Uw zoekacties: gereformeerd burgerweeshuis
x725 gereformeerd burgerweeshuis ( Het Utrechts Archief )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

725 gereformeerd burgerweeshuis ( Het Utrechts Archief )
Zoek in deze archieftoegang
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
In zijn inleiding tot de beschrijving van het archief van regenten van het Gereformeerd Burgerweeshuis maakt mr. S. Muller Fz. de opmerking, dat bij het contract van 14 juli 1893 het eigenlijke weeshuisarchief bij genoemde bestuurders in beheer en bewaring is gebleven. *  Slechts de archieven van het in 1491 door Evert Zoudenbalch ge fungeerde St. Elisabethsgasthuis, waaruit het weeshuis gegroeid is, van het vermogende Regulierenklooster, waarvan de goederen in 1584 aan het overigens kleine bezit van het weeshuis werden toegevoegd en van de Bank van Lening *  , tot het houden waarvan het weeshuis in 1719 door het stadsbestuur werd gemachtigd, waren in de overdracht begrepen.
De onderhavige inventaris is die van het bovenbedoelde weeshuis-archief. De akte van bruikleengeving werd in april 1926 gepasseerd (inv.nr. 13). Aan de overdracht waren o.m. de volgende voorwaarden verbonden:
a. het archief van het weeshuis mag nimmer met het archief van de stad Utrecht worden verenigd (art. 2)
b. huismeesters, regenten en secretaris-rentmeester kunnen te allen tijde, wanneer het Gemeentearchief voor het publiek toegankelijk is, inzage vorderen van alle stukken van het weeshuis-archief (art. 3)
c. de gemeente-archivaris is verplicht elk door huismeesters en regenten gevraagd onderzoek in het archief van het weeshuis te doen instellen en hun van de resultaten daarvan mededeling te doen (art. 4) en
d. de gemeente-archivaris is gerechtigd het publiek inzage in het weeshuis-archief te verschaffen. Hij behoeft echter een bijzondere vergunning van huismeesters en regenten daartoe, indien het archivalia betreft, die op het tijdstip van de aanvraag mind er dan 25 jaar oud zijn (art. 5)
Veertig jaar nadat de latere gemeentearchivaris van Rotterdam mr. H.C. Hazewinkel, van 1925-1929 chartermeester bij het Gemeentearchief *  , gereed kwam met de eerste beschrijving van het omvangrijke archief van het Weeshuis, wordt het plan gerealiseerd de inventaris in druk te doen verschijnen.
Uiteraard is in de tussen liggende jaren nogal wat aan het archief gewerkt. Het archief na 1926 en verschillende in dat jaar achtergebleven stukken moesten worden beschreven en toegevoegd. De hieraan verbonden werkzaamheden zij met grote toewijding verricht door de heer G. Brinkhuis, hoofdcommies bij het Gemeentearchief. *  Door ondergetekende werd de laatste hand aan de beschrijving en definitieve nummering van de stukken gelegd. In deze periode werd duidelijk, dat gelijktijdig een vrij ingrijpende en een groot aantal stukken omvattende restauratie geboden was. Toen het College van Regenten - mede hiervan overtuigd - tot het verlenen van hun hulp bereid was, kon direct met het herstel van vooral de zeer oude stukken worden begonnen. Het werk was binnen 2 jaar voltooid. * 
Het stemt tot grote voldoening, dat thans het resultaat van veler gestage arbeid onder de ogen van een groot aantal belangstellenden zal komen en de gelegenheid bestaat tot het historisch onderzoek, waarvoor de rijke inhoud van het archief talloze gegevens bevat.
Tot beter begrip van deze archief-inventaris werd een historische schets geschreven, waarin met name: 1. het bestuur en de inrichting, 2. het financieel beheer, 3. de verpleging van de weeskinderen, 4. de huishouding van het weeshuis en 5. het gebruik van de Weeskerk nader worden toegelicht. Uiteraard is hiervoor - naast het archief zelf - gebruik gemaakt van bestaande literatuur. Het in 1954 door prof. mr. A.J.M. Kunst verdedigde proefschrift Van Sint Elisabeths-gasthuis tot Gereformeerd Burgerweeshuis (1485-1814) heeft zeer goede diensten bewezen. * 
Van Sinte Poncyaens-avond (13 januari) 1491 dateert de fundatiebrief van het St. Elisabethsgasthuis. *  De aanhef luidt:
‘Everaert Zoudenbalch, Canonick ende Thesaurier in den Doem ’t Utrecht ende heere der heerlicheyden hoge ende lege van Urck en van Emeloirde in West-vrieslant des krijsdoms van Utrecht ende Ambochte-here inden Weerde buten Utrecht. Doe kondt ende kenlick allen denghenen, die (desen) brief sellen sien of horen lesen, dat ick inder eere ende then love Goide almachtich der heiliger magetsijnre moeder Marien ende der weerdiger vrouw Elisabeth van Dueringen, die een ontfermster ende vertrooster is der ellendiger weeskynderen, die van allen menschelicken troost verlaten sijn, van mijne selfs goeden, die mij Godt almachtich uut sijnre goeder tierenheijt verleent heeft, gefundeert, gesticht ende begaeft hebbe een gasthuys der weesen mit eene Capelle daer aen, gelegen binnen der stadt van Utrecht aen Sunte Katherijnen velt. Inden welcken ick wel ende bevele, dat men ontfangen sall alle ellendige weeskynderen, knechtkens ende meeghdekens, die van alle menschelicken troost verlaten sijn, oick van waen *  dat sij comen, ende die aldaer ophouden ende vueden ther tijt toe, dat sij hem selven mit haren arbeyde ofte ambochte sullen mogen behelpen en de bevragen, ende dat niet tot een seecker getale mer alsoe vele alsmen inden voirschreven gasthuys vander goeder luyden aelmissen ende van den goeden, die nu denselven gasthuys gegeven sijn off hier namaels gegeven sullen worden, sall mogen houden ende vueden.’
Het gebouw van het St. Elisabethsgasthuis of -weeshuis, gelegen op de hoek van het tegenwoordige Vredenburg en Achter Clarenburg, had onder de beschieting van het nabij gelegen kasteel in de zeventiger jaren van de zestiende eeuw ernstig te lijden gehad. Om het groeiend aantal kinderen te kunnen huisvesten moest daarom wel naar een beter onderkomen gezocht worden. Door de bekende secularisatie van de geestelijke goederen van 1580 was de gelegenheid geopend om op de Staten van Utrecht een beroep te doen. *  Bovendien had de stad in 1582 beslag op het gebouwencomplex van het Regulierenklooster aan de Oudegracht laten leggen. Huismeesters van het weeshuis zagen hierin een mogelijkheid en verzochten de raad van de stad hun ‘voir nu ende ten ewigen dagen te gunnen ’t begrip ende gehele erff van ’t convent van den Reguliers binnen deser stadt, om aldaer de weeskynderen te mogen brengen ende laten’. De goedkeuring van de verhuisplannen kwam op 9 februari 1582. * 
De raad kwam het weeshuis enkele jaren later (1586 e.v.) ook financieel te hulp door:
1. bij de Staten aan te dringen, dat ‘se alle de goederen behorende aen den convente van de Reguliers in eigendom geven willen tot onderhout van den weeshuyse binnen Utrecht, ’t welck men verstaet dat alle jaer ten achteren compt ende hore saken nyet staende kan houden...’ (23 juli 1586) * 
2. de boeken van Nicolaes van Hemert als rentmeester van de goederen van het klooster op te eisen en hem uit zijn functie te ontslaan, en aan huismeesters van het weeshuis toe te zeggen, dat ‘zij sullen versien nyet alleen tot onderhout van deselve (kinderen), maar oick tot vermeerderinge ende verbeteringe van ’t incommen desselven we eshuyse, ten eynde meer ander weeskynderen geholpen mogen werden.’ (10 oktober 1586) * 
3. de procureur Aert Ram op te dragen om met huismeesters in overleg te treden, omdat bekend was geworden, dat de Staten van Utrecht een zekere Ansem Ruysch hadden aangesteld tot rentmeester over de ‘manscloosteren des gestichts van Utrecht’, in welke kwaliteit deze al meerdere pachters van het Regulierenconvent had gedagvaard ‘om betalinghe t’hebben van de verschenen pachten’ en hiertegen maatregelen moesten worden genomen (15 april 1588). * 
De overdracht van de bezittingen van het klooster aan het weeshuis moet kort na 9 mei 1597 hebben plaats gehad. Toen besloot de raad van de stad namelijk om de administratie daarover aan ‘den huysmeysters ende gemeen broeders van den weeshuyse’ te gunnen. * 
Tot in de twintiger jaren van deze eeuw is het Gereformeerde Burgerweeshuis in de oude behuizing van het Regulierenconvent aan de Oudegracht gevestigd geweest. Natuurlijk is er aan de gebouwen in de loop der eeuwen heel wat veranderd. Het complex werd bij overeenkomst van 8 januari 1926 *  verkocht aan de Nederlandsche Vereeniging van Spoor- en Tramwegpersoneel te Utrecht. In de verk oop was niet begrepen de gevelsteen van het huis, het goudbehang en de marmeren rand van de schouw in de regentenkamer, de schouw en twee schilderstukjes in de naaikamer en een schilderstukje boven de schoorsteen in de kleine kamer. * 
In 1919 kochten regenten de huizen Nieuwegracht 94 en 98 aan. Het laatstgenoemde pand - woonhuis van Jhr. mr. J.F. de Beaufort en bestemd om de wezen onder te brengen - was echter per 1 septemeber 1919 aan Curatoren van de Rijksuniversiteit voor 6 jaar verhuurd. *  Mede hierdoor - èn omdat het huis voor de huisvesting van de wezen en het weeshuispersoneel nog geschikt gemaakt moest worden - was een zeer tijdelijke huur van het huis Maliebaan 11 noodzakelijk. *  De definitieve verhuizing naar Nieuwegracht 98 geschiedde op 25 april 1927. Daar is het weeshuis thans nog gevestigd.
In de broederschapsvergadering van 13 oktober 1953 werd voorgesteld de naam van het weeshuis te veranderen, omdat deze ‘afstotend’ werkte bij verzoeken tot opname van kinderen. Deze gedachte werd uitgesproken, omdat er toen door een reorganisatiecommissie van het weeshuis geadviseerd was kinderen van in Indië werkzame personen in het huis toe te laten, die niet bij familie konden worden ondergebracht. Er was dan ook duidelijk sprake van een koerswijziging ten aanzien van het vroeger gevoerde opnamebeleid. Men was van mening, dat bij deze gelegenheid de herinnering aan de stichter van het weeshuis Evert Zoudenbalch bewaard zou kunnen blijven door zijn naam aan het huis te verbinden. Ook de broederschapscommissie achtte naamswijziging gewenst. Op 9 april 1954 kwam in de vergadering van deze commissie het bericht van burgemeester en wethouders van Utrecht binnen, dat het weeshuis onder de gewijzigde naam ‘Evert Zoudenbalchhuis’ was geplaatst op de lijst van instellingen van weldad igheid, vallende onder art. 3 van de Armenwet 1912. De officiële naam is thans ‘Het Evert Zoudenbalchhuis’ (voormalig Gereformeerd Burgerweeshuis binnen Utrecht).
De stichtingsbrief van het St. Elisabethsgasthuis van 13 januari 1491 bevat in artikel 7 de bepalingen omtrent het bestuur van de instelling. Daaruit blijkt, dat Evert Zoudenbalch het ‘bewiynt ende regiment’ tot aan zijn dood *  in eigen hand wenste te houden. Daarna zou de functie vererven op de Domdeken, de schepenburgemeester en een van zijn naast erfgenamen. *  In 1561 werd de bestuursorganisatie van het weeshuis in zoverre uitgebreid, dat de drie genoemde superintendenten het oppertoezicht zouden krijgen over de St. Elisabethsbroederschap die toen gesticht werd, een college dat tevens de fundatie van Johan van Goch, kanunnik van Oudmunster, zou beheren. De broederschap, bestaande uit geestelijke en wereldlijke personen, zou het Weeshuis ‘helpen administreren, vorderen en verbeteren na haren vermogen’. Dat was de eerste taak van de broederschap. *  De notulen van de broederschapscommissie zijn bewaard gebleven vanaf 1581 (inv.nr. 47).
Uiteraard is er in de samenstelling van het bestuur in de loop der eeuwen wel wat gewijzigd; te veel om in dit korte bestek te verhalen. Beperkt men zich tot de reglementen van 1796 en 1863 *  dan komt men tot de volgende opstelling:
Reglement 1796
Het Weeshuis zou voortaan worden bestuurd door de superintendenten als vanouds en door twaalf regenten of buitenvaders en vier regentessen of buitenmoeders, met een Rentmeester, die tevens Secretaris is. Allen zouden voor het leven worden benoemd. De verkiezing van de regenten was op 14 oktober 1796 door ‘het Volk van Utrecht’ goedgekeurd. Zij mochten samen met de superintendenten ontstane vacatures aanvullen ‘uit stemgerechtigde Burgers deezer Stad of Vrijheid’; de mannen van regentessen waren uitgesloten. *  Vervolgens waren er twee huismeesters, die samen met de secretaris-rentmeester nauwkeurig letten op de dagelijkse benodigheden in het Weeshuis en de Bank van Lening. Zij hadden bovendien *  het toezicht op alle ‘Gebouwen, Landerijen, Erfpa chten, Tynsen, Tienden, Leenen en Verdere bezittingenn aan het Weeshuis, zoo in de Stad als daar buiten gelegen, toebehoorende...’
De ‘commissies van bijstand’-zoals men deze thans zou noemen - waren:
1. De commissie tot de Bank van Lening, bestaande uit vier regenten en de twee huismeesters, De notulen van de broederschapscommissie van het Weeshuis zijn een vervolg op die van de Bankcommissie, die door de overdracht van de bank aan de stad in 1864 haar werkzaamheden beëindigde. * 
2. De commissie tot opzicht over het gedrag en de houding der kinderen, wanneer zij zich aan tafel bevinden. Deze bestond uit twee gecommitteerden uit het bestuur. De taak van dit duo was o.m. ‘tenminste eens in de week des middags en des avonds wanneer de kinderen aan tafel zijn en zulks wel onverwagt, zich aldaar te laaten vinden, zoo om toe te zien, dat spijzen die hun worden voorgezet, voldoen aan de wetten en den regel daarop gesteld, als ook om agt te geven, dat de kinderen zich in het genot van derzelve behoorlijk geschikt en zedig gedraagen, en of het bidden, en het leezen, bij en onder he t eeten met behoorlijke stigting en in goede orde geschiede.’ Eens in de maand moesten zij onverwacht de slaapvertrekken van de jongens inspecteren op het moment, dat die ‘zig ter bedde begeeven om getuige te zijn der goede orde, die aldaar plaats moet hebben’.
3. De commissie tot opzicht over het schoolbestuur en het onderwijs. Twee regenten controleren ‘het gedrag en de manier van onderwijzing der School-Leeraars in Catechizatien, en de Schoolboekjens die daar toe gebruikt worden’. Zo vaak als nodig moesten zij de school bezoeken. De meest verdienstelijke jongens van het huis werden beloond. Daarvoor stond jaarlijks een bedrag van fl. 50,- ter beschikking van regenten.
De vier regentessen moesten nagaan of de spijs en drank van de kinderen en suppoosten geregeld bleven ‘op den voet en volgens de Schaft Lijst, die daarvan bestaat en tot hiertoe geobserveerd is’. De binnenmoeder moest de dagelijkse consumptie aan de dames verantwoorden. Voorts zagen zij toe op de kleding van de kinderen, Zij moesten er echter wel aan denken, dat het voorschrift bestond, dat ‘er nog door Regenten of Rentmeesters, nog door Regentessen eenige maaltijden consumtie of verteering van het Huis mogen gedaan worden in meerder of anders bestaande dan in Thee of Coffij met Zuiker en Melk, Bier en Pijpen, en te zijner tijd het nodige Vuur en Ligt, onvermindert het recht op die verteeringen, welke Donatien of Testamentaire dispositien toegestaan hebben’. * 
Reglement 1863
Het reglement dat in 1863 werd goedgekeurd *  , bestaat uit 10 artikelen en bepaalt achtereenvolgens:
1. dat er 32 regenten zullen zijn *  , samen vormend de broederschap en bijgestaan door een rentmeester, die tevens secretaris is.
2. dat jaarlijks drie door het lot aangewezen leden van de broederschap twee regenten tot huismeesters kiezen, die op 28 november hun betrekking aanvaarden.
3. dat de Broederschapscommissie zal zijn samengesteld uit de twee zittende en de twee laatst afgetreden huismeesters, bijgestaan door twee regenten, die het huismeesterschap nog niet eerden hebben bekleed.
4. dat voor de benoeming van regenten een drietal moet worden voorgedragen door de Broederschapscommissie; de broederschap benoemt hen bij volstrekte meerderheid der aanwezige l eden.
5. dat de taak aan de Broederschapscommissie bestaat uit:
a. het onderzoeken van de voorstellen der bijzondere commissies,
b. de voorbereiding van de door de broederschap te behandelen zaken,
c. de beslissing over minder belangrijke zaken, herstelling van de aan het gesticht toebehorende gebouwen, vermoedelijk een bedrag van fl. 100,- te boven gaande,
d. het aan de broederschap voordragen van tweetallen voor alle benoemingen, behalve voor de benoeming van tijdelijke commissies uit de regenten en behoudens het vermelde onder punt 4.
6. dat de 1e huismeester belast is met:
a. het dagelijks toezicht op de administratie, de inrichting en orde van het ‘gesticht’ en het personeel,
b. de ondertekening van alle stukken (samen met de rentmeester),
c. het beleggen van de vergaderingen der broederschap en der broederschapscommissie, zo vaak hij dit nodig acht of wanneer 5 regenten dit verzoeken,
d. het uitvoeren van de besluiten, genomen door broederschap en broederschapscommissie.
7. dat het bijzonder toezicht over de school en al wat de opleiding en het onderwijs der jongens betreft was opgedragen aan een Schoolcommissie, bestaande uit de beide huismeesters en twee regenten, die voor 4 jaar benoemd waren. Voorts was er een Commissie voor de vaste goederen, samengesteld uit twee regenten, die voor 2 jaar benoemd waren, en een van de huismeesters als voorzitter. Er was bovendien een Commissie voor de voeding en kleding, die ook twee (voor 2 jaar daartoe benoemde) regenten telde en een der huismee sters tot voorzitter had. Tenslotte was de Commissie van Regentessen het toezicht over de opvoeding en opleiding der meisjes buiten de school, alsmede over de linnen-, naai- en kinderkamer toegewezen.
8. dat drie regenten de jaarlijkse rekening hadden te onderzoeken, waarna deze voorlopig door de broederschap werd vastgesteld en daarna werd onderworpen aan de goedkeuring van de burgemeester der stad, als superintendent van het Weeshuis.
De indeling van de inventaris is voor wat de bezittingen van het weeshuis betreft overzichtelijk genoeg. Er is als het ware een opsomming van alle roerende goederen van het huis ontstaan:
Allereerst zijn er o.a. de weeshuisgebouwen zelf, vervolgens zijn de archivalia beschreven over de vrijwoningen, die door de huismeesters beheerd worden en tenslotte werden de stukken betreffende de overal in de stad en provincie verspreid liggende landerijen van het weeshuis gerangschikt.
Een groot aantal nalatenschappen zijn in het bezit van het weeshuis gekomen. Mede daardoor - en door vele schenkingen - was het mogelijk de gelden bijeen te brengen om de bedoelingen van de stichter te realiseren en de verpleging van de weeskinderen overeenkomstig zijn wensen te regelen.
Voor die verpleging van de weeskinderen en voor de huishouding zijn in de loop der eeuwen heel was ‘beambten en bedienden’ in dienst van het weeshuis geweest. Dat waren achtereenvolgens: de binnenvader en binnenm oeder, de schoolmeester, de chirurgijn en geneeskundige, de catechiseermeester, de schoenmaker, de kleermaker, de kindermoeder, de kinderjuffrouw, de naaimoeder, de wasvrouw, de stijfster, de linnenmoeder, de naaister, de huisknecht, de portier, de juffrouw voor de behandeling van de was, de hulp in de huishouding en de opzichter (over de gebouwen). *  Zij allen hadden zich na hun beëdiging te gedragen naar de bij hun functie behorende instructies, waarvan de inhoud hier helaas niet kan worden vermeld.
Tot de gebouwen van het oude Regulierenklooster behoorde ook de later als Weeskerk bekend gebleven kloosterkerk, die door huismeesters als bedehuis en begraafplaats bestemd werd en tevens jarenlang gebruikt is als vergaderruimte voor verschillende gilden. Na de verhuizing in 1582 werd de eerste godsdienstoefening in de kerk gehouden door de bekende predikant Werner Helmich op 20 januari 1583. De kerk is tot 1800 in gebruik geweest. Van de verpachting en verkoop van de grafsteden in de kerk en van de daarvoor door huismeesters geheven rechten werd nauwkeurig aantekening gehouden (inv.nrs. 833-836). Door de nieuwe eigenaars werd de kerk in 1926 in een toneelzaal herschapen, de regentenkamer werd biljardzaal en de zaal, waar regenten van het weeshuis tweemaal per jaar maaltijd plachten te houden, werd bestuurskamer van de nieuwe vereniging.
H.C. Hazewinkel, G. Brinkhuis en A. Graafhuis, 1967
Addendum
Inventaris
1. Geschiedenis van het gesticht
3. Financieel beheer
4. Verpleging van de weeskinderen
5. Huishouding van het gesticht
sluiten
725 gereformeerd burgerweeshuis
Inventaris
5. Huishouding van het gesticht
Vindplaats:
7. Stukken van onbekende herkomst
Kenmerken
Datering:
1491-1975 (1979)
Toegangstitel:
Inventaris van het archief van het gereformeerd burgerweeshuis, vanaf 1954 Evert Zoudenbalch huis te Utrecht 1491-1975 (1979)
Auteur:
H.C. Hazewinkel, G. Brinkhuis en A. Graafhuis, bewerkt door F. Tuinstra
Datering toegang:
1967 / 2003
Openbaarheid:
Stukken jonger dan 50 jaar slechts ter inzage na toestemming inbewaargever
Rechtstitel:
Opneming in beheer van een particulier, niet in eigendom verkregen
Omvang:
2 bladen; 4 charters; 70,35 m zuurvrije dozen
Vindplaats:
Rubrieken:
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS