A  |  A  |  A
Uw zoekacties: Notarieel archief Den Haag
 0372-01 Notarieel archief Den Haag ( Haags Gemeentearchief )
 
 
Zoek in deze archieftoegang
 
 
 
 
 
Inventaris
1. Inleiding
sluiten
0372-01 Notarieel archief Den Haag
1. Inleiding
Vindplaats:
Ingevolge de bevoegdheid in het Koninklijk Besluit van 23 augustus 1907 (Staatsblad no. 237), gegeven aan gemeenten, die aan zekere voorwaarden voldoen, om de archieven van de notarissen, die hun standplaats binnen die gemeenten gehad hebben, van het Rijk in bewaring te ontvangen, heeft de gemeente 's-Gravenhage in november 1910 alle archieven van op haar toenmalig grondgebied geresideerd hebbende notarissen over de jaren 1597-1811 op haar verzoek in bruikleen ontvangen. In oktober 1926 werden daarna op dezelfde wijze krachtens Koninklijk Besluit van 28 augustus 1919 (Staatsblad no. 546) verkregen de archieven van 1811-1842.
De indeling van deze inventaris is gemaakt naar de chronologische volgorde van de admissiën van de notarissen door het Hof van Holland. Waar de admissie niet bekend was, is de datum van creatie door de Staten van Holland en West-Friesland vermeld. In de enkele gevallen dat beide onvindbaar bleken, werd de notaris ingevoegd volgens den datum van de eerst aanwezige akte in zijn protocol.
Een uitzondering moest worden gemaakt voor de eerste 860 nummers. Deze toch zijn geheel of gedeeltelijk op de persoonsnamen geklapperd. Aan het veranderen van de vele duizenden fiches, die naar deze nummers verwijzen, kon niet worden gedacht. Slechts wanneer de plaats van admissie niet Den Haag was werd deze aangegeven.
In de registers van de notarissen, door het Hof van Holland geadmitteerd, vertoonden de namen soms afwijkingen van die in de protocollen van de betrokken notarissen. Deze zijn, tussen haakjes geplaatst, aangegeven.
Onder de akten, die niet in notariële vorm zijn verleden, komen vele verkoop- of veilingsconditiën, Engelse procuraties en wisselprotesten voor. Slechts dan, wanneer de notaris zelf ze van het overige protocol gescheiden had gehouden, zijn deze afzonderlijk vermeld.
Bij de beschrijving van de protocollen zijn de jaren aangegeven, waarover het protocol loopt. Viel echter het begin niet in januari of het einde in december, dan zijn bovendien de maanden vermeld.
De geschiedenis van het notariaat is uitvoerig beschreven in reeds vroeger verschenen inventarissen *  , terwijl speciaal voor Den Haag de heer Th. Morren dit onderwerp behandeld heeft *  . Weinig valt hier dan ook aan toe te voegen; een drietal punten schijnen echter belangrijk genoeg te dezer plaatse nog eens naar voren gebracht te worden. Het eerste punt betreft het aantal van de Geadmitteerde notarissen. Uit een opgave, door de stad Den Haag verstrekt aan de Staten van Holland en West-Friesland voor een dagvaart, die in het jaar 1594 in de maand maart werd gehouden, blijkt, dat 22 notarissen er praktijk uitoefenden, doch dat een achttal voldoende werd geacht. Den Haag overtrof in dit opzicht toen alle andere steden.
Herhaalde klachten vindt men over dit te grote aantal functionarissen, die de zaken gelijkelijk voor hun collega's en cliënten schaadden. Het euvel bleef echter door de jaren heen bestaan. Zoo vindt men nog in het jaar 1805 een notificatie van Hoofdschout en Raad van de gemeente van Den Haag, die, ten einde de voor de maatschappij nadelige gevolgen te beperken, welke voortsproten uit het onbepaalde in het getal van de Geadmitteerde notarissen, dit aantal vaststelden op 25, met de bepaling, dat daarboven geen nieuwe admissiën zouden mogen worden verleend.
Het tweede punt raakt de visitatie en overbrenging van de notariële protocollen en is merkwaardig, omdat de moeilijkheden, die zich hierbij voordeden, uitsluitend hier ter stede konden bestaan. Een resolutie van de Staten van Holland en West-Friesland van 14 maart 1765, spreekt bij de regeling van dit punt over notarissen, die met en zonder consent van den magistraat zijn aangesteld. Opvallend, want in volkomen tegenspraak is dit met de Resolutie van 27 Nov. 1608 (zie bijlage I), waarin uitdrukkelijk was bepaald, dat geen notaris zijn ambt zou mogen uitoefenen zonder toestemming van de magistraten van de steden of heren van de heerlijkheden. Dat aan deze verordening streng de hand werd gehouden, blijkt uit een keur van 28 juni 1660 (zie bijlage II), waarin den notarissen, die geen admissie van den magistraat hadden, bevolen werd in eigen persoon, binnen 14 dagen tijd "ter camere" van burgemeesteren hunne admissie om te mogen practiseren te komen verzoeken.
David Dispontijn, die zich blijkbaar aan dit bevel onttrokken had, kreeg 8 februari 1666 een interdictie om het genoemde ambt alhier 'te exerceeren, aleer hij in gevolge zijn brieven van creatie daertoe speciale akte van admissie van den magistraat zou hebben geobtineert, op straffe van arbitraire correctie; wordende den secretaris gelast zijn brieven van creatie in te houden, tot hij de voorsz. akte zou hebben geobtineerd'.
Drie jaar later moesten Burgemeesteren weer een order uitvaardigen en stelden in een keur van 30 december 1669 een boete vast van f 50 voor iedere akte, gepasseerd door een notaris, die geen admissie van den Haagschen magistraat bezat.
Hoe kwamen nu een eeuw later dan toch niet door de stedelijke overheid Geadmitteerde notarissen te 's-Gravenhage voor? Nergens vindt men, dat de bepaling ingetrokken, noch dat de controle van de Haagsche overheid verslapt zou zijn. Dit is dan ook inderdaad niet het geval. De oorzaak ligt in het feit, dat Den Haag tevens de residentie was van het Hof van Holland. De heren van het Hof en van de Schepenbank waren het veelal oneens. Onder de geschillen, die beiden gedurende bijna tweehonderd jaren verdeeld gehouden hebben, kwam langen tijd het punt van de inspectie van de notariële protocollen voor. *  Het Hof, dat geen bevoegdheid had rechten over de notarissen als zoodanig uit te oefenen, beriep er zich op, dat verscheidene dezer functionarissen suppoosten van den Hove waren. Dit geschiedde op grond van andere betrekkingen, die deze personen tevens aan het Hof vervulden. tussen de suppoosten en den magistraat bestond geen enkel rechtsverband. Het Hof vond hierin aanleiding naast den Commissaris, door den magistraat over de notarissen aangesteld, een afzonderlijken Commissaris te benoemen en te decreteren, dat de protocollen van de overleden notarissen-suppoosten niet ter secretarie van Den Haag, maar op de griffie van het Hof moesten worden gedeponeerd. Het werd een nieuwe bron van twist voor de strijdlustige rechtscolleges. Voor de Staten werd dit geschilpunt echter niet gebracht. Eerst bij de Resolutie van 14 maart 1765 (zie bijlage III) werd een artikel aan dit onderwerp gewijd. Niettegenstaande deze regeling werden de moeilijkheden echter na dien tijd nog talrijker dan te voren.
Het derde punt betreft een 'Waarschouwinge voor de notarissen' gedaan ter Kamere van Burgemeesteren van 's-Gravenhaage den 22 augustus zestien hondert vier en tachtig. * 
De waarschuwing houdt in het voorschrift, dat in alle akten, waarin op verlangen van partijen de clausule van willige condemnatie opgenomen moet worden, de overgifte van willige condemnatie, zo wel voor den gerechte van de stad als voor het Hof van Holland gesteld zal worden. Dit op boete van vier zilveren ducatons op iedere akte, gepasseerd met voornoemde clausule alleen gesteld voor het Hof.
2. Bijlagen
3. Inventaris
4. Aanhangsel
5. Index 1597-1670
Kenmerken
Datering:
1597-1842
Beschrijving:
Inventaris van de archieven van te 's-Gravenhage geresideerd hebbende notarissen
Auteur:
G.C. Telders
Openbaarheid:
Geheel openbaar
Omvang:
458,375 m
Bewerker:
R.A.M. Vernooij
Laatste wijziging:
25-10-2012
Geplaatst op internet:
25-10-2012
Vindplaats:
Categorie:
Zie ook
Archiefvormer(s):