Uw zoekacties: Sloet van Oldruitenborgh (Sloet III), familie
x0245 Sloet van Oldruitenborgh (Sloet III), familie ( Historisch Centrum Overijssel (HCO) )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

0245 Sloet van Oldruitenborgh (Sloet III), familie ( Historisch Centrum Overijssel (HCO) )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
De in deze inventaris beschreven stukken hebben betrekking op een complex van goederen - in de 17de - 19de eeuw op grondrenten uit die goederen -, dat eer-tijds was gelegen in het drostambt Vollenhove en het daaraan aangrenzende (hoog-)schoutambt Hasselt, voornamelijk te Barsbeek en aan weerszijden van het Meppelerdiep onder de tegenwoordige gemeenten Brederwiede en Zwartsluis.
De meeste van deze goederen werden in 1549 aangekocht door Goossen van Raesfelt tot Twickel, drost van Twente (1510-c. 1580), van het bij Osnabrück gelegen Praemonstratenser klooster Clarholz *  .
Dit klooster ontleende zijn rechten op goederen in Overijssel aan een schenking, die Rudolf van Steinfurt in 1133 had gedaan aan de kerk te Lette bij Rheda ten behoeve van een nog te stichten klooster. Blijkens een acate die van deze schenking werd opgemaakt schonk Rudolf van Steifurt "quicquid hereditas libere habui in Fullenho, videlicet XXII portiones quas warscaph vocant" *  . Van deze 22 "portiones", een woord dat met "waren"of "rechten op grond" vertaald kan worden, lag er tenminste één in de Leeuwte, terwijl de andere goederen waarschijnlijk vooral in Friesland gezocht moesten worden. In 1231 wordt het goederenbezit van het klooster in deze streken aangeduid als "in Wllenho mansos tres", te Vollenhove drie "hoeven" *  , en het is dit bezit dat ten grondslag moet hebben gelegen aan datgene dat het klooster in de 15de en 16de eeuw in en bij het Land van Vollenhove rijk blijkt te zijn en dat in 1549 wordt aangekocht door Goossen van Raesfelt.
Omstreeks 1540 omvatte het bezit van het klooster Clarholz een twintig verschillende goederen, die sterk verschilden in omvang en opbrengt. Naast vijf grote "hoeven" (Smeding in de Leeuwte; Appelhof, Hulsbus en Ten Steen te Barsbeek en Stiene Wernerserve bij Zwartsluis in het toenmalige schoutambt Wanneperveen) stonden twee minder grote (4mud land uit Hulsbus en Ten Steen te Barsbeek; 5 morgen land in de Kranenweerd bij Zwartsluis onder het schoutambt Hasselt) en 11 kleine goederen. Goossen van Raesfelt breidde dit bezit omstreeks 1550 nog uit door aankoop van enkele landerijen in de schoutambten Steenwijk en IJsselham *  .
Vóór 1549 werden alle bezittingen van het klooster door derden in pacht gehouden, meestal in zeer langdurige of eeuwige erfpacht. Betaald werd de pacht in de 15de en 16de eeuw voor het overgrote deel in boter. Omstreeks 1540 was de pachtopbrengst naast een klein bedrag in geld 1764 pond boter, waarvan drievierde deel werd opgebracht door de vijf grote goederen.
Voor het innen van de pacht reisde er ieder jaar een gemachtigde van het klooster naar Overijssel. Op St. Vitusdag (15 juni) placht deze het aan het klooster toekomende te Hasselt of Zwartsluis in ontvangst te nemen. Dat verklaart waarom de boterpachten in de 17de en 18de eeuw ook wel als "Viti-boter"worden aangeduid. De gemachtigde had, eenmaal in Overijssel aanwezig zijnde, tevens tot taak de verschillende problemen op te lossen, die zich met betreking tot de kloostergoederen voordeden. Want een vaste zaakgelastigde had het klooster in Overijssel niet.
Problemen die om oplossing vroegen deden zich gewoonlijk voor ten aanzien van pachters die hun pachten niet betaalden of hun verplichtingen ten opzichte van het klooster ontkenden. Ook moest er steeds gezorgd worden voor het in goede staat houden van de stukken dijk voor het onderhoud waarvan het klooster als grondbezitter in deze streken verantwoordelijk was. Want de kloostergoederen lagen dicht bij de Zuiderzee en de Overijsselse zeekust en de dijken daar hadden veel last van door noordwesterstormen opgestuwd zeewater. De kosten van onderhoud en herstel van de voor zijn rekening komende dijkpercelen vormden voor het klooster een zware last. Het waren de zware dijklasten in combinatie met de problemen met het handhaven van zijn rechten die het klooster in 1549 brachten tot de verkoop aan Goossen van Raesfelt.
Ook Van Raesfelt had moeite met het handhaven van de van het klooster overgenomen rechten. Zijn erfgenamen kregen daarnaast te maken met de gevolgen van oorlog en verarming. Dat leidde er toe dat er omstreeks 1620 alleen nog "pacht" werd ontvangen uit de goederen Smeding in de Leeuwte en uit Hulsbus, Ten Steen en een kleiner goed te Barsbeek. De inkomsten uit deze goederen bedroegen toen in totaal 794 pond boter en ruim 1 gulden aan klinkende munt. "Pacht" is hier gesteld tussen aanhalingstekens, want in feite was het recht op pacht intussen gedegenereerd tot een recht op grond rente terwijl de voormalige pachters waren geëvolueerd tot eingenaren.
In 1620 waren deze grondrenten in handen van Johan van Raesfelt tot Twickel, drost van Vollenhove (†1648), en zijn broer Adolf Wennemar (†1627), achterkleinzonen van Goossen van Raesfelt voornoemd. Johans zoon Hendrik van Raesfelt tot Schuilenburg en de Eze (†1678) liet de renten na aan zijn dochter Agnes Sophia (†1705), die in 1684 huwde met Johan Zeger van Rechteren tot Rechteren (†1701). Dientengevolge kwamen de renten in handen van de bezitters van het kasteel Rechteren totdat zij in 1824 uit de onverdeelde boedel van Frederik Lodewijk Christiaan graaf van Rechteren-Limpurg (1748 - 1814) werden toegedeeld *  aan diens dochter Florentina Carolina Elisabeth (1797 - 1859), die in 1822 was getrouwd met mr. Joan Philip baron Sloet tot Tweenyenhuizen (1794 - 1874).
Bij gelegenheid van de verkoop in 1549 had het klooster Clarholz kennelijk alle archiefstukken betreffende zijn bezittingen in Overijssel, waarover het kon beschikken, overgedragen aan Goossen van Raesfelt. Met latere bescheiden van Goossen en zijn nakomelingen kwamen deze stukken het recht volgend in het archief van de bezitters van het kasteel Rechteren. Tenminste één stuk, de schenkingsacte van 1133 bleef echter achter in het Twickel-archief, waarin het omstreeks 1780 werd geraadpleegd door de bekende historicus J.W. Racer. Omstreeks 1800 was deze acte echter zoek en gold als verloren totdat hij in 1955 werd teruggevonden in het huisarchief Ruurlo, dat thans wordt bewaard in het Rijksarchief in Gelderland *  . Daar wordt dit charter ook thans nog bewaard.
Tot na 1822 maakten de in deze inventaris beschreven stukken zoals zich uit het voorgaande laat begrijpen - deel uit van het huisarchief Rechteren. Nadien zijn zij ongetwijfeld via voornoemde F.C.E. baronesse Sloet geboren gravin van Rechteren in het bezit gekomen van haar kleinzoon Anthony baron Sloet van Oldruitenborgh (1851 - 1935), die deze stukken in 1885 schonk aan de Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis (VORG). De VORG gaf de stukken vervolgens in 1954 in bruikleen aan het Rijksarchief in Overijssel * 
Het hier beschrevene is dus na 1822 gelicht uit het huisarchief Rechteren. Niet alle stukken betreffende de boterrenten zijn toen echter overgedragen. De ongeordende toestand, waarin dat archief destijds verkeerde, moet er oorzaak van zijn geweest dat in het huisarchief Rechteren een belangrijk aantal stukken betreffende de renten (eerder goederen) is achtergebleven * 
In het zelfde jaar 1885 waarin A. baron Sloet van Oldruitenborgh de hier beschreven stukken aan de VORG schonk, gaf hij aan het Algemeen Rijksarchief de overige onder hem berustende familiepapieren in bruikleen. In dit familiearchief Sloet van Oldruitenborgh, dat in 1950 naar het Rijksarchief in Overijssel is overgebracht *  , waren enige stukken betreffende de boterrenten achtergebleven, die thans bij het VORG -bestand zijn geplaatst en in deze inventaris opgenomen *  .
De aan de VORG geschonken stukken waren al eerder beschreven door A. baron van Dedem *  , maar het ondoorzichtige karakter van vele van diens beschrijvingen, de omstandigheid dat soms zeer ongelijksoortige stukken onder één beschrijving gebracht waren en daarnaast de te zeer uitsluitend chronologische ordening van de beschrijvingen maakten herinventarisatie gewenst. Bij deze herinventarisatie is er ten aanzien van de beschrijvingen naar gestreefd het karakter van de stukken meer tot hun recht te laten komen en stukken die dat verdienden van een afzonderlijke beschrijving te voorzien, terwijl bij de ordening is getracht gelijksoortige stukken en stukken betreffende eenzelfde goed bij elkaar te plaatsen en tevens rekening te houden met de ligging van de betrokken goederen. De herinventarisatie maakte het bovendien mogelijk enkele stukken uit het VORG-bestand, die aan Van Dedems aandacht ontsnapt waren, alsnog op te nemen *  . Onder bijlage I is een concordans tussen beide inventarissen opgenomen.
Het oudste van de hier beschreven originele stukken dateert van het jaar 1379 *  , het jongste van 1822 *  De oudste in afschrift aanwezige stukken zijn van 1133, 1134 en 1331 *  . In het huisarchief Rechteren zijn originelen uit de jaren 1331, 1363, 1387, 1390, 1395, en 1397 bewaard *  .
Inhoudelijk zijn de hier beschreven stukken interessant voor het inzicht dat zij verschaffen in zeer verschillende zaken: de moeilijkheden, die een ver van Overijssel gelegen klooster in de 15de en 16de eeuw kon hebben met het beheer van zijn in deze provincie gelegen bezittingen; de problemen die het Land van Vollenhove had met de beveiliging van zijn zeekust; de gevolgen voor dit gebied van de Gelderse oorlogen en de eerste jaren van de Tachtigjarige Oorlog; het verschijnsel van de eigendomsverschuiving bij onroerend goed van de eigenaar van het land naar de langdurig pachtende pachter; de versnippering van het bezit van aanvankelijk grote complexen onoerend goed; de geldhuishouding in de 15de en 16de eeuw; de wegverbindingen van Munster naar Hasselt in diezelfde eeuwen; het funcioneren van de rechtspraak in Overijssel vóór de Opstand, in het bijzondaer die van de Hoge Bank en van de Klaring. In het algemeen bevatten de lokale geschiedenis van het Land van Vollenhove en van het daaraan grenzende (hoog-) schoutambt Hasselt.
E.D. Eijken, 1983
Inventaris
Kenmerken
Omvang archiefblok:
0,60 m
Toegang:
Eijken, E.D., Inventaris van stukken uit het familie-archief Sloet van Oldruitenborgh betreffende de goederen van het klooster Clarholz (na 1550: van de familie Van Raesfelt) in Noord-West Overijssel (1983).
Bijzonderheden:
Betreft stukken betreffende goederen van het klooster Clarhiolz, later van de familie Van Raesfelt in Noord-est-Overijssel.
Openbaarheid:
Het archief is openbaar.
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS