst kopieerde men geschriften met behulp van overschrijvers, hierdoor kon men de vervaardiging van afschriften overeenstemmen met de vraag.
De drukker-uitgever had deze mogelijkheid echter niet, daar hij niet op de verkoop van een vast aantal exemplaren kon rekenen.
Verder was het drukken van een geschrift in de tijd dat de drukkunst nog in haar opkomst was een vrij kostbaar procedé.
Het werd dus voor de drukker-uitgever zaak een werk te verkrijgen waarvan veel exemplaren werden afgenomen.
Nu ontstond echter het probleem dat het een ieder vrij stond de werken welke goed bleken te verkopen na te drukken en, door deze iets goedkoper te verkopen, klanten bij de drukker-uitgever van het orgineel weg te trekken. Om deze oneerlijke concurrentievorm tegen te gaan werd van overheidswege de maatregel van "octrooi" of "privilegie" genomen.
Dit hield in dat de drukker-uitgever een verzoek in kon dienen tot het verkrijgen van het "octrooi" of "privilegie" een boek of geschrift gedurende een bepaalde tijd met uitsluiting van ieder ander te mogen drukken en verkopen. Het in ons land oudst bekende privilegie dateert uit 1516 toen door Karel V privilegie werd verleend voor het werk "Die Cronycke van Hollandt, Zeelandt en Vrieslant, beghinnende van Adams tiden tot de jare 1517".
Oorspronkelijk waren de privilegiën dus direkt ter bescherming van de belangen van de drukker-uitgever.
De schrijvers, voor zover de privilegiën niet werden verleend voor boeken van reeds lang overleden schrijvers, waren er slechts indirekt bij gebaat, daar zij nu voor het afstaan van hun manuscript enig honorarium konden bedingen. Behalve op geschriften kon men ook privilegiën verkrijgen op muziekwerken, kaarten, werken van beeldende kunst en voorwerpen van kunstnijverheid.
In ons land werd vooral aan het einde van de 17e en het begin van de 18e eeuw de muziekdruk op zeer uitgebreide schaal beoefend en ook op het gebied van kaarten- en atlassendruk werden uitgaven ondernomen die wereldberoemd zijn geworden, zoals bijvoorbeeld de atlassen van Blaeu.
Het heeft tot 1796 geduurd voordat het privilegiestelsel hier ter lande werd verbroken.
In dat jaar vaardigde het Provinciaal Bestuur van Holland een Publicatie uit waarvan het eerste artikel luidde :"Dat van nu voortaan geene Privilegiën of Octroijen tot het drukken en uitgeven van eenige Boeken of Stukken zullen worden verleend, als strijdende tegen de thans aangenomen grondbeginselen, volgens welke ieder Ingezeten een aanspraak heeft op beveiliging van zijnen regtmatigen eigendom".
Van rechten voor de auteurs was echter in de gehele publicatie geen sprake, deze werden pas genoemd in de eerste wet op het auteursrecht, geldende voor alle provincies, waarin ook over de "opstellers" der boeken werd gesproken. Deze wet is slechts enkele jaren van kracht gebleven, daar voor ons land na inlijving bij het Franse keizerrijk, ook op het gebied van het auteursrecht, de Hollandse wetgeving spoedig door de Franse werd vervangen. Deze wet verleende het kopierecht aan de auteurs van alle mogelijke geschriften en daarenboven aan:"compositeurs de musique", en aan :"peintres et desainateurs qui feront graver des tableaux ou dessins".
Na hun dood bleef het auteursrecht nog tien jaar voor hun erfgenamen bestaan. Hier te lande werd bij Keizerlijk Decreet van 1810 nog aanvullend bepaald dat de weduwe van de auteur gedurende haar leven en de kinderen tot twintig jaar na de dood van de auteur van de bescherming zouden kunnen genieten. De Franse wetten op de boekdrukkerij en boekhandel werden bij "Souverein Besluit van den 24 Januari 1814 No 1 (Staatsblad No 17), houdende bepalingen omtrent den boekhandel en den eigendom van letterkundige werken", wederom afgeschaft.
Hiermee was de Franse censuur afgeschaft, tevens echter ging het recht (men sprak zelfs van een eeuwig durend recht) van een werk niet naar de auteur er van, maar wederom naar de uitgever van het werk.
België echter regelde bij besluit van 28 september 1814 (Journal Officiel No 54) het auteursrecht op een geheel andere wijze, namelijk volgens de Franse beginselen, waardoor het zaak werd voor beide delen van het koninkrijk tot een uniforme regeling te komen.
In 1816 werd dan ook een ontwerp van wet ingediend welk onveranderd werd aangenomen (Wet van 25 januari 1817, Staatsblad 5) waarin het auteursrecht voor letter- en kunstwerken verleend werd aan "diegenen, welke daarvan autheurs zijn, en hunne regtverkrijgenden" (art. 1) en het recht duurde tot twintig jaar na de dood van de auteur.
Hoewel deze wet ten opzichte van de regeling van 1814 een hele verbetering was, bleven er leemtes.
Werken van plastische beeldende kunst bijvoorbeeld vielen buiten de kunstwerken, daar de wet alleen betrekking had op het drukken en uitgeven, ook een regeling voor het op- en uitvoeringsrecht voor toneel- en muziekwerken ontbrak.
Verder kwamen geen bepalingen voor voor pseudonieme en postume werken, of werken welke in een samenwerkingsverband waren ontstaan.
Ook had men bij de berekening van de duur van het recht (twintig jaar na de dood van de auteur) geen rekening gehouden met werken welke vanwege een genootschap of de Staat zijn uitgegeven en waarvan geen natuurlijk persoon auteur was.
Voor het Staats-kopierecht kwam bij Koninklijk Besluit van 2 juli 1822 (Staatsblad 16) een afzonderlijke regeling.
Deze werd echter bij Koninklijk Besluit van 24 april 1841 (Staatsblad 11) ingetrokken, daar een arrest van de Hoge Raad d.d. 8 september 1840 stelde dat de beschikkingen van het Koninklijk Besluit van geen kracht waren daar de wet van 1817 niet een kopierecht van de Staat kende.
Van een optimale regeling van het auteursrecht was nog steeds geen sprake en een van de organen welke aktief pogingen ondernam tot een betere regeling te komen was de "Vereeniging tot bevordering van de belangen des boekhandels".
Zij ontwierp een nieuwe wettelijke regeling welke in 1860 met een memorie van toelichting aan de minister van Binnenlandse Zaken werd aangeboden. Toch duurde het nog tot 1877 voor er een regeringsontwerp verscheen, waarvoor bij de voorbereiding, zoals in het memorie van toelichting werd erkend, een dankbaar gebruik was gemaakt van het ontwerp van 1860.
Nieuw in het regeringsontwerp was erkenning van een recht van op- en uitvoering van muziek-en, toneelwerken, en werd de duur van het auteursrecht niet langer bepaald naar het tijdstip van overlijden van de auteur, maar naar de datum van de eerste uitgave van het werk.
Dit ontwerp werd na te zijn aangenomen in 1881 afgekondigd als :"Wet van den 28sten Juni 1881 tot regeling van het auteursrecht" (Staatsblad 124).
Voor werken van beeldende kunst was in deze wet geen regeling daar men het wenselijk achtte hiervoor een afzonderlijke regeling vast te stellen. Om hieraan te voldoen zijn pogingen ondernomen; het duurde echter tot 1912 toen de toetreding van Nederland tot de Berner Conventie de wetgever verplichtte de regeling van het auteursrecht grondig te herzien en belangrijk uit te breiden, voor men kwam met een uitwerking van het auteursrecht op beeldende kunst.
Zie ook: H.L. de Beaufort, "Het Auteursrecht in het nederlandsche en internationale recht". (Wettendossier No 84).
Geschiedenis van het archiefbeheer
Aanwijzingen voor de gebruiker
Openbaarheidsbeperkingen
Beperkingen aan het gebruik
Materiële beperkingen
Aanvraaginstructie
Citeerinstructie
Verwant materiaal
Beschikbaarheid van kopieën
Kenmerken
Datering:
1882-1912
Publicatie:
Nationaal Archief, Den Haag (c) 1982
Taal:
This finding aid is written in Dutch .
Ontstaan:
Deze digitale toegang is in 2009 vervaardigd door het Nationaal Archief op basis van de richtlijn Het gebruik van Encoded Archival Description op het Nationaal Archief versie 1.7.2 . Eindredactie: Hans van Rijn, 29 januari 2009 .
Auteur:
J.W. van Doorn
Categorie:
  • Zonder categorie
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS