Uw zoekacties: Inventaris van het archief van prof. mr. B.D.H. Tellegen [le...
 
 
Beschrijving van het archief
merendeel 1838-1939
1797-1939
Naam archiefblok:
Collectie 192 Tellegen
Tellegen, B.D.H.
Archiefbloknummer:
C22286
Omvang:
1.1 meter; 183 inventarisnummers
Taal van het archiefmateriaal:
Het merendeel der stukken is in het Nederlands
Soort archiefmateriaal:
Normale geschreven en gedrukte stukken, geen bijzondere handschriften.
Archiefbewaarplaats:
Nationaal Archief, Den Haag
Archiefvormers:
mr. Bernardus Dominicus Hubertus Tellegen (1823-1885)
Samenvatting van de inhoud van het archief:
Mr. Bernardus Dominicus Hubertus Tellegen (1823-1885) was o.a. advocaat en hoogleraar te Groningen in het staats- en volkenrecht, de staatshuishoudkunde en de statistieken. In de loop der jaren verschenen veel artikelen, brochures en enkele boeken van zijn hand. Ook was hij lid van Provinciale Staten van Groningen en lid van de staatscommissie tot herziening der Grondwet. Het archief bevat correspondentie, stukken betreffende zijn diverse functies en stukken afkomstig van overige familieleden.
Archiefvorming
Geschiedenis van de archiefvormer
sluiten
2.21.026.09 Inventaris van het archief van prof. mr. B.D.H. Tellegen [levensjaren 1823-1885], (1797) 1838-1885 (1891); A.O.M. Tellegen, 1881-1939
Archiefvorming
Geschiedenis van de archiefvormer
Organisatie: Nationaal Archief
Bernardus Dominicus Hubertus Tellegen werd op 26 augustus 1823 te Groningen geboren als zoon van dr. Antonius Otto Hermannus Tellegen en Vrouwe Cornelia Johanna Cremers.
De vader had te Groningen, waar hij zich na zijn studie gevestigd had, een zeer uitgebreide geneeskundige praktijk en stond bij zijn medeburgers in hoog aanzien.
Bernardus was nauwelijks zeven jaar toen zijn vader stierf. Vóór de akademische studies genoot hij zijn opleiding aan de toenmalige Latijnse school te Groningen. Hij had grote belangstelling voor klassieke werken en zijn geliefkoosde schrijvers waren Goethe en Shakespeare. Bij het verlaten van de Latijnse school hield hij een oratie over Tiberius Gracchus en zijn liefde voor de klassieken bleek wel daaruit, dat hij alvorens de rechtenstudie aan te vangen aan de Hogeschool te Groningen, eerst het kandidaatsexamen in de letteren behaalde.
Op de Hogeschool deed hij zich kennen als een ijverig student die naast zijn studie ook veel deed in de studentenvereniging. Nadat hij het doctoraal examen in de rechten had afgelegd, viel hem het voorrecht te beurt om nog een jaar aan een andere akademie te kunnen doorbrengen. Op advies van zijn leermeester Star Numan koos hij Utrecht en daar verrijkte hij, in het akademiejaar 1846-1847, zijn kennis met hetgeen hij door een trouw bezoek aan de colleges van Ackersdijck, Holtius, Opzoomer en Vreede te horen en te verwerken kreeg. Tegelijkertijd hield hij zich bezig met de samenstelling van zijn proefschrift en op 26 juni 1847 verwierf hij met de hoogste lof de doctorale graad in de rechten aan de universiteit van Groningen. Zijn DISPUTATIO JURIS GENTIUM INAUGURALIS DE JURE IN MARE IMPRIMIS PROXIMUM werd ook in het buitenland gewaardeerd.
In 1847 vestigde hij zich als advocaat te Groningen en oefende als zodanig van 1847 tot 1856, en van 1856 tot aan zijn benoeming tot hoogleraar, als procureur, de rechtspraktijk met uitnemend gevolg uit. De advocaat die hij als procureur bijstond, kon niet alleen zeker zijn van de nauwkeurige inachtneming der vormen van rechtspleging, maar had ook menigmaal aan zijn vertrouwdheid met rechtsbronnen en literatuur belangrijke elementen en argumenten voor de zaak zelf te danken.
In 1852 werd hij tot Secretaris van de Kamer van Koophandel en Fabrieken van Groningen benoemd. Bij de voorlichting, die hij uit hoofde van zijn kennis van wetgeving, volkshuishoudkunde en financiën kon verstrekken, werd hij door die betrekking beter in staat gesteld om de op dat gebied heersende meningen of wettelijke bepalingen van het handelsverkeer te toetsen.
Op 4 juni 1855 trad hij in het huwelijk met jonkvrouwe Johanna Sippina Balduina Adriana baronesse van Ittersum. Uit dit huwelijk werden drie zoons en twee dochters geboren.
Als opvolger van Otto van Rees werd hij op 20 december 1860 benoemd tot hoogleraar te Groningen. Hij gaf colleges in het staats- en volkenrecht, de staatshuishoudkunde en de statistiek (na 1877 in het staats-, administratief en volkenrecht). In zijn inwijdingsrede wees hij op het verband dat er bestaat tussen beide wetenschappen. In de loop der jaren verschenen veel artikelen, brochures en enkele boeken van zijn hand, waarvan in het bijzonder genoemd mag worden: "Beginselen der Volkshuishoudkunde" dat in 1853 het licht zag.
Bij Koninklijk Besluit van 10 september 1877, no. 1, werd hij benoemd tot hoogleraar te Leiden, maar zijn gehechtheid aan Groningen en de Hogeschool aldaar deed hem de Koning verzoeken deze benoeming ongedaan te maken, wat enige weken later ook geschiedde.
De rede welke door hem werd uitgesproken bij de overdracht van het rectoraat in oktober 1870 handelde over Duitsland en Nederland. Hij gaf een beschouwing over het gevaar dat voor Nederland steeds groter werd na de overwinning van Duitsland op Frankrijk.
Een andere gelegenheid om in nog ruimere kring praktisch werkzaam te zijn vond hij in zijn benoeming tot lid der Provinciale Staten van Groningen in 1862. Nadat hij eenmaal zitting in de Provinciale Staten had gekregen, werd hij geregeld herkozen tot hij zich in 1880 om gezondheidsredenen niet herkiesbaar stelde. Hij bevorderde het zelfbestuur van de provincie, gemeente en waterschap, de controle van het financieel beleid van de Gedeputeerde Staten en de verbetering van de administratieve rechtspraak.
Zijn politieke vrienden zagen in hem de aangewezen leider der Liberale partij in Groningen, doch het lidmaatschap van de Tweede Kamer meende hij evenmin te mogen aanvaarden als een ministeriële portefeuille, die hem meer dan eens werd aangeboden.
Ten slotte werd hem in 1883 het lidmaatschap van de staatscommissie tot herziening der Grondwet opgedragen. De gelegenheid om aan de verbetering van de staatsinstellingen te mogen werken, welke het lidmaatschap der commissie hem aanbood, mocht hij allerminst laten voorbijgaan.
Mr. Tellegen heeft nooit een sterke gezondheid gehad en nadat hij in 1875 door een ernstige ziekte werd getroffen, moest hij zich aan verschillende bemoeiingen onttrekken. Zijn colleges werden gedurende zijn ziekte door de bereidwilligheid van zijn ambtgenoten Cort van der Linden, Drucker en Domela Nieuwenhuis waargenomen.
Op 10 februari 1885 stierf mr. Tellegen.
Geschiedenis van het archiefbeheer
Inhoud en structuur van het archief
2.21
Inhoud
Verantwoording van de bewerking
Aanwijzingen voor de gebruiker
Openbaarheidsbeperkingen
Beperkingen aan het gebruik
Materiële beperkingen
Aanvraaginstructie
Citeerinstructie
Verwant materiaal
Beschikbaarheid van kopieën
Beschrijving van de series en archiefbestanddelen
Kenmerken
Datering:
1797-1939
Ontstaan:
Deze digitale toegang is in 2008 vervaardigd door het Nationaal Archief op basis van de richtlijn Het gebruik van Encoded Archival Description op het Nationaal Archief versie 1.7.2 . Eindredactie: Jaap van Rijswijck, 12 januari 2009 .
Publicatie:
Nationaal Archief, Den Haag (c) 1969
Richtlijnen:
Deze toegang is vervaardigd met inachtneming van de volgende richtlijnen: S. Muller Fz., J.A. Feith en R. Fruin Th.Az., Handleiding voor het ordenen en beschrijven van archieven, ontworpen in opdracht van de Vereeniging van Archivarissen in Nederland, 2e druk, Erven B. van der Kamp, Groningen 1920 ; J.L. van der Gouw e.a., Nederlandse Archiefterminologie, Tjeenk Willink, Zwolle 1962 .
Taal:
This finding aid is written in Dutch .
Auteur:
H.A. Telgt
Categorie:
  • Zonder categorie
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS