Uw zoekacties: Voorst tot Voorst, familie Van, met B.V. Landgoed Den Alerdi...
x0563 Voorst tot Voorst, familie Van, met B.V. Landgoed Den Alerdinck II te Laag Zuthem ( Historisch Centrum Overijssel (HCO) )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

0563 Voorst tot Voorst, familie Van, met B.V. Landgoed Den Alerdinck II te Laag Zuthem ( Historisch Centrum Overijssel (HCO) )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
Zoektips!

Wildcards kunnen het zoeken vergemakkelijken:

  • Een ? (vraagteken) vervangt een letter
  • Een * (sterretje) vervangt een aantal letters
  • Door een $ (dollarteken) voor een zoekterm te zetten, zoekt u naar woorden die op elkaar lijken.

Meer zoektips vindt u hier.

 
 
Historische inleiding
1 Het geslacht Van Voorst tot Voorst
2 Het landgoed "den Alerdinck"
sluiten
0563 Voorst tot Voorst, familie Van, met B.V. Landgoed Den Alerdinck II te Laag Zuthem
Historische inleiding
2 Het landgoed "den Alerdinck"
Den Alerdinck kan bogen op een lange voorgeschiedenis. Al vóór 1427 komt de naam voor in de landsheerlijke schattingsregisters. De naam Alerdinck is terug te voeren tot de familienaam Alerding. De middeleeuwse voornaam Allard/Aelerd kreeg de uitgang "ing", wat betekende "huis van de familie". De eerste bewoners waren waarschijnlijk half- of onvrijen, die het goed in leen hadden van de Hof te Colmschate bij Deventer, dat in eigendom was van de bisschop van Utrecht. In 1520 waren er twee erven Alerdinck. Ergens tussen 1520 en 1600 moet in de directe omgeving van deze twee erven een huis gebouwd zijn, de latere havezate den Alerdinck. Dit huis was in 1601 in het bezit van Goert van Armelo uit Deventer. Met dit huis begint de oudste geschiedenis van het landgoed. Het landgoed kwam via de families van Uterwijck tot Heemse, van Raesfelt en van Echten in 1770 in het bezit van de familie Van Voorst tot Bergentheim. De erven van Derk Frederik baron van Voorst tot Bergentheim verkochten in 1797 het landgoed aan Bernardus Josephus van Sonsbeeck.

Sinds de 12e eeuw liet de adel op het platteland verdedigbare kastelen en havezaten bouwen. Ze beschermden hun huizen in de loop der eeuwen met zware muren, grachten en een ophaalbrug. De kastelen Rechteren bij Dalfsen en het Nijenhuis bij Heino zijn daar goede voorbeelden van en op wat kleinere school ook Den Alerdinck. In de nabijheid werden grote of kleine parken aangelegd, waarvan de vorm door de heersende mode werd bepaald. Omstreeks 1700 begonnen landgoedeigenaren met de aanleg van parkachtige bossen. Tegelijkertijd richtten ze percelen in voor de productie van eikenhakhout, een product waarmee veel geld te verdienen was. De eerste planmatige bebossing in Salland was de aanleg van het Sterrebos bij het landgoed Zandwijk. In de 19e eeuw nam de kennis van de bosbouw toe en waren bossen meer dan voorheen noodzakelijk voor de financiering van het landgoed.
De belastingvoordelen van havezaten verdwenen, veel grond wisselde van eigenaren en de in geldnood verkerende adel verkochten hun bezittingen aan welgestelde burgers. Aanvankelijk was de buitenplaats voor gefortuneerde stedelingen vooral een plek om zich terug te trekken voor rust en vertier. De ruimte en de zuivere lucht van het platteland stonden in schril contrast met de drukte, het vuil en de stank van de stad. De bij een buitenplaats behorende landerijen konden daarnaast bij een goede exploitatie veel geld in het laatje brengen door de inkomsten uit pacht, landbouw, veeteelt en bosbouw. Samen vormden het grote huis, het park, de tuinen, de bossen en de landerijen een landgoed, dat volledig in harmonie was met de omgeving. Toch was voor de eigenaren het maken van winst geen doel op zich. Het ging hen vooral om continuïteit: met de opbrengsten konden ze zowel de buitenplaats als het landgoed in stand houden.

Het landgoed in het bezit van de familie van Sonsbeeck (1797-1875).
Al direct na de aankoop in 1797 zien we dat Bernardus Josephus van Sonsbeeck veel energie steekt in het rendabel maken van het landgoed. Geheel in overeenstemming met de romantische Engelse landschapstijl werd het park en de tuinen rondom het huis nieuw aangelegd. De exploitatie van het landgoed was in de jaren 1798-1825 niet winstgevend. Het gemiddelde verlies in deze periode bedroeg bijna 2500 gulden per jaar. Dit kwam deels omdat van Sonsbeeck in die tijd nog weinig erven en landerijen bezat die geld konden opleveren. De oplossing was uitbreiding van het landgoed voor de aanleg van bossen en landbouwgronden. waardoor het meer rendabel zou kunnen worden. Tussen 1808-1819 kocht van Sonsbeeck voor ruim 60.000 gulden aan erven en landerijen, waaronder Erve Kolk of Solen (1808), het erve de Kolkhof (1811) en erve de Ganzepan (1819). Het landgoed bestond nu uit een nagenoeg aaneengesloten lappendeken van percelen bos, eikenhakhout, weiland, hooiland, bouwland en woeste gronden.
Na deze aankopen was landgoed Den Alerdinck ongeveer vier keer zo groot geworden. Maar daarmee was van Sonsbeeck nog niet uit de kosten. Er was veel tijd en geld nodig om de gronden in cultuur te brengen. Langzaamaan komt het landgoed uit de rode cijfers. De periode tussen 1825 en 1856 kan worden beschouwd als de hoogtijdagen van het landgoed. Jaar na jaar verbeterde van Sonsbeeck zijn bezit. Hij kocht nieuwe landerijen, bracht ze in cultuur en zorgde voor een constante aanvoer van stadsmest. Er waren vier belangrijke bronnen van inkomsten: pachtgelden, bosbouw, gras- en veehouderij (de vetweiderij) en de melkerij. Akkerbouw ontbreekt in dit rijtje. Rogge en haver verbouwde van Sonsbeeck grotendeels voor eigen gebruik. In 1850 werd het landgoed getaxeerd. Het was met alle landerijen ruim 265 bunder (hectare) groot. De totale waarde bedroeg 163.397 gulden. Herman van Sonsbeeck erfde in 1858 het landgoed. Hij beheerde het op dezelfde wijze als zijn vader voorheen tot zijn overlijden in 1865. De veiling van het landgoed vond plaats in 1868. Het landgoed viel in twee delen uiteen. De rentenierende Zwollenaar ir. C.W. baron van Dedem werd de nieuwe eigenaar van het "kapitale heerenhuis", de havezate met het landschapspark. De niet verkochte erven, weilanden, hooilanden en percelen eikenhakhout bleven in het bezit van de familie van Sonsbeeck. Dit verreweg het grootste gedeelte in oppervlakte werd het Landgoed Den Alerdinck II, dat in beheer kwam van de advocaat en rechter Bernard van Sonsbeeck. Veel van de tot dan toe gebruikelijke activiteiten op het landgoed kwamen stil te liggen. De vetweiderij werd beëindigd, van de bosbouw bleef niet veel meer over en aan de productie van eikenhakhout kwam grotendeels een eind. Bernard van Sonsbeeck overleed in 1875. Zijn dochter Pauline huwde in datzelfde jaar met Joan Marie baron van Voorst tot Voorst, die het beheer van het landgoed op zich nam.

Het landgoed in het bezit van de familie van Voorst tot Voorst sinds 1875.
De 64 jaren dat Joan Marie het landgoed beheerde zijn te kenmerken als een tijd van stilstand en niet van verandering. De omvang van het landgoed veranderde ook niet. De belangrijkste inkomstenbronnen waren de pacht van boerderijen en landbouwgronden, de verkoop van gras, de opbrengsten uit de inscharing van vee en de kleinschalige verkoop van hout. Joan Marie werd als beheerder in 1939 opgevolgd door zijn jongste zoon Godfried. Bij de verdeling van de erfenis wilde de oudste zoon Alexander Eppo liever aandelen en obligaties dan grond. Voor de inkomsten uit het landgoed was Godfried nog steeds afhankelijk van de pacht, de verkoop van gras, de inscharing van vee en de verkoop van hakhout. Dat was lang niet genoeg. Het landgoed kostte veel meer geld dan het opbracht. Duidelijk is wel dat Godfried meer betrokken was bij het wel en wee van het landgoed dan zijn vader. Regelmatig bezocht hij het landgoed en hij hield voortdurend contact met de jachtopziener en de werkbaas. Ook spande hij zich in om de bossen weer in goede staat te brengen. Maar de tijd was er inmiddels rijp voor om het beheer op een modernere leest te schoeien.

Dat was voorbehouden aan zijn drie kinderen Beatrix, Roderic en Seger, die - na het overlijden van Godfried in 1967 - het landgoedbeheer overdroegen aan rentmeester L.C. Roekx uit Barendrecht. De eerste belangrijke stap die de nieuwe eigenaren zetten was de openstelling van het landgoed voor het publiek. In 1970 werd Den Alerdinck II aangemerkt als een landgoed in het kader van de Natuurschoonwet 1928. Hierdoor kwamen nieuwe fiscale faciliteiten van de overheid beschikbaar. Gedurende de jaren 1968-1979 stegen de inkomsten en de uitgaven sterk door een combinatie van inflatie en herwaardering van prijzen. De traditionele inkomstenbronnen brachten meer op. In de jaren dat Roekx het beheer voerde werden negen jaren met winst en twee jaren met verlies afgesloten.
Pas in 1979 werd de boedel van Godfried verdeeld onder zijn drie kinderen. Deze boedelscheiding betekende de tweede deling in de geschiedenis van Den Alerdinck. Roderic verwierf het grootste gedeelte van het landgoed, namelijk 106 hectare grond en vijf pachtboerderijen. De pachtboerderijen waren: Ganzepan Hoeve, Kiek in de Hagen, Kolkhof Hoeve, Colckhof 10 (later genaamd Godfried's Hoeve) en de Eileuver Hoeve. De kinderen van de in 1974 overleden Beatrix erfden de gronden van hun grootmoeder Smits van Oyen nabij Drimmelen. De jongste zoon Seger kreeg de resterende 54 hectare weidegrond en twee pachtboerderijen, te weten het Bouwhuis en de Pinkenhagen. Dit grondbezit kreeg de verzamelnaam "het Bouwhuis". In het beheer veranderde er niets. Rentmeester Roekx zette zijn werkzaamheden voort. Roderic betrok vanaf het begin zijn beide zonen Godfried en Seger bij het beheer van het landgoed. Hij leerde ze het vak van landgoedbeheerder vanuit de praktijk. In de jaren na 1979 ging het landgoed stevig op de schop. De vijf boerderijen werden grondig gerenoveerd en de lanen en de bossen gesaneerd door kappen, snoeien en nieuwe aanplantingen. Ook op het gebied van de landbouw ging men voortvarend te werk. De pacht van de landbouwgronden werd beëindigd en men ging zelf landbouw bedrijven door op grote schaal mais te verbouwen. Daarnaast werd gestart met de verkoop van kerstbomen.

In 1987 stond Roderic baron van Voorst tot Voorst, wat Den Alerdinck II betreft, het water tot aan de lippen. Na de gunstige jaren zestig en zeventig waren de resultaten geleidelijk in de rode cijfers beland. De inkomsten waren min of meer gelijk gebleven, maar de uitgaven stonden niet meer in verhouding tot de pachtprijzen. Hij besloot om het landgoed in een Besloten Vennootschap onder te brengen, zodat het landgoed niet verder versnipperd kon worden en eventuele negatieve resultaten het familievermogen niet konden aantasten. Op 23 maart 1987 werd de "BV. Landgoed Den Alerdinck II" opgericht.
Na het overlijden van hun vader in 1988 namen de broers Godfried (1957) en Seger (1961) het beheer van het landgoed in handen. Er werden externe plaatsvervangende directeuren benoemd om een verkokerde kijk op het beheer te voorkomen. Continuïteit was het nieuwe sleutelwoord geworden. Het woord heeft een tweeledige betekenis: continuïteit in de zorg voor de natuur en cultuurhistorische waarde én continuïteit in het zorgen voor een sluitende begroting, zodat het onderhoud van het landgoed financieel gezien mogelijk blijft. Eén van de grootste uitdagingen was de relatie met de overheid, die in de jaren 1981-2010 met een groot landinrichtingsproject (Salland West) aan de slag wilde met de herinrichting van het landelijke gebied tussen Zwolle, Wijhe en Heino. Doel was een landschap te maken met een goed op elkaar afgestemd evenwicht tussen natuur, landbouw, waterbeheer, verkeer, toerisme en recreatie. Er ontstond een jarenlange bestuurlijke en juridische strijd.

Net als hun vader en grootvader bleven de broers zoeken naar mogelijkheden om het rendement te vergroten. Tot 1997 deden ze dat door de introductie van nieuwe producten als maïs en kerstbomen, door grond pachtvrij te maken voor landbouw in eigen beheer en door sanering en aanplant van productiebossen. Maar de resultaten bleven uiteindelijk teleurstellend, het landgoed leed jaarlijks verlies.

De plannen en ideeën uit het Masterplan (1998) en het rapport Visie Landgoed Den Alerdinck II (1998) zouden de jaren daarna de richtsnoer zijn voor de verdere ontwikkelingen van het landgoed. Het is in veel opzichten te zien als een cultuuromslag: van intensieve landbouw naar extensieve landbouw, van een voor natuur en milieu tamelijk neutraal beleid naar een beleid dat deze waarden nadrukkelijk in het vaandel draagt. In zekere zin is het een terugkeer naar de tijden vóór 1868, maar dan wel op moderne leest geschoeid.
De waardering van de overheid voor landgoederen groeide. In het rapport "Handelingskader Rood voor Groen" van Gedeputeerde Staten van Overijssel is dat als volgt geformuleerd: "In Overijssel komen zeer veel landgoederen voor. Ze behoren tot de kroonjuwelen van de provincie." In het Streekplan 2000+ erkende de provincie dat landgoederen een multifunctioneel karakter hebben: ze combineren functies als landbouw, bosbouw, cultuurhistorie, natuurbeheer, bewoning en recreatie. Het pilotproject "Rood voor Groen" startte in 2005. De overheid gaf toestemming om een beperkt aantal woningen (rood) te bouwen in ruil voor een behoorlijk areaal nieuwe natuur (groen). De provincie kon op haar beurt de Ecologische Hoofdstructuur realiseren.

De aanpassingen voor de Ecologische Hoofdstructuur zijn in 2014 uitgevoerd. Na de ruilverkavelingen van Salland-West was dit de tweede grote herindeling van het landgoed. In totaal werd 26 hectare nieuwe natuur gerealiseerd en werd 2.800 m2 oude stallen en schuren afgebroken. Het gehele landgoed is tegenwoordig 120 hectare groot, waarvan 44 hectare in gebruik is als landbouwgrond en 76 hectare als bos en natuur. De bossen bestaan uit eikenhakhout (30 hectare), eikenbossen (10 hectare) en naaldhout (5 hectare). Er is 6 hectare nieuw bos aangeplant langs de N35. Daarnaast is er 20 hectare nieuwe natuur aangelegd, in het noordelijk en zuidelijk deel van het landgoed. Het gaat hier om twee waterbergingen, een grote waterplas en een fauna- en kruidenrijk grasland. Uit oogpunt van duurzaamheid blijft de landbouw belangrijk. De exploitatie in eigen beheer is echter gestopt. Alle landbouwgronden zijn weer verpacht. Erfpacht vormt een vervangende bron van inkomsten. Uit financieel oogpunt is de continuïteit van het landgoed nu beter beschermd.
3 Het familie- en bedrijfsarchief
Inventaris
Kenmerken
Datering:
(1544) 1706 - 2006
Omvang archiefblok:
11 m
Toegang:
Seekles, J.J., Inventaris op de archieven van de familie Van Voorst tot Voorst, met daarin opgenomen het archief van de B.V. Landgoed Den Alerdinck II te Laag Zuthem, (1544) 1706 - 2006, Zwolle (2016).
Openbaarheid:
Stukken jonger dan 40 jaar en betreffende nog levende personen zijn alleen ter inzage met schriftelijke toestemming van de eigenaar.
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS