Uw zoekacties: Ridderschap in de provincie Groningen, 1815 - 1853 (1882)
x799 Ridderschap in de provincie Groningen, 1815 - 1853 (1882) ( Groninger Archieven )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

799 Ridderschap in de provincie Groningen, 1815 - 1853 (1882) ( Groninger Archieven )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
De grondwetgever van 1814 trachtte op verschillende punten een toestand "als van oud" te doen herleven, al betekende dit in de praktijk toch vaak de invoering in alle provinciën van het Koninkrijk van instellingen en organen, die slechts in een deel van de voormalige gewesten van de Republiek hadden bestaan.
Zo was het ook met de instelling van Ridderschappen, die alleen in Holland, Gelderland, Utrecht, Overijssel, en Drenthe reeds tijdens het 'ancien régime' gefunctioneerd hadden. Voor de overige provincies, waaronder Groningen, betekende de Grondwet van 1814 derhalve een vernieuwing op dit punt. Volgens artikel 58 van deze constitutie zou het namelijk aan de Souvereine Vorst zijn voorbehouden in het vervolg een wet voor te stellen, waarbij kon worden bepaald dat tenminste een vierde gedeelte van de zetels in de Staten-Generaal kon worden ingenomen door "leden van de Ridderschappen in de onderscheidene provinciën". Deze lichamen zouden zich, behoudens goedkeuring en bekrachtiging door de Souvereine Vorst, zelf kunnen organiseren (artikel 77 van de Grondwet 1814).
Ingevolge Souvereine Besluit van 18 februari 1815, nr. 61 werden in alle provincies vergaderingen bijeengeroepen van personen die voor de Ridderschap in aanmerking kwamen, c.q. wensten te komen. In Groningen geschiedde de convocatie door de Gouverneur des Konings, G.W. Baron van Imhoff, voor 30 maart van dat jaar.
Op deze constituerende vergadering koos de Groninger Ridderschap tot haar voorzitter jhr. O.R. Alberda van Ekenstein en tot griffier L.U. Baron Rengers; tevens werd een commissie benoemd, belast met de opstelling van een ontwerp-
regelement voor de Ridderschap. Nadat dit concept op 20 juni 1815 de instemming van de vergadering van de Ridderschap had verkregen, werd het aan Zijne Majesteit toegezonden; bij Koninklijk Besluit van 3 juli 1816, nr. 106 werd het met enige kleine wijzigingen vastgesteld en goedgekeurd.
Hoewel het reglement onder meer bepaalde, dat onderwerpen van staatkundige aard geen deel zouden uitmaken van de beraadslagingen ter vergadering van de Ridderschap, had de nieuwe Grondwet van 1815 inmiddels nadere aanwijzigingen gegeven omtrent de taak en bevoegdheden van de Ridderschappen. Zij moesten, volgens artikel 129, "in veereniging met de steden en vertegenwoordigers van de landelijken stand" de leden kiezen van Provinciale Staten, toenmaals nog het kiescollege voor de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Dit verklaart, waarom het archief van de Ridderschap onder de gedrukte stukken ook twee reglementen bevat "omtrent de samenstelling van de Staten der Provincie Groningen" (1814, inv.nr. 8) en "bepalende de wijze, waarop het gezag en de magt door de Staten van de Provincie Groningen overeenkomstig de Grondwet wordt uitgeoefend" (1817-18, inv.nr. 8).
Volgens artikel 63 van de nieuwe Grondwet zouden meerderjarigheid, Nederlandse nationaliteit en erkenning in de adelstand verplichte criteria zijn voor toelating tot de Ridderschap. Daarnaast dienden leden van de Ridderschap aan bepaalde vermogenseisen te voldoen, welke per provincie konden verschillen. Voor Groningen werden deze gesteld op "tenminste tienduizend guldens aan vaste goederen ... binnen de provincie ... onbezwaard en vrij van lasten" (artikel 4 van het Reglement voor de Ridderschap in de provincie Groningen). In het algemeen zou de Ridderschap slechts eenmaal per jaar vergaderen, tenzij een bijeenkomen in buitengewone vergadering door Zijne Majesteit nodig zou worden geacht (artikel 12).
Bij Koninklijk Besluit van 2 april 1818, nr. 143 werd de datum van de jaarlijkse vergadering bepaald op de eerste juni; een later Koninklijk Besluit van 27 november 1828, nr. 94, omschreef de mogelijkheid van het bijeenroepen (door de Gouverneur) van de Ridderschap tot een bijzondere vergadering, indien zich in de provinciale Staten tussentijdse vacatures voor het lid van de Ridderschap zouden voordoen.
Het stemgedrag tijdens de vergadering van de Ridderschap werd nader geregeld bij ampliatie op het Reglement in 1831, goedgekeurd bij Koninklijk Besluit van 25 mei, nr. 44. Een eerdere toevoeging aan het reglement was reeds in 1824 tot stand gekomen (goedgekeurd bij Koninklijk Besluit van 23 december, nr. 163), waarbij bepalingen ter ondersteuning van "min gegoede Leden der Ridderschap of aanverwandten van dien" en ter bestrijding van administratiekosten, "kosten van druk- en schrijfloonen, bediening of soortgelijke", waren vastgesteld. Het daartoe in het leven geroepen fonds, beheerd door de griffier van de Ridderschap als administrateur, zou bestaan uit een jaarlijkse contributie van drie gulden, te heffen van ieder lid der Ridderschap, voorts uit intredegeld van dertig gulden van ieder nieuw toegelaten lid en uit boeten van alle personen die zonder voorgaande kennisgeving van vergaderingen van de Ridderschap absent zouden zijn.
Gedeputeerde Staten van Groningen besloten op 16 oktober 1816 de vergaderzaal der Staten voor de bijeenkomsten ter beschikking te stellen, een regeling die naderhand door jaarlijkse herhaalde besluiten usance werd.
Over de werkzaamheden van de Ridderschap in de provincie Groningen lichten de notulen en de vrijwel compleet bewaard gebleven ontvangen stukken (van de uitgaande stukken is alleen een agenda bewaard gebleven) ons in; het blijkt dat de jaarlijkse verkiezing van leden der Ridderschap en hun plaatsvervangers voor het lid van de Ridderschap in de Provinciale Staten en de toelating tot de Ridderschap van nieuwe of van buiten de provincie gekomen leden de hoofdzaak van de besprekingen uitmaakte.
De Grondwet van 1848 schafte de standen overal in het Koninkrijk af; de bepaling van artikel 123 van de nieuwe constitutie, dat leden van de Provinciale Staten voortaan voor 6 jaar rechtstreeks door de ingezetenen van de provincie gekozen zouden worden, zou ook aan de staatkundige rol van de Ridderschap een einde gemaakt hebben, ware het niet, dat additioneel artikel 1 volgens de Grondwet door andere waren vervangen. Zo betekende dus pas de invoering van de Provinciewet (Wet, regelende de zamenstelling en magt der Provinciale Staten) van 6 juli 1850 het definitieve einde van de staatsrechterlijke activiteiten van de Ridderschap.
Op 14 april 1853 hielden de leden der voormalige Ridderschap, wier laatste gewone vergadering op 1 juni 1850 gehouden was, een bijzondere bijeenkomst. Hier werd met meerderheid van stemmen besloten tot opheffing over te gaan en het college niet langer als "zedelijk ligchaam" te laten voortbestaan. Een kleine meerderheid in de vergadering, onder leiding van jhr.mr. U.W.F. van Panhuys, wenste zich hierbij evenwel niet neer te leggen. Uitgaande van de bepaling van artikel 1699 van het Burgerlijk Wetboek: "Het zedelijk ligchaam op openbaar gezag ingesteld, wordt niet vernietigd door den dood of afstand van het lidmaatschap van alle leden; maar blijft als zoodanig bestaan, tot zoo lang hetzelve wettiglijk is ontbonden", betoogde deze groep, dat in de Grondwet van 1848 niet voldoende termen voor een dergelijke wettige ontbinding aanwezig waren, en dat mitsdien een besluit van de vergadering van de Ridderschap ook niet bij machte was, dit doel te bereiken.
Ten gevolge van deze houding was het ook niet mogelijk voor de Commissie van Liquidatie, benoemd door de buitengewone vergadering van 24 april 1853, over te gaan tot liquidatie en verdeling van het "Fonds ter ondersteuning van min gegoede leden der Ridderschap", welks administrateur, dezelfde jhr. van Panhuys, pertinent weigerde rekening en verantwoording af te leggen. Evenmin wenste hij gehoor te geven aan het besluit van de vergadering, het archief van de Ridderschap over te brengen naar het Provinciaal Archief.
De Commissie van Liquidatie kon dus haar taak slechts ten dele ten uitvoer brengen; pas na de dood van de administrateur Van Panhuys in 1882 wendde het enig overlevende lid van de commissie, jhr.mr. Mello Backer, zich tot de zoon van de overledene, jhr.mr. J.C.A. van Panhuys, met het verzoek alsnog afgifte te willen doen van de gelden der Ridderschap die onder zijn overleden vader hadden berust. Met de inwilliging van dit verzoek kwam ook het archief van de Ridderschap ter beschikking.
Bij missive van 3 mei 1882 verzocht jhr. Backter Gedeputeerde Staten, het archief van de voormalige Ridderschap te mogen overbrengen naar de Provinciale Bibliotheek, "als behoorende tot de Staatkundige Geschiedenis van deze Provincie". Gedeputeerde Staten aanvaardden de schenking bij besluit van dezelfde datum, nr. 98, 4e afdeling, en belastten de Griffier der Staten met de verdere regeling van de overbrenging, "ten einde de stukken in het archief van ons Collegie" te doen bewaren. Bij die gelegenheid werd ook een inventaris van het archief opgemaakt (zie inv.nr. 19).
Na de opening van het nieuwe, thans Rijksarchief geworden, archiefgebouw, richtte de archivaris jhr.mr. H.O. Feith zich met een schrijven van 12 juli 1883 tot Gedeputeerde Staten, met het verzoek, de archiefbescheiden van de voormalige Ridderschap alsnog naar het Rijksarchief te doen overbrengen "omdat, naar mijne opvatting, sedert de ridderschap is vervallen, haar bestaan en hare handelingen tot de geschiedenis behooren, haar archief in het Oud-archief van Groningen eene juiste plaats zal hebben". Het college van Gedeputeerde Staten willigde dit verzoek in, ofschoon het archief van de Ridderschap, als ontstaan zijnde na 1813, eigenlijk niet onder de bescheiden gerekend kon worden "die volgens art. 1 der door Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandsche Zaken den 31 juli 1882 voor U vastgestelde instructie onder Uw beheer zijn gesteld" (resolutie Gedeputeerde Staten van 19 juli 1883, nr. 32, 4e afdeling).
Zo is dus het archief van de Ridderschap afzonderlijk van het archief van het Provinciaal Bestuur van Groningen overgedragen. In 1902 volgde een voorlopige beschrijving der stukken door de adjunct-commies P.G. Bos. Bij de beschrijving van de archieven van het Provinciaal Bestuur van Groningen sinds 1813 leek het gewenst, deze voorlopige inventaris door een definitieve te vervangen. Ook werden nu de bescheiden betreffende de Ridderschap bij dit grote archief geplaatst, al maken zij daarvan organiek geen deel uit.
De hiervoor genoemde inventaris is in 1991 enigszins bijgewerkt. In 1996 werd deze toegang als Word Perfect bestand ingevoerd.
Literatuur
V.R.O.A., 1882, p. 231-232.
W.J. Baron d'Ablaing van Giessenburg, De Ridderschappen in het Koningkrijk der Nederlanden, of de Geschiedenis, Regeling en Zamenstelling van den Stand der Edelen, van 1814 tot 1850 ('s-Gravenhage, 1875)
Inventaris
Kenmerken
Beschrijving:
Inventaris van het archief van de Ridderschap in de provincie Groningen
Bewerker:
G.R. Bosscha Erdbrink
Laatste Publicatie:
1991
Behoort tot collectie:
Provincie Groningen
Omvang:
1,15 m standaardarchiefberging
Categorie:
Archiefvormer(s)::
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS