Uw zoekacties: Archieven van de Grondheerlijkheid "Charlois en annexe polders"
x12 Archieven van de Grondheerlijkheid "Charlois en annexe polders" ( Stadsarchief Rotterdam )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

12 Archieven van de Grondheerlijkheid "Charlois en annexe polders" ( Stadsarchief Rotterdam )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
Zoektips!

Wildcards kunnen het zoeken vergemakkelijken:

  • Een ? (vraagteken) vervangt een letter
  • Een * (sterretje) vervangt een aantal letters
  • Door een $ (dollarteken) voor een zoekterm te zetten, zoekt u naar woorden die op elkaar lijken.

Meer zoektips vindt u hier.

beacon
 
 
Archiefvorming
Geschiedenis van de archiefvormer
12 Archieven van de Grondheerlijkheid "Charlois en annexe polders"
Archiefvorming
Geschiedenis van de archiefvormer
Titel:
Geschiedenis van de archiefvormer
Organisatie: Stadsarchief Rotterdam
Geschiedenis van de grondheerlijkheid
In het begin van de 15e eeuw was het gebied dat thans in beslag genomen wordt door de Rotterdamse stadswijk en voormalige gemeente Charlois een onbebouwd terrein van slikken, kreken en uitgestrekte watervlakten. Dijken en sluizen ontbraken, en bij gevolg hadden eb en vloed vrije toegang, en zal bewoning hier vrijwel onmogelijk geweest zijn. Deze toestand was waarschijnlijk ontstaan in het jaar 1373 *  , toen een overstromingsramp de bestaande dijken had doorbroken, en de ondergelopen landen hun bewoners verloren hadden. Gedurende bijna een eeuw bleef het latere Charlois verlaten, eerst in 1460 horen wij van plannen tot herbedijking.
Het was Karel de Stoute, later hertog, maar op dit moment nog slechts graaf van Charolais *  , die op 24 april van dat jaar de gronden van het latere Charlois met de bijbehorende jacht- en visrechten- aan een drietal edelen ten geschenke gaf. Karel had een jaar te voren de heerlijkheden Putten en Strijen. *  van zijn vader ontvangen, en daardoor de beschikking gekregen over het bovenbeschreven verdronken land, dat de naam Riederwaard. * 
Bij de bestudering van deze schenking vallen verschillende zaken terstond in het oog. Het opvallendst is wel het feit dat het hier inderdaad een gift -in de moderne zin van het woord- *  en niet een belening betreft. De begunstigden verwerven de volledige eigendom, waarbij van leenverplichtingen niet gesproken wordt.
Uitzonderlijk -d.w.z. voor middeleeuwse verhoudingen, maar volkomen logisch gezien het ontbreken van een band van vazaliteit- is ook de bepaling dat de graaf zich niet alleen de hoge, maar zelfs de lage rechtspraak voorbehoudt. De drie begiftigden, de n.b. tot de hoge adel behoorden-één van hen, de baron van Auxi, was zelfs vliesridder *  -zullen dus in hun nieuwe bezitting geen rechtsmacht hebben.
Het doel van deze gift wordt eveneens duidelijk uiteengezet: Karel schonk dit gebied om het te doen bedijken *  , en om er wederom bewoonbaar land van te maken. Daarom ook ontvingen de drie edelen het recht om in dit nieuwe land zowel een schout of dijkgraaf als ook een college van schepenen aan te stellen "om die scouwinge te doen van den voorseyden nyeuwen bedijckten lande", waarbij dus beklemtoond moet worden dat deze schout en schepenen niet -zoals dit elders gebruikelijk was- de lage rechtspraak verkregen. Dit benoemingsrecht was overigens niet permanent, het zou slechts duren tot het ogenblik dat het betreffende gebied geheel drooggelegd zou zijn.
Tegenover deze rechten stond slechts één enkele verplichting: aan de graaf moest jaarlijks 25 pond betaald worden, welk bedrag men zou halveren vanaf het moment dat de drooggevallen polders tiendplichtig zouden worden.
Blijkbaar hebben de drie begiftigde edelen geen lust gevoeld om in eigen persoon de bedijking en drooglegging te organiseren. Het is dan ook reeds vier dagen later geschied *  dat zij hun zojuist verworven bezitting -met alle daarbij behorende rechten en verplichtingen- van de hand deden. De nieuwe eigenaars waren Mathijs de Buser, IJsbrant uten Hage, en meester Arend van der Wouden, die d.d. 30 april dit transport door graaf Karel deden goedkeuren en bevestigen *  . Korte tijd later schijnen deze heren zich geassocieerd te hebben met een zekere Anthonis Michiels, zoals blijkt uit een oorkonde d.d. 14 augustus 1460 *  , waarbij de vier bovengenoemden-die wij van nu af aan grondheren zullen heten *  -het hun toekomende gebied ter bedijking uitgeven aan de personen die genoemd worden in het boek van hun klerk *  .
Deze uitgifte geschiedde onder tal van bepalingen en voorwaarden. De grondheren wensten ten eerste dat het eenmaal bedijkte land de naam "Charolois" *  zou ontvangen, kennelijk een hommage aan de heer van Putten. Vervolgens behielden zij zich het jacht- en visrecht voor, benevens het collectief beheer van zowel de nog te construeren dijken, als ook van al het slik- en rietland dat buitendijks mocht blijven. De bedijkers -die het gebruiksrecht kregen van het eerlang bedijkte land- namen de verplichting aan om in het nieuwe gebied een kerk voor St. Clemens te bouwen, en bij te dragen voor het onderhoud van kerk en priester. Tot slot zou één zevende deel van het drooggelegde terrein voor de grondheren zijn, en verplichtten de aannemers zich om over de verdere landerijen een betaling te doen van 1 1/2 groot Vlaams per gemet, uit te keren aan de grondheren, bij wie de aanstelling van de dijkgraaf, van schepenen of gezworenen, en van verdere ambtenaren bleef berusten.
De onbekende aannemers hebben het werk voortvarend aangepakt. Op 14 april 1462 nl. kon Karel de Stoute in een oorkonde *  verklaren dat de bovengenoemde grondheren in de Riederwaard een polder "Charloes" bedijkt hadden *  , en dat zij daar een kerk zouden bouwen, ten aanzien waarvan hij voorschreef dat zij priester en kerkgebouw met een jaarlijkse bijdrage onderhouden moesten. Tevens bepaalde Karel dat ook de -op dat moment reeds bestaande- polders Dirk Smeetsland en Meester Arend van der Woudensland bij de parochie van sint Clemens gevoegd moesten worden.
Dit alles maakt duidelijk dat de grondheerlijkheid Charlois iets geheel anders was dan een ambachtsheerlijkheid. Wij kunnen de grondheerlijkheid wellicht het best omschrijven als een collectieve bezitting, gedeeltelijk in gemeenschappelijk beheer van de grondheren, gedeeltelijk tegen betaling aan individuele gebruikers uitgegeven, benevens zekere rechten in dit gehele gebied, van welke het belangrijkste dat van het waterstaatstoezicht was.
Het verwarrende nu van de historische situatie is dat Karel de Stoute d.d. 26 september 1462 naast de grondheerlijkheid een ambachtsheerlijkheid creëerde, die dezelfde naam en aardrijkskundige omvang had. * 
De oorkonde waarbij dit geschiedde *  vermeldt o.a. dat de schout en schepenen door de ambachtsheer aangesteld zullen worden, dat zij de lage rechtspraak zullen hebben, en dat de ambachtsheer keuren maken mag, óók op het gebied van dijkonderhoud. Karel schijnt hierbij van de opvatting te zijn uitgegaan dat, nu het uitgegeven land grotendeels bedijkt was *  , de bepaling van 24 april 1460 over het aanstellen door de grondheren van dijkgraaf en schepenen "om die scouwinge te doen" vervallen kon. Dat de grondheren met deze situatie geen genoegen namen ligt voor de hand; niet zonder grond konden zij volhouden dat, zolang er nog enig onbedijkt terrein in hun bezit was, zij het recht hadden om over het reeds bedijkte land schouw te doen drijven en waterstaatsbepalingen te maken. Het is in de volgende jaren dan ook tot een tweetal processen gekomen *  , waarbij uiteindelijk de grondheren in het gelijk gesteld werden.
De verhouding tussen grondheren en ambachtsheer werd nu de volgende: In Charlois creëerde laatstgenoemde een college van zeven schepenen en een schout, welke schout onder de benaming van dijkgraaf *  . tevens een college van door de grondheren aangestelde hoogheemraden *  voorzat.
Naast het bestuurs- en rechtscollege, benoemd door de ambachtsheer, vindt men dus een waterstaatscollege, benoemd door de grondheren, beiden voorgezeten door één en dezelfde functionaris, welke laatstgenoemde ambtenaar aangesteld werd door de ambachtsheer * 
Onduidelijk is -en ook in de 18e en 19e eeuw had men hieromtrent geen juist begrip- wie nu eigenlijk in theorie het recht had de secretarissen van deze colleges aan te stellen *  . Het was nl. gebruikelijk dat er in Charlois slechts één secretaris gevonden werd, die zowel voor het schepencollege als voor de hoogheemraden de pen voerde, maar er zijn over de vraag bij wie de bevoegdheid berustte om hem te benoemen nogal wat moeilijkheden geweest *  . Deze onduidelijke toestand werd in de hand gewerkt doordat somtijds de grondheren als secretaris van henzelf -een functionaris die tevens het secretarisschap van de uit hun midden gekozen hoogheemraden vervulde-de
Bovengenoemde bestuursverhoudingen en -competenties zijn tot het einde van het ancien régime nimmer ingrijpend veranderd. Opgemerkt dient slechts te worden dat de stad Rotterdam sinds 1622 regelmatig aandelen in de grondheerlijkheid kocht, en op deze wijze meer en meer een eerste viool begon te spelen in de vergadering der grondheren * 
Eerst in 1797 trad een wijziging op: de grondheren verloren hun bevoegdheden in waterstaatszaken, en deze werden overgedragen aan de nu gecreëerde colleges van dijkgraaf en heemraden van de afzonderlijke polders, n.l. Charlois, De Hille, en Robbenoord-Plompert * 
Een dijkgraaf en hoogheemraden schenen nu voor de grondheerlijkheid overbodig, en uit de periode 1798-1803 worden er dan ook geen resoluties van deze functionarissen aangetroffen, hoewel het college niet opgeheven werd *  . Sinds 1804 echter vinden wij opnieuw resoluties van dijkgraaf en hoogheemraden *  die nu -niettegenstaande hun benaming- bij het drijven van schouw en het maken van ordonnanties zich niet met dijkinspectie bezig hielden, maar hun taak beperkten tot het beheer van het collectief grondbezit en de daarop voorkomende gewassen. Het is dan ook juist dat van nu af aan de notulen van hun vergaderingen niet meer in een apart register, maar -in chronologische volgorde- samen met de notulen van de vergadering der grondheren, in één enkel deel geregistreerd werden. In overeenstemming hiermede werd de dijkgraaf voortaan door de vergadering van grondheren aangesteld, en niet door de ambachtsheer; anders dan bij de water -staatskwesties had de ambachtsheer- als uitvloeisel van zijn functie-t.a.v. het beheer van de grondheerlijkheidsgoederen immers nimmer enig recht
Zoals reeds vermeld bezat de gemeente Rotterdam een groot en groeiend aandeel in de grondheerlijkheid, welke zij uiteindelijk -in 1884- geheel in eigendom kreeg. Waarschijnlijk uit consideratie met de bejaarde rentmeester, F. H. van Peski, een aanzienlijk Rotterdammer die het rentmeestersambt sinds 1 mei 1833 bekleed had, werd de aparte administratie der grondheerlijkheid niet afgeschaft. Slechts de respectievelijke colleges van grondheren en van dijkgraaf met hoogheemraden werden opgeheven, de rentmeester bracht voortaan verslag uit aan burgemeester en wethouders. Eerst in 1887, d.d. 6 oktober, korte tijd na het overlijden van Van Peski, werd de aparte grondheerlijkheidsadministratie beëindigd, en met die van de gemeente Rotterdam versmolten.
Bestuurscolleges en werkwijze
Zoals in de voorafgaande bladzijden werd uiteengezet was het hoogste bestuursorgaan van de grondheerlijkheid de vergadering van grondheren *  . Zelf heetten zij zich "Grondheren van de Grondheerlijkheid Charlois en annexe polders". Deze naam was zeer juist gekozen, beter b.v. dan een aanduiding als "Ambacht Charlois" geeft zij de opbouw van dit gebied aan: de polder Charlois als oudste en belangrijkste deel, met daaromheen de jongere polders, die men in de loop van de 15e en 16e eeuw in het concessiegebied opgemalen had. Uit hun midden kozen deze heren jaarlijks een aantal hoogheemraden, en voorts benoemden zij een rentmeester, meestal voor een periode van drie jaar, na afloop waarvan dit mandaat verlengd kon worden. Eveneens voor perioden van drie jaar werd een secretaris aangesteld *  .
Uiteindelijk vinden wij in de polders nog waardsmannen, waarvan valt aan te nemen dat zij eveneens door de grondheren benoemd waren *  . In de loop van de 15e en 16e eeuw nu hebben de grondheren de grondheerlijkheid -voor zover tenminste ingepolderd- door loting waarschijnlijk geheel *  verdeeld, en wel op zodanige wijze dat elke grondheer in elke polder enige landerijen toevielen. Wij mogen aannemen dat iedere grondheer zelf met de ter plaatse woonachtige boeren de betaling heeft geregeld van de hem over dat terrein toekomende 1 1/2 groot Vlaams per gemet, benevens de opbrengst van één zevende deel van dit land; in de rentmeestersrekeningen worden deze bedragen nl. niet aangegeven.
Wat de rentmeester wèl verantwoordde was de opbrengst en uitgaaf voor dijken en gemeenschappelijk beheerde buitendijkse gronden, boeten en vergoedingen, en wat de gezamenlijke grondheerlijkheid voorts toekwam of schuldig was, en het is deze rekening die jaarlijks door de grondheren afgehoord werd. Overigens traden de grondheren ook voor de reeds door het lot verdeelde landerijen nog wel een enkele keer op collectieve wijze op, b.v. als zij van de overheid voor één of meer van deze polders vermindering van zekere lasten begeerden te verkrijgen *  . Zij noemden zich in zo'n geval meestentijds grondheren van die ene bepaalde polder, een terminologische onduidelijkheid die ten onrechte tot de opvatting zou kunnen leiden dat de grondheerlijkheid bestuurd werd door meerdere colleges van grondheren: één voor de gehele grondheerlijkheid, en anderen voor iedere polder apart. In feite is hier sprake van één college van grondheren, behorend bij de totale grondheerlijkheid, maar in dit speciale geval optredend ten behoeve van één bepaalde polder *  .
De taak van de hoogheemraden was, zoals reeds vermeld werd, het schouwen van de dijken en het uitvaardigen van de hierbij behorende keuren, alles in samenwerking met de door de ambachtsheer benoemde dijkgraaf. Hiernaast echter hadden zij tot 1810 nog een andere bevoegdheid waaraan -vreemd genoeg- in bepaalde opzichten iedere rechtsgrond ontbrak, en waarmede zij inbreuk maakten op de rechten van schout en schepenen, nl. een zekere voluntaire jurisdictie, i.c. het opmaken van akten van transport. Aanvankelijk omvatte deze bevoegdheid de transporten van zowel aandelen in de gezamenlijk beheerde grondheerlijkheid, als ook van landerijen in de reeds verdeelde *  polder Karnemelksland *  , maar sinds 1694 moesten de hoogheemraden zich tot de grondheerlijkheidsaandelen beperken.
Eerst in het begin van de 19e eeuw, nl. met ingang van 1 maart 1811, werd hun deze competentie ontnomen *  .
Het bestaan van het college van gecommitteerde grondheren werd reeds hierboven vermeld.
Geschiedenis van het archief
Inhoud en structuur van het archief
Verantwoording
Geschiedenis van de ordening en de beschrijving
Aanwijzingen voor de gebruiker
Opmerkingen openbaarheidsbeperkingen
Bijlagen
Aantekening
Kenmerken
Datering:
1460-1887 (1921)
Beschrijving:
Inventaris van het archief van de grondheerlijkheid "Charlois en annexe polders", 1460-1887 (1921)
Auteur:
Drs. H.R. van Ommeren
Plaats van uitgave:
Rotterdam
Jaar van uitgave:
2006
Overheid of particulier:
Overheid
Geografische namen:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS