Uw zoekacties: NV Ennemaborg te Midwolda (O), (1660-) 1817 - 1964
x402 NV Ennemaborg te Midwolda (O), (1660-) 1817 - 1964 ( Groninger Archieven )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

402 NV Ennemaborg te Midwolda (O), (1660-) 1817 - 1964 ( Groninger Archieven )
Zoek in deze archieftoegang
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
Omtrent de geschiedenis van dit landgoed vindt men één en ander vermeld in de Groningse Volksalmanak voor 1926 van de hand van de bekende oudheidkenner Jb. Vinhuizen. Voor de oudere tijd wordt volstaan met hiernaar te verwijzen. Vinhuizen's overzicht eindigt met de laatste bewoner Johan Hora Siccama, lid van de Staten-Generaal der Verenigde gewesten, rekenmeester provinciaal van Groningen, die op 4 mei 1812 op de Ennemaborgh overleed. Bij zijn leven was hij mede eigenaar van de Ommelander borg Klinckema onder Zuidhorn.
Siccama's vrouw Egbert Louise Beckering was niet lang voor hem, op 6 december 1810 op de Ennemaborgh gestorven. Het echtpaar was het laatste van adellijke origine, dat op de Ennemaborgh heeft gehuisd. In het huisarchief van Farmsum in het Rijksarchief te Groningen vindt men de door Siccama aangehouden staatboeken van zijn vermogen, waaruit blijkt, dat hij en zijn vrouw nog op vele andere plaatsen in het gewest Groningen gegoed waren. De veelheid van deze bezittingen en van zijn kinderen -uit zijn echtverbintenis met Egberta Louise Beckering hadden niet minder dan elf kinderen de volwassen leeftijd bereikt- deden geregelde vergaderingen van de erfgenamen ontstaan, waarin een notulenboek werd aangehouden en een protocol van uitgegane brieven.
Eerst op woensdag 21 maart 1821 werden deze afgesloten. Gelijk Vinhuizen nog weet mede te delen, werd de Ennemaborgh cum annexis, groot 634 deimt, op 2 april 1817 in openbare veiling door de heren Isaac Telting te Franeker en Johannes Petrus van Beyma te Weidum voor de som van ? 111.050,-- aangekocht. Vermoedelijk met het oog op de voorgenomen veiling hadden de erfgenamen Siccama in oktober 1814 door L.C. Buwama Aardenburg "een figuratieve schets der veenen, dallen, bosschen, bouwten, hoven en tuinen" laten vervaardigen. Deze kapitale tekening, lang 180 en breed 108 cm wordt mede in het genoemde huisarchief Farmsum bewaard en is niet aan de nieuwe eigenaren bij de aankoop overgegeven.
Uit de aard hadden deze dadelijk behoefte gevoeld voor zich een uitbeelding van de aangekochte gronden te bezitten. Hieraan dankt haar ontstaan de in het archief der Ennemaborgh bewaard gebleven "Figuratieve kaart van Ennemaborgh en de veenen bewesten Tonko Menses zwette, achter Midwolda gelegen". Genoemde zwette vormde de oostelijke grens van Harm Fokkesheert en -venen, die onmiddellijk achter de Hoethslaan waren gelegen. Het op beide bovenvermelde kaarten in tekening gebracht veengebied is gelijk. De laatste kaart strekt zich, in afwijking van de eerstgenoemde, mede uit tot het ten Noorden van de grote weg gelegen grondstuk "De Dollart" uit.
Dit wordt als water afgebeeld, met inschrift: "Visscherij De Dollart". De formatie van dit stuk was grillig. Aan alle zijden was het door een dijk met houtopstand omgeven en tussen dit eens waterrijke terrein en de weg bevond zich een "Iepenboschje", dat nog op de chromo-topografische kaart van 1894 voorkomt en waaarvan de laatste resten voor korte tijd zijn opgeruimd. Aan de Oostzijde van het water lag tegenover het terrein van de Ennemaborgh een grote boerderij, waarbij 56½ ha. land, die niet in 1817 onder de hamer kwam, doch aan één der erfgenamen, jhr. Johan Hora Siccama, heer van Slochteren, was aanbedeeld. Op 5 februari 1838 werd deze door hem verkocht. Aan deze kant van genoemd water stond het "schiphuis" van Ennemaborgh, waarin de roei- en zeilboten waren gelegen.
De tweede kaart verschilt nog in dit opzicht van de eerste, door de omstandigheid, dat hierop veel meer topografische namen voorkomen. Het is te betreuren, dat van de tweede kaart van 1817 een hoek door afscheuring verloren is gegaan, namelijk die waarop het veenterrein tussen Tonko Menseszwette en de Winschoterraai moet zijn afgetekend geweest. In de totstandkoming van de tekening moet vrij zeker de eerste administrateur van de heren Telting en Van Beyma, namelijk Jacob Pieters Bosma de hand hebben gehad. Deze heeft twintig jaren de belangen van de eigenaren behartigd. Hij stierf in 1837 en werd op het kerkhof te Midwolda in één van de tot het huis Ennemaborgh behorende graven ter aarde besteld. Op Bosma volgde Oeds Oedszoon de Leeuw, geboortig van Ureterp. Deze trof de beschreven kaart als een veel gebruikt archiefstuk aan en restaureerde haar door daarachter op verschillende plaatsen stukken van een Provinciaal Groninger Courant van 1837 te plakken.
Op de eerste kaart van 1814, gereproduceerd bij het artikel van de heer Vinhuizen voornoemd, komt de merkwaardige potkleiberg met de afloop naar het Zuidoosten reeds voor. Het grote perceel, waarop de berg ligt, zien we voor de Westelijke helft als bos, het middengedeelte als weideland. In de richting van het huis grensde hieraan een grondstuk, waarin twee visvijvers.
In de 18e-eeuwse trant liep hierover een brede alleé, de voortzetting van die achter het huis met haar eeuwenoude ten dele nog bestaande machtige beuken. Op de kaart, die de Leeuw in 1837 vond, zijn de visvijvers niet meer aanwezig. De waterkom veel verderop in het bos bij de Scheemdermeerkerdwarsweg was er in 1814 reeds en moet haar ontstaan danken aan de onmiddellijke nabijheid van een boerderijtje, de Sportelarij, en aan de veenhutten, die toen aan die weg bij de Turflaan stonden. Op een latere kaart van 1880 komen deze hutten niet meer voor.
De voortschrijding van de vervening via de door de heren Telting en van Beyma recht doorgetrokken Hoofdwijk had de verplaatsing van de bewoners noodzakelijk gemaakt. Mede had vroeger een complex hutten gestaan aan genoemde dwarsweg vlak bij de Sportelarij. Hier hadden de gravers huisvesting gevonden, die als eerste bewerkers van het zogenaamde Hollandse veen in de 17e en 18e eeuw werden gerequireerd. Deze hutten, vermoedelijk tien gezinnen huisvesting geboden hebbend, komen op een kaart van 1840 niet meer ter plaatse voor. Als herinnering eraan ziet men aldaar slechts een tiental kleine kadastrale perceeltjes getekend.
De latere Hoofdwijk van de heren Telting en Van Beyma wordt op de kaart van Siccama van 1814 de "Oude Wijk" genoemd, zowel in het begin bij het Winschoterdiep als verder op. Aan deze betiteling sluit aan hetgeen in een akte van 1818 (inv.nr. 45) wordt gezegd: "aan een weleer bestaan hebbende wijk, zoo zich heeft uitgestrekt van af het Trekdiep tot in de Midwolder veenen". Deze oude wijk volgde het tegenwoordige beloop tot de bocht vòòr de Molenwijk en ging dan enige honderden meters Noordwaarts het veen. Uit de kaart van Siccama van 1814 blijkt, dat in de laatste tijd, waarin de familie van die naam op Ennamborgh woonde, hoofdzakelijk werd geveend op het grote terrein op het eind van de opstrek van Ennemaborgh, waar thans in 1948 een gedeelte tot bouwland wordt aangemaakt.
Het was het veen van een voormalige Hollandse compagnie en was, als uit de achter de inventaris afgedrukte bijlagen blijkt, nagenoeg 120 deimt groot. In 1800 verkreeg de familie Siccama de volledige rechten op dit veencomplex, nadat zij de rechten hierop van de stad Groningen had aangekocht. Langs de Turflaan, die van oudsher gebruikt werd voor afvoer per wagen -vandaar de tolboom aan het eind bij de borgh- liep het naar de oude compagnie genoemde Hollandersdiep, van de Hoofdwijk tot ca. de Scheemdermeerkerdwarsweg. Van ouds woonde bij genoemde tolboom de veenbaas van Ennemaborgh.
Op slechts één plaats spreekt het staatboek van Johan Hora Siccama van de voormalige Hollandse veencompagnie. Hij handelt dan over een stuk land aan het eind van de Oude Wijk (moeras) bij het Trekdiep, dat het aan genoemd gezelschap heeft behoord, door Jan Bennes aan mevrouw Hora geboren Clinge was gecedeerd "volgens scheydtbrief te vinden onder de stukken behorende tot de Hollandsche veencompagnie no 27". Van deze compagnie en van haar archief is de bewerker verder niet gebleken. De oudere genoemde kaarten geven bij het Trekdiep een wig- of kielvormig grondstuk aan, zich over de oude wijk heen tot de Turflaan voortzettend, met de benaming "Hora's boschje", blijkbaar door de in de nabijheid wonende bevolking eraan gegeven.
De kaart van Siccama van 1814 bewijst, dat de vergraving op de eerste heerd ten oosten van de Turflaan, op de zogenaamde Plaatsterheerd en Schoolheerd aanmerkelijk in de richting van de grote weg is gevorderd. Naar de kant van de Oude Wijk is het terrein nog als hoogveen aangeduid, doch reeds begreppeld. De arbeid op de volgende heerd, Tiddo Pietersheerd en op de Foskosheerd, beide mede tot Ennemaborgh behorend, verkeerde nog in een beginstadium. Tot het Hoethsveen toe (en de weg van die naam) is het hoogveen in 1814 ongerept. Dit Hoethsveen, groot ruim 34 deimt, was in 1792 door Siccama van mr. H.R. Hoeth aangekocht met de vrije uitvaart naar de Heeren- of grote weg door Midwolda. Mede kocht Siccama van hem 10 deimt afgegraven veen of dalland, waaruit blijkt, dat op deze plaats reeds in de 18e eeuw een aanvang met de vervening was gemaakt. Hiervoor was door Hoeth de wijk gegraven, die zijn naam droeg en daar ze geen aansluiting op de Oude Wijk had, doch in het veen doodliep, in 1814 als moeras wordt betiteld. De afvoer van deze vergraving ging dus uitsluitend langs de Hoethslaan naar Midwolda.
Verder dan het Hoethsveen strekken beide "figuratieve" kaarten, hierboven behandeld, niet.
Wanneer de kopers van 1817 hun belangen hebben afgerond -zie hoofdstuk 3 van de inventaris- geven zij in 1823 aan A.C. Meyer opdracht het geheel in tekening te brengen. De oude wijk is dan in haar vroegere glorie hersteld en doorgetrokken tot Niesoord. De oudst bewaarde weekrekening van 1817 in het archier van Ennemaborgh bewijst met welke energie de nieuwe eigenaren hun zaken hebben aangevat. In een zevental weken van dit jaar werd aan het hergraven van de Oude Wijk ? 5.000,-- verleend; uit de vermelding der betaalde lonen kan worden opgemaakt, dat gedurende de zomermaanden van 1817 hier tussen 80 à 100 gravers werk hebben gevonden. Verder dan Niesoord kon men niet gaan, daar de desbetreffende opstrekkende heerd aan derden behoorde. Eerst later werd de hinderpaal opgeheven.
Het is moeilijk vast te stellen of de hierachter beschreven aankomsttitels, met de bij de aankoop overgelegde oudere bescheiden -een trommel vol perkamenten koopbrieven- het geheel van de rechten van de nieuwe eigenaren dekken. Vermoedelijk is dit, gezien de zorg, die zij voor hun archief hebben gehad, het geval. Het bewijs is echter moeilijk te leveren, daar men voortdurend thans niet meer te identificeren begrenzingen ontmoet, die tijdens de verwerving duidelijk voor de ingewijden waren. Veelal werd op scheidpalen geraaid en daarop de akte geredigeerd. Processen, waarin hun rechten werden betwist, hebben de nieuwe eigenaren niet behoeven te voeren.
Uit een procesverbaal van 1819, bewaard onder nr. 327 van de inventaris, blijkt, dat de oude wijk tot voor korte jaren met een doorsnijding van de Trekweg in het diep had uitgemond, doch dat deze verbinding thans in 1819 was vervallen. Dadelijk stelden de nieuwe eigenaren pogingen in het werk haar te verkrijgen. Na moeizame onderhandelingen slaagden ze hierin en in 1826 werd koninklijke concessie verleend. In verband met het verschil in waterstand moest aan de uitmonding in de Oude Wijk, thans Hoofdwijk een verlaat worden gebouwd en een klapbrug om de doorsnijding van de Trekweg te herstellen. De fraaie tekeningen van deze werken zijn nog in het archief aanwezig.
De voorwaarden, waaronder mocht worden geschut hebben concessionarissen evenwel zovele moeilijkheden bezorgd, dat zij zich, toen het afwateringskanaal Kloosterholt-Nieuwolda tot stand was gekomen, hebben gehaast de concessie prijs te geven en de uitmonding van de Hoofdwijk in het Winschoterdiep te verbreken. Over al de zorgen van de eigenaren om het produkt afgevoerd te krijgen, geeft het lijvige dossier nr. 327 een treffende indruk. Woonde de veenbaas van de familie Siccama vooraan aan de Turflaan bij de tolboom, de heren Telting en van Beyma begrepen, dat hij meer op zijn plaats zou zijn nabij de uitmonding van de Hoofdwijk in het Trekdiep. Voor Jochum Jurgens Lula, de nieuwe veenbaas, werd aanstonds een woning aan het Trekdiep gebouwd, waarin door tevens herberg werd gehouden. Men zal mogen aannemen, dat zich hier in de jaren van de drukke veengraverij heel wat heeft afgespeeld.
Van de administratie van de eerste administrateur Jaco Pieters Bosma zijn alleen een paar kasboeken (nrs. 70 en 71) bewaard gebleven. De opvolger De Leeuw hield lange smalle folio "bestel- en orderboekjes van de Heeren" aan, waarin hij de hem gegeven opdrachten neerschreef. In 1857 werd hij gemachtigd de niet meer in gebruik zijnde administratieboeken naar de zolder boven het koetshuis over te brengen, waar zij begrijpelijk met de tijd in het ongerede zijn geraakt. Hiermede zijn gelukkig slechts bestanddelen van secundaire waarden verloren gegaan, daar de contracten, koopbrieven enz., op het huis bleven berusten. Zoals hier achter kan worden gezien, hield De Leeuw verder dagboeken bij, waardoor hij veel van het gebeuren op Ennemaborgh aan de vergetelheid heeft ontrukt. Ook noteerde hij alles wat hij vermeldenswaard achtte van algemeen belang. Omtrent veeteelt, landbouw, bosbouw, veenexeploitatie in het algemeen, in zijn jaren voorgevallen, schreef hij duizenden aantekeningen neer. Daardoor vormt zijn dagregister een bijdrage tot de geschiedenis van de 19e eeuw en in het bijzonder voor Oostelijk Groningen.
In 1782 volgde zijn zoon Okke de Leeuw hem als rentmeester op. De vader bleef op Ennemaborgh bij de zoon, die gehuwd was en twee kinderen had, inwonen. Lang heeft het otium cum dignitate van Oeds de Leeuw niet geduurd. Binnen enkele jaren kwam Okke de Leeuw, en mede zijn jonge vrouw, te sterven. Met thans nog aangrijpende korte aantekeningen verhaalt Oeds de Leeuw Jet drama, dat zich op het oude huis voltrok. De oude man vatte het vroegere beroep weder op. In 1879 kreeg hij als hulp een zoon van een dochter M. Tiddens, die hij geleidelijk in de zaken inwerkte en die hem tenslotte van zijn taak onthief. Eerst in 1892 sloot Oeds de Leeuw voor goed de ogen. Ook Tiddens hield een dagregister in zijn goede jaren aan. Hierin komen echter -hetgeen aan des grootvaders notulering ontbrak- geregelde aantekeningen voor omtrent weergesteldheden, vogel- en dierenleven, enz.
Omstreeks 1910 werd Tiddens door een ongeneeslijke ziekte getroffen en was zijn opneming tenslotte in een inrichting ter verpleging van geesteszieken noodzakelijk. Na hem kwam zijn enige zoon J.R.P. Tiddens, met de keuze van wien de direkte een minder gelukkige stap -gelijk naderhand zou blijken- is gedaan. tot 1928 heeft deze als rentmeester dienst gedaan, tot een plotselinge dood een einde maakte aan zijn bewind, dat in veel opzichten te kort was geschoten en de N.V. voor vele moeilijkheden stelde.
Hierop is in de opengevallen plaats niet weder voorzien. Een der direkteuren belastte zich van toen af met het geregeld beheer en kwam hiertoe maandelijks enige dagen naar Midwolda, terwijl de veenbaas J. Bos, te voren te Meerland wonende, op het huis werd geplaatst voor de behartiging van de dagelijkse zaken. Met ingang van 1 januari 1946 besloten direkteuren de aandeelhouders voor te stellen de Heidemaatschappij met het algemeen beheer te belasten.
De archiefbescheiden werden in 1994 opnieuw genummerd en verpakt. Aanwinst 1992 5 (inv.nr. 429- 438) werd aan dit archief toegevoegd.
Inventaris
1. Aandeelhouders
2. Bestuur
3. Aankomsttitels
4. Afstotingen
5. Beheer van de rentmeester
6. Waterstand en bemaling
7. Overige onderwerpen
8. Kaarten
Kenmerken
Datering:
(1660-) 1817 - 1964
Beschrijving:
Inventaris van het archief van de N.V. Ennemaborg te Midwolda (O)
Bewerker:
S. Koorn
Laatste Publicatie:
1994
Omvang:
11 m standaardarchiefberging
Raadpleging:
Deze stukken worden bewaard in onze depots in Hoogkerk. Klik hier voor nadere informatie over de inzage
Bijzonderheden:
Betreft herziene versie uit 1948
Vindplaats:
Categorie:
Archiefvormer(s)::
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS