Uw zoekacties: Hollandse Mij. van Fraaije Kunsten en Wetenschappen, afd. Rotterdam
x276 Hollandse Mij. van Fraaije Kunsten en Wetenschappen, afd. Rotterdam ( Stadsarchief Rotterdam )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

276 Hollandse Mij. van Fraaije Kunsten en Wetenschappen, afd. Rotterdam ( Stadsarchief Rotterdam )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
 
 
Inventaris
1. Inleiding
sluiten
276 Hollandse Mij. van Fraaije Kunsten en Wetenschappen, afd. Rotterdam
1. Inleiding
Organisatie: Stadsarchief Rotterdam
In 1800 besloten de drie Letterkundige Genootschappen: "Kunst wordt door arbeid verkregen" te Leiden, "Wij streven naar de volmaaktheid" te Amsterdam en "Studium scientiarum genitrix'' te Rotterdam, zich te vereenigen tot eene Bataafsche Maatschappij van Taal- en Dichtkunde.
Op den 13en September hield de nieuwe Maatschappij hare eerste vergadering onder voorzitterschap van J. de Kruyff.
Bij de uitbreiding harer werkzaamheden, ten gevolge van het besluit der Algemeene Vergadering van 1805, nam zij in 1806 den naam aan van Hollandsche Maatschappij van Fraaie Kunsten en Wetenschappen.
Eenige jaren later, in 1818, trad het Letterlievend Genootschap te 's-Gravenhage "Kunstliefde spaart geen vlijt" als nieuwe Afdeeling toe en in 1860, bij het vijftigjarig bestaan, eveneens het Letterkundig Genootschap te Dordrecht "Diversa sed una".
In 1871 bezweek de Haagsche Afdeeling, na reeds eenige jaren een kwijnend bestaan te hebben geleid; de Rotterdamsche werd opgeheven in 1885 om reden dat de leden, met uitzondering van den Voorzitter Van Griethuysen, eenparig van oordeel waren, dat het publiek geen openbare voordrachten meer waardeerde en de Afdeeling dus geen reden van bestaan meer had. (Zie Jaarverslagen 1850 en 1875 en Notulen 9 April en 27 April 1885).
Ook de andere Afdeelingen hadden toen geen schitterend bestaan meer. Volgens het jaarverslag van 1888 bleef in Amsterdam het ledental op dezelfde hoogte; in Dordrecht was het niet achteruit gegaan en in Leiden was het steeds afnemende. Enkele jaren later (1886) werd dan ook voorgesteld de geheele Maatschappij op te heffen. Uit voorstel werd wel is waar verworpen, doch reeds het volgende jaar verbrak de Dordtsche Afdeeling den band, die haar hechtte aan de Maatschappij; terwijl de Leidsche Afdeeling, hoewel nog in het voorjaar van 1888 (4 Maart) met de Amsterdamsche door het indienen van een nieuw wetsontwerp een poging tot nieuwen bloei doende, datzelfde jaar reeds bezweek en na een tijdelijke herleving van eenige jaren, in het laatst van 1895 voor goed te gronde ging. *  Zoo bleef alleen de Afdeeling Amsterdam over, die haar leven nog rekte tot 1901. Den 21sten September van dat jaar evenwel werd de laatste vergadering gehouden en de geheele Maatschappij opgeheven. * 
Het doel der Maatschappij was, den bloei van Fraaie Kunsten en Wetenschappen te bevorderen. De Afdeelingen bleven vrij in de keuze der middelen, waardoor zij dit doel trachtten te bereiken. Die van Rotterdam deed dat o. a. door het houden van lees- en spreekbeurten onder-ling en door het uitnoodigen van sprekers.
De vergaderingen werden gehouden in de Groote Krijgsraadzaal in den Doele (1806), in de zaal boven de oude Stads-Vleeschhal, die in 1817 reeds ongeschikt geoordeeld werd (Notulen 30 December), in de Concertzaal, in het lokaal in de Bierstraat (1837), dat in 1863 ontruimd werd, in de Bovenzaal van den Doele of in het Nutsgebouw in den Oppert. Bestuursvergaderingen hadden dikwijls plaats ten huize van den Secretaris.
Van het archief van het Genootschap "Studium Scientiarum Genitrix" *  , dat aan de Afdeeling Rotterdam had moeten overgaan, is zoo goed als niets meer voorhanden. Het Register der Notulen of "Aenteekenboek" (zie no. 38) ontbreekt met nagenoeg alle ingekomen en minuten van uitgegane stukken. Wat nog bewaard is, bestaat in hoofdzaak uit gedrukte stukken, die grootendeels door latere toevoeging in het Archief zijn gekomen en aan het slot van dezen inventaris beschreven zijn.
Het archief der Afdeeling berustte bij den Secretaris en bleef daar ook na diens aftreden veelal ten deele achter. Daardoor geraakte het al vroeg in een desolaten toestand.
In 1840 reeds berichtte de nieuwbenoemde Secretaris Van Rijckevorsel, dat hij van zijn voorganger, Mr. A. Veder, geen andere stukken had ontvangen dan het boek der notulen (Notulen 29 September). Daarna kwamen nog eenige stukken binnen (Notulen 24 November en 17 December 1840 en 10 Mei 1841). Maar vooral in lateren tijd bleken vele stukken aan het archief te ontbreken, en het is alleen aan de onvermoeide pogingen van den Secretaris Mr. L. G. Greeve te danken, dat nog zooveel weer terecht is gekomen.
Deze ijverige Secretaris werd 2 September 1863 als zoodanig benoemd en 25 September d.a.v. plechtig geïnstalleerd. Dadelijk nadat "de Vergadering hare aandoeningen, door de beschreven plegtigheid opgewekt, weer "meester was", nam de Secretaris de vrijheid te doen, wat een zijner voorgangers in de Vergadering van 29 September 1840 gedaan had, namelijk mee te deelen, dat hij van zijn voorganger in het secretariaat geen andere stukken, tot het archief behoorende, had ontvangen, dan een notulenboek en eenige oude brieven, waarop de afgetreden Secretaris verzekerde, dat hij alles had overgegeven, wat van het archief onder zijn berusting was. Door den Voorzitter en de overige aanwezige bestuurders werd dit geheel "geavoueerd", maar in een der eerstvolgende vergaderingen (20 October) kwam het bestuurslid Dr. de Jager daar tegen op. Daarom werd voorzichtigheidshalve besloten de zinsnede betreffende de volkomen afgifte van alle archiefstukken door den vorigen Secretaris aldus te bekrachtigen: "wat door den volgens zijn beweren volkomen op de hoogte dezer aangelegenheid zijnden Voorzitter Dr. G. A. Schneiter en de overige zich qualificeerende deskundige Bestuurders, volkomen wordt geavoueerd".
Evenwel, de nieuwe Secretaris deed zijn best om het archief te completeeren. Veel medewerking van de zijde der leden vond hij echter daarbij niet In de vergadering van 27 Februari 1865 betuigde hij daarover zijn leedwezen, maar, als gewoonlijk, gingen de leden "omtrent deze jeremiade" over tot de orde van den dag, "den Secretaris alleen reserverende het regt om van een en ander in de Notulen der vergadering melding te maken".
Ook later ondervond Mr. Greeve weer allerlei onaangenaamheden bij zijn loflijk streven om de stukken te bemachtigen, die van het archief nog berustende waren onder de papieren van Mr. A. Bogaers en anderen. (Zie daarover Notulen 2 Februari 1871, punten 4, 5, 6, 8, 9, 10 en 13; Ingekomen Stukken 1 October 1870 - 81 September 1871, en Register van Verzonden Brieven 21 of 22 November, 24 November en 17 December 1870; 25 Januari en 14 Februari 1871).
Met bitterheid antwoordde hij dan ook op een belangstellend verzoek om inzage van archiefstukken (24 Januari 1871), dat de Afdeeling geen archief van eenige waarde bezat, omdat al zijn voorgangers in het bestuur dat hadden, òf gespolieerd òf verwaarloosd".
Hoewel deze uitdrukking door al de leden wat kras werd gevonden, miskenden zij allerminst de groote diensten van den inmiddels afgetreden Secretaris, met zooveel ijver als trouw aan de Maatschappij en de Afdeeling bewezen", en besloten daarom hem een aandenken te vereeren (Notulen 9 Juni 1871).
Jammer alleen, dat zelfs na 1871 het archief nog belangrijke verliezen geleden heeft. Op de lijst der stukken, door Mr. Greeve bij zijn vertrek samengesteld, ontbreekt thans meer dan één nummer, o.a. het Register der Verzonden Brieven van 1819-1820, en nagenoeg alle Ingekomen Stukken van 1863-1870.
Wat aanwezig is, bevindt zich over het algemeen in goeden toestand; alleen de papieren afkomstig uit den boedel van Mr. Bogaers zijn grootendeels door vocht beschadigd.
In 1896 werd het archief door Mr. J. B. Kan, den zoon van den voorlaatsten voorzitter, aan de Gemeente Rotterdam aangeboden en overgebracht naar het Archief der Gemeente.
Het algemeen archief der Maatschappij berust te Amsterdam in de Universiteits-Bibliotheek, waar het door bemiddeling van Mr. Lamberts Hurrelbrink te Leiden in 1902 gedeponeerd werd. *  Het bestaat in hoofdzaak uit collecties brieven van 1819 tot 1900, "weinig belangrijk van inhoud, wel aardig als autografen van Tollens en zijn kring". *  De mogelijkheid bestaat, dat er stukken bij zijn van de afdeelings-archieven; waar deze archieven overigens berusten, is mij onbekend, waarschijnlijk in de plaatsen, waar de Afdeelingen gevestigd waren (Leiden, Dordrecht, Amsterdam), terwijl van de boekerij, die te Leiden bewaard werd, weinig meer bijeen schijnt te zijn. Daar de Algemeene Secretaris dikwijls tevens secretaris van een der afdeelingen was, bestaat er kans, dat in het algemeen archief der Maatschappij zich nog stukken van de Rotterdamsche Afdeeling bevinden, evenals omgekeerd in dit archief enkele bescheiden voorkomen, die wellicht voor dat algemeene archief bestemd zijn geweest.
E. WIERSUM
2. Inventaris
Kenmerken
Datering:
(1806) 1817 - 1885
Omvang:
1.17 meter
Rubrieken:
Trefwoorden:
Categorie:
  • Zonder categorie
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS