Uw zoekacties: Kerspel Aduard, 1796 - 1814
x4 Kerspel Aduard, 1796 - 1814 ( Groninger Archieven )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

4 Kerspel Aduard, 1796 - 1814 ( Groninger Archieven )
Zoek in deze archieftoegang
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
Een groot aantal boeken zijn er al geschreven, waarin soms één enkele alinea, soms een heel hoofdstuk, aan de Groningse kerspelen wordt gewijd. Heel weinig is er echter geschreven, waarbij het kerspel het hoofdonderwerp van de publikatie vormt. Ik heb al die gedeelten uit de literatuur, die op de kerspelen betrekking hebben en geschreven zijn vanuit de meest uitéénlopende gezichtspunten, gebundeld tot één verhaal. Daarbij ben ik uitgegaan van de Ommelander kerspelen (de kerspelen in Hunzingo, Fivelgo en het Westerkwartier). De verschillen met de kerspelen in de stadsjurisdicties (het gericht van Selwerd en de rechtstoel van Sappemeer, de Oldambten en Westerwolde), zoals Van Loon die aangeeft *  , vermeld ik aan het eind van deze inleiding.
Het woord kerspel heeft volgens het Woordenboek der Nederlandse Taal twee betekenissen: in de eerste plaats is het de naam voor een zeker kerkelijk gebied, een kerkelijke gemeente. In en sedert de middeleeuwen, de naam voor het gebied, waarover een pastoor in naam van de bisschop het bestuur vormt. In de tweede plaats is het de naam voor een burgerlijk gebied, een burgerlijke gemeente, uit, of op het terrein van een kerkelijk kerspel ontstaan en soms, oorspronkelijk zeker, met het grondgebied daarvan samenvallende.
De kerspelen waren over het algemeen vrij klein. Wanneer men bedenkt dat er in 1981 in de provincie Groningen 50 gemeenten bestonden en dat B.W. Siemens in zijn toelichting bij zijn kaart met kerspelgrenzen *  162 kerspelen noemt, dan kan men nagaan wat de gemiddelde grootte van de kerspelen moet zijn geweest. Toen in 1555 voor ieder kerspel de hoogte van de aanslag in de grondbelasting opnieuw werd bepaald, zijn er lijsten opgemaakt, waarop de grootte van de verschillende kerspelen precies werd vermeld. Eén van deze lijsten kunt u vinden in het familie-archief Clant van Hanckema *  .
Wanneer we het één en ander willen weten over het ontstaan van de Groningse kerspelen, dan moeten we terug gaan in de tijd naar de periode dat de eerste volksgemeenschappen zich in deze streken vestigden. We komen dan terecht bij de oud-germaanse marken. Het woord mark, ook wel marke, merk of markt, betekent eigenlijk grens. Hiervan afgeleid is de meer algemene betekenis van het woord mark, namelijk een bepaald gebied, binnen bepaalde grenzen gelegen. Die eerste gemeenschappen die zich hier vestigden vonden hun bestaan in de landbouw en veeteelt. Zij kenden behalve huizen, met de daarbij gelegen gronden in partikulier bezit, ook grotere of kleinere oppervlakten, die bij verschillende personen in gemeenschappelijk gebruik waren. Deze gemeenschappelijke gronden worden marken of buurschappen genoemd.
Een enkele uitzondering daargelaten, zijn alle geschiedkundigen het er over eens dat deze gemeenschappelijke gronden overal in de Friese landen, en dus ook in Groningen, voorkwamen. Zo zouden de Groningse hamrikken duiden op het bestaan van marken. Het woord hamrik of hemmerk, wat de oorspronkelijke vorm van het woord is, zou mark der woonplaats of dorpsmark betekenen.
Tot één van de uitzonderingen die niet geloven in het bestaan van marken in de Friese landen behoort Mr. J.G.C. Joosting *  . Hij meent dat marken alleen hebben bestaan in de van oorsprong Saksische streken, dus voor wat Groningen betreft, in het grootste deel van Wedde en Westerwolde (niet in Vriescheloo), in het oude Wold (niet in Go) en in Midwolde (Westerkwartier). Het Gorecht, ook wel geheten het Gericht van Selwerd, heette in de middeleeuwen Go en Wold. Wold omvatte Noordlaren en Haren, Go (Ghoe) omvatte Noorddijk, Middelbert, Engelbert en Westerbroek. Joosting zegt dat het woord hamrik inderdaad wel eens de betekenis van mark heeft, maar dat het in Groningen in de eerste plaats de betekenis heeft van "waterschap", althans van een samenvoeging van gronden, die wij met die term plegen aan te duiden.
Het gebruik van die "gemene" gronden was niet gebonden aan rang of stand, maar aan het bezit van een huis en de daarbij gelegen grond. Tegenover het recht van gebruik stond de verplichting tot het mede onderhouden van die voorwerpen, die ten dienste van de gemeenschap stonden, als wegen, stegen en waterkeringen. In dat gemeenschappelijk beheer van de marke en dat gezamenlijk onderhouden van de gemeenschapsgoederen, ligt het ontstaan van de kerspelen.
Uit het voorgaande blijkt dat het ontstaan van de kerspelen vóór de kerstening valt te dateren. Het is dan ook niet juist, zoals het Woordenboek der Nederlandse Taal stelt, dat het burgerlijk kerspel uit, of op het terrein van een kerkelijk kerspel zou zijn ontstaan. Het burgerlijk kerspel is immers ouder dan het kerkelijk *  . Daarbij moet wel worden bedacht dat het woord kerspel, waarin overduidelijk het woord kerk zit, natuurlijk pas na de kerstening gebruikt zal zijn. Tot zover het verre verleden, een tijd waarover we door gebrek aan bronnen weinig met zekerheid kunnen zeggen.
In de middeleeuwen vormden landbouw en veeteelt de economische grondslag van het bestaan. Het boerenbedrijf, de edele heerd, werd beschouwd als de basis van de samenleving. Dit had tot gevolg dat de bevoegdheid om deel te nemen aan rechtvorming, bestuur en rechtspraak op grondbezit werd gebaseerd *  ; alleen als eigenaar van een edele heerd had men deel aan bestuur en rechtspraak in de kerspelen.
Wat is nu zo'n edele heerd? Onder een edele *  heerd wordt verstaan een boerderij met een bepaald aantal grazen daaraan verbonden. Het aantal grazen is bepalend voor het feit of de heerd edel is of niet, of er al dan niet rechten als buur- en redgerrechten, zijl- en dijkrechten en collatierechten op rusten. (Collatierecht is het recht in een kerkelijke gemeente de predikant, koster en organist te mogen beroepen). In de middeleeuwen is het zo dat er afhankelijk van tijd en plaats verschillen voorkomen in dat vereiste aantal grazen. Zo bepaalt de Constitutie van de Westerwarf van 1455 *  "dat ne gheen man sall rechter wesen, hie en hebbe eghen hemynge ende huus, ende teyn grase landes, die sien eghen sint....". Daarnaast is er in een constitutie van de Westerwarf van 1467 *  sprake van het aantal van 15 grazen. In de eerste helft van de 16e eeuw, ten tijde van de constituering van de Staten van Stad en Lande, wordt dat aantal vastgesteld op 30 grazen. Bovendien bestaan er de bepalingen dat deze 30 grazen in hetzelfde kerspel moeten liggen en dat de eigenaar in dat kerspel moet wonen. Dat aantal van 30 grazen blijft gehandhaafd tot aan de afschaffing van de heerlijke rechten in de Franse tijd.
Vóór de reorganisatie van de rechtspraak in de plattelandskringen in 1803 zijn de Ommelanden verdeeld in een groot aantal rechtstoelen. B.W. Siemens noemt er 71, ongeveer de helft van het aantal kerspelen. Zij komen voor onder de benaming rechtstoel, maar ook onder redschap, grietenij, gericht of jurisdictie. Kijken we naar de historische atlas van Siemens, dan valt op dat de jurisdictiegrenzen veelal met de kerspelgrenzen samenvallen, zo, dat twee of meer kerspelen samen een rechtstoel vormen. Waarschijnlijk zijn alle Ommelander rechtstoelen verdeeld geweest in een aantal onderdelen, in zogenaamde klauwen of kluften *  .
Vaak kwamen de namen van deze klauwen overeen met die van dorpen, gehuchten en dergelijke. Een voorbeeld hiervan is het gericht van Oosterwijtwerd, dat uit de klauwen Wijtwerd, Ranswerd, Jukwerd, Krewerd, Siboldeweer, Nes en Katmis bestond. Hierbij waren de klauwen Wijtwerd en Krewerd geheel gelijk aan de kerspelen van die naam. Aan de andere kant kon een kerspel ook verscheidene klauwen omvatten. Zo waren bijvoorbeeld de kerspelen Stedum, Westeremden en Garsthuizen in respectievelijk 6, 4 en 2 klauwen verdeeld. Bekend zijn ook de verschillende kluften in de stad Groningen.
Het woord klauw *  komt dus voor in de betekenis van een onderdeel van een rechtstoel, dat al dan niet samenvalt met een kerspel, en het komt voor in de betekenis van een onderdeel van een kerspel. Hetzelfde verschijnsel doet zich voor bij het woord buurschap. Ook dit woord wordt zowel gebruikt ter aanduiding van een kerspel, als van de mogelijke onderdelen daarvan.
Stukken betreffende een kluft in de betekenis van een onderdeel van een kerspel bevinden zich bijvoorbeeld in het archief van de familie Hora Siccama. Onder de inv. nrs. 445 t/m 449 bevinden zich stukken betreffende de Oldersummerkluft. Deze kluft of klauw, ten noorden van Ten Post in het kerspel Wittewierum gelegen, is genoemd naar het steenhuis Oldersum *  dat daar heeft gestaan.
Inhoudelijk doen de stukken van dergelijke klauwen sterk denken aan de archieven van nabergilden. Dat zijn instellingen van sociale zorg. Veelal verenigingen waar alle ingezetenen van een bepaalde kluft lid van zijn en die tot doel hebben elkaar wederzijds hulp en ondersteuning te verlenen in geval van ziekte, brand, nood en dood. De stukken betreffende de Oldersummerkluft hebben vooral betrekking op armenzorg.
De archieven van kluften en nabergilden zijn inhoudelijk wezenlijk anders dan de kerspelarchieven. Om die reden heb ik de archieven van kluften en nabergilden niet in de verzameling inventarissen opgenomen, hoewel dit in eerste instantie wel de bedoeling was. Als uitzondering moet ik hier dan wel noemen de archiefstukken afkomstig van de kluftmeesters van Winschoten.
Het kerspel Winschoten was verdeeld in 4 kluften. Volgens het reglement van de Winschoter kluftmeesters *  werd er in iedere kluft 1 kluftmeester gekozen. Deze kluftmeesters waren ondermeer belast met het toezicht op wegen, stegen, straten, diepen, goten en op het bouwen van huizen. Zij moesten waken voor het los lopen van vee, wangedragingen op de openbare weg enz., werkzaamheden die in andere kerspelen door volmachten of dijk- en zijlrechters werden verricht. Hieruit volgt al dat stukken afkomstig van de kluftmeesters van Winschoten hetzelfde karakter dragen als de stukken uit een kerspelarchief, en in niets doen denken aan stukken afkomstig van nabergilden, hoewel het woord kluftmeester daar eerst wel aan doet denken.
Hierboven had ik het er over dat de bevoegdheid om deel te nemen aan bestuur, rechtspraak en rechtsvorming in de middeleeuwen was verbonden aan grondbezit. Zo werd binnen iedere jurisdictie het recht om het rechtersambt uit te oefenen verbonden aan het bezit van een edele heerd. Een heerd met het vereiste aantal grazen viel om de zoveel jaar één jaar lang het buur- of redgerrecht binnen die jurisdictie toe. Zo kwam iedere heerd een keer aan de beurt, het recht "ging om" over de verschillende heerden, zoals dat heet. Het aantal heerden dat het recht toekwam was over het algemeen niet voor verandering vatbaar. Het omgaan van het recht verliep dus volgens een vast patroon. Om nu te bepalen welke heerd de "ommegang" toekwam, zijn er in het verleden roosters opgemaakt, zogenaamde klauwbrieven. Sommige van deze klauwbrieven geven alleen de ommegang aan van het redgerrecht, anderen ook van andere rechten, als buurrechten, dijk- en zijlrechten en rechten verbonden aan het schepperschap. Deze roosters komen in verschillende vormen voor, onder verschillende benamingen, als klauwbrief, klauwlijst, klauwboek of klauwregister. Men treft ze voornamelijk aan in huis- en familiearchieven.
Omdat vóór 1795 burgerlijk- en waterstaatsbestuur niet gescheiden waren en omdat in een laag gebied als de Ommelanden de strijd tegen het water van het grootste belang was, kan de organisatie op waterstaatsgebied hier niet onbesproken blijven.
Vroeger berustte de zorg voor de afwatering, maar vaak ook voor dijken, wegen, bruggen, sluizen enz. bij organen te vergelijken met de huidige waterschappen, zogenaamde zijlvesten - ook wel zijlvesting of zijlvestenij genaamd - en dijkrechten *  . Het bestuur van deze zijlvesten en dijkrechten was opgedragen aan zijlrechters en dijkrechters. De meeste zijlvesten en dijkrechten waren van ouds verenigd tot schepperijen. Zo'n schepperij stond onder leiding van een schepper, een soort van overrechter voor zijl- en dijkrechters. Tegen invloeden van buitenaf, vooral tegen de toenemende macht van de stad Groningen, en ter behartiging van andere belangen sloten de schepperijen en ook wel de niet tot schepperijen verenigde zijlvesten zich aaneen en verenigden zich tot grotere zijlvesten of zijlvestenijen, meest onder overste-scheppers en scheppers. Ook kleinere verenigden zich tot een grotere dijkrecht. De kleinere zijlvesten en dijkrechten bleven daarin met een vrij grote mate van zelfstandigheid onder hun eigen zijl- en dijkrechters bestaan.
Eén van de werkzaamheden van de zijl- en dijkrechters bestond uit het innen van zijlschot, ook wel eenvoudig "schot" genaamd, een door de ingelanden - zij die geland zijn, d.w.z. zij die grondbezit hebben - te betalen bedrag ten behoeve van zijlen (sluizen) of in ruimere zin van de afwatering in zijl- en dijkrechten, schepperijen en grote zijlvesten. Behalve, dat de ingelanden schot betaalden, waren ze in vroegere tijden ook verplicht tot gemeenschappelijk werk aan de onder het zijlvest behorende goederen. De zijl- en dijkrechters waren ook belast met de schouw, de inspectie, van die goederen. Overtredingen straften ze volgens het zijl- of dijkrecht, dat te onderscheiden is van het gewone landrecht, evenals ook de rechters verschillend zijn.
Het is evenwel niet zo, en dat blijkt ook al uit de opmerking dat burgerlijk- en waterstaatsbestuur niet gescheiden waren, dat er een scheiding van werkzaamheden gemaakt kan worden tussen kerspel en zijlvest. Soms ligt de zorg voor dijken, wegen, bruggen enz. bij het kerspel, soms bij het zijlvest. Deze verstrengeling van verantwoordelijkheden wordt zelfs nog groter als de funkties van zijlrechter en kerspelvolmacht of schatbeurder door één en dezelfde persoon worden uitgeoefend. Kerspelvolmachten en schatbeurders zijn ten behoeve van het kerspel werkzame personen. Over deze mensen zal ik straks nog iets zeggen. Duidelijke voorbeelden van deze verbindingen tussen burgerlijk- en waterstaatsbestuur zijn bijvoorbeeld te vinden in de archieven van het Vierkarspelen- en van het Bellingwolderzijlvest, later Vijfkarspelenzijlvest.
Hieruit volgt al, dat net zoals dat bij de klauwboeken het geval was, ook de archieven van de voormalige zijlvestenijen en dijkrechten bij de reconstruktie van de oude dorpsgemeenschappen van grote waarde zijn.
Nadat in de middeleeuwen de bevoegdheid om deel te nemen aan bestuur, rechtspraak en rechtsvorming op grondbezit werd gebaseerd, werden de heerlijke rechten al vrij spoedig, zij het min of meer geleidelijk, weer gescheiden van de edele heerden. De redgerrechten, zijl- en dijkrechten, de collatierechten en de rechten met betrekking tot het vervullen van het schepperschap werden als losse koopwaar verhandeld. De eerste keer dat dit gebeurt, voor zover ik dit ben tegengekomen, is in 1416 *  . Dat los verkopen van de rechten leidde er toe dat op sommige plaatsen de heerlijke rechten "staande" werden, d.w.z. dat ze niet meer omgingen over de edele heerden, maar bij één persoon terechtkwamen.
Het gevolg van dit alles is dat bepaalde personen een groot aantal rechten en dus grote invloed en gezag wisten te bemachtigen. Je krijgt dan wat wel wordt genoemd de Heren van het dorp, de jonkers en hoofdelingen. Tekenend voor de enorme macht van de Heren, en vooral van het misbruik dat er wel van die macht werd gemaakt, is art. 20 van het Reglement Reformatoir (1749). Hierin staat dat het niet langer geoorloofd is, "onder wat voorwentzel of naam 't zy, van vacatien off diergelijke, boeten te vorderen van die geene, dewelcke niet schuldig aan overtredingen zijn bevonden". Het wordt de grietmannen, de over- en lankrechters, de redgers, de scheppers enz. dus vanaf dat moment verboden iemand te beboeten als deze geen overtreding heeft begaan.
In de oude bewaard gebleven accoorden en verdragen wordt dikwijls gesproken van de "meene meente" of de "gemeene meente" van de kerspelen, dorpen of landen, die wordt opgeroepen tot het gezamenlijk beramen of beslissen *  . Een onduidelijk begrip is dit. Soms wordt er de gehele bevolking mee bedoeld, soms alleen de eigenerfden, zij die een eigen erf of grondbezit hebben. Dit houdt verband met de ontwikkeling die ik eerder aangaf; aanvankelijk heeft iedereen, ongeacht rang of stand, deel aan bestuur of rechtspraak, maar als de bevoegdheid om deel te nemen aan bestuur wordt gebaseerd op een bepaald minimum bezit aan grond, wordt die groep geleidelijk kleiner.
Later wordt er ook wel gesproken van de "vulmachten der carspelen". Dat zijn speciaal voor een bepaald doel gekozen volmachten, voor incidenteel te regelen zaken, als inkwartiering, het plaatsen van straatlantaarns, het graven van een haven enz. In een ordonnantie van Burgemeesters en Raad van Groningen van 1669 over de volmachten in de Oldambten, wordt er gesproken van volmachten die "ad speciales et necessarios actus", speciaal voor een bepaald doel worden gekozen *  .
Behalve deze volmachten die gekozen worden voor onbepaalde tijd, voor zolang de werkzaamheden voortduren, worden er ook volmachten gekozen voor van te voren vastgestelde termijnen. Zo wordt er bijvoorbeeld in het regerings-reglement van de Ommelanden van 1659 (Ommelander Archief, inv. nr. 712) gesproken van het kiezen van volmachten voor de landdag (vergadering van de Staten). Deze volmachten worden gekozen voor de tijd van 2 jaar. Ook werden er wel volmachten gekozen, hoewel misschien meer in latere tijd, voor de tijd van 1 jaar. De volmacht van het kerspel Noordbroek is daar een voorbeeld van.
En nu komen we bij de essentie. Hoewel er met "meene meente" en kerspel-volmachten een aanzet tot bestuursvorming lijkt te zijn gegeven, is dit er nooit van gekomen! * 
De kerspelen hebben geen enkele staatsrechtelijke bevoegdheid gekregen, geen eigen bestuur, geen eigen huishouding of administratief beheer, steunend op wettelijke verordeningen. Weliswaar vormden de eigenerfden, of wanneer deze er niet waren de volmachten, van de kerspelen mede de Staten van het gewest op de landdagen van Stad en Ommelanden, maar zij vertegenwoordigden daar niet hun kerspelen, maar zoals art. 8 van het eerder genoemde Reglement Reformatoir het zegt, samen met jonkers en hovelingen vertegenwoordigden zij de drie kwartieren van de Ommelanden *  .
Een rechtstreeks verband tussen het kerspel en het staatsgezag ontbrak geheel, een orgaan dat het kerspel naar buiten toe vertegenwoordigde was dan ook niet nodig *  . Ook de "Heren", de jonkers en hovelingen, kunnen in staatkundig opzicht niet als dorpshoofd, als leider van de "meene meente", worden beschouwd. Zij hebben daarentegen zelfs remmend gewerkt op de ontwikkeling van het dorpsbestuur. De Historie van Groningen zegt het als volgt: "Naast hen of onder hen kon nauwelijks een dorpsbestuur ontstaan". * 
Toch leidde hier en daar de behartiging van geregeld terugkerende werkzaamheden, zoals het organiseren van jaarmarkten, het nemen van maatregelen tegen brand en het onderhouden van de dorpsstraat, tot de vorming van een primitief kerspel-bestuur. De grondslag daarvoor was de rekendag.
Tijdens de Republiek bestonden er in de provincie Groningen twee soorten belastingen, generale middelen en verponding. *  De generale middelen waren helemaal in handen van provinciaal bestuur. Zij spelen in dit verband geen rol. De verponding, een grondbelasting, komt voort uit de eerdere jaartaxen. De eerste gegevens over deze jaartaxen gaan terug tot 1506 *  . In dat jaar wordt een bedrag van 6000 florenen gras-gras gelijk over de Groningse kerspelen omgeslagen. Dat wil zeggen dat niet de verschillende landgebruikers afzonderlijk, maar het kerspel als geheel voor een bepaald bedrag werd aangeslagen. Gras-gras gelijk wil zeggen dat er voor ieder stuk land, in één en hetzelfde kerspel gelegen, in verhouding tot zijn grootte - gerekend in grazen - evenveel moest worden betaald. Na deze jaartaxen wordt rond 1600 de verponding ingevoerd. Als maatstaf voor de hoogte van de aanslag in de verponding werd de huurwaarde der landerijen genomen. Die huurwaarde werd voor het hele kerspel berekend, waarna ook nu de landgebruikers de kerspel-quote, het bedrag waarvoor het kerspel werd aangeslagen, gras-gras gelijk opbrachten. Waren opmeting en taxatie éénmaal achter de rug dan stond, tot een volgende herwaardering (redres) althans, de kerspelquote vast.
Het bedrag dat ieder kerspel moest betalen werd opgetekend in zogenaamde schatregisters, ook wel verpondingsregisters genoemd. Voorbeelden van dergelijke schatregisters zijn de in de inleiding bij de inventaris van het kerspel-archief Godlinze genoemde registers: handschrift in quarto nr. 133 en Staten Archief inv. nr. 707. Behalve dit soort schatregisters bestaan er ook schatregisters die niet alleen het totaalbedrag waarvoor het kerspel is aangeslagen vermelden, maar ook hoe de kerspelquote over de verschillende landgebruikers werd aangeslagen. Ze geven de namen van de landgebruikers, soms ook van landeigenaren, het aantal grazen dat in hun bezit is, het te betalen bedrag per gras en het te betalen totaalbedrag. Bekende voorbeelden hiervan zijn de schatregisters uit het Staten Archief, met name de inv. nrs. 2145 en 2146.
Aanvankelijk varieerde het aantal heffingen (verpondingen) dat de Staten jaarlijks uitschreven. In de 2e helft van de 18e eeuw zijn het er voortdurend zes. Eens per jaar werd er toen een toeslag van 10% van één verponding geheven. Deze verhoging diende als afkoopsom van een vroegere belasting die werd geheven bij de verkoop van een paard. Deze verhoging ontleende daarvan ook zijn naam: "paardepacht". Behalve de gewone verponding zult u bij uw onderzoek in de kerspelarchieven de vermelding nieuwe- en extra-verponding tegenkomen. Daarbij is het nuttig te weten dat Van Winter een opsomming geeft van kerspelen die nieuwe en/of extra-verponding betaalden over nieuw aangewonnen land. * 
Het innen van de omslagen en het afdragen aan de ontvanger-generaal in Groningen gebeurde door een door de schatgravers, de belastingplichtigen, zelf gekozen schatbeurder. Om een indruk te krijgen, waaruit de werkzaamheden van deze schatbeurders zoal bestonden, zie de door Dr. W.J. Formsma geschreven inleiding bij de archieven van de kerspelen Noordbroek en Noordbroeksterhamrik. Eénmaal per jaar werd de door de schatbeurder gevoerde administratie door de eigenerfden en schatgevers nagekeken, de rekening werd afgehoord zoals dat heet. Dit gebeurde op die eerder genoemde rekendagen. Op die dagen en ook wel op andere samenkomsten werden ook de volmachten en de schatbeurder door de eigenerfden en schatgevers gekozen. Het is zeer aannemelijk dat er op die bijeenkomsten ook andere zaken ter sprake kwamen.
Uit het voorgaande bleek al dat het kerspel over het algemeen maar weinig had te onderhouden. Ook al was het weinig, er was toch geld voor nodig. Dat geld werd in sommige kerspelen verkregen door het heffen van huurschattingen, die ook weer door de schatbeurder werden opgehaald. Anderen gebruikten hiervoor het bedrag dat teveel aan verponding was opgehaald. Weer anderen hadden inkomsten uit gemeenschappelijk bezit.
Het ligt bij een oppervlakkige benadering voor de hand dat bij de vorming van de Groningse gemeenten, in de periode 1795 - 1808 *  , de kerspelen zouden zijn opgeheven. Dit is echter niet gebeurd. Omdat burgerlijk- en waterstaatsbestuur werden gescheiden, en de nieuw gevormde plaatselijke besturen alleen het burgerlijk bestuur op zich namen, behielden de kerspelen hun onderhoudsplicht van sommige ("waterstaat-") objekten, wegen, bruggen enz. Ook hun goederen en schulden werden niet door de nieuwe besturen overgenomen. Evenmin kwam er een regeling om de rechtstoestand ten aanzien van hun goederen te regelen. De oorzaak hiervan ligt vooral in het onvermogen van de plaatselijke besturen om de kerspelschulden en -plichten over te nemen. Het beeld dat de kerspelen na de vorming van de plaatselijke besturen te zien geven, verschilt in sterke mate van dat van de "oude" kerspelen. Er ontstaat een totaal verschillend lichaam.
Het zou dan ook zijn aan te bevelen om de nieuwe kerspelen, ter onderscheiding van de oude, een nieuwe naam te geven. Zo hier en daar gebeurt dit in de literatuur gelukkig ook. Er wordt dan gesproken van kerspel-organisaties. Een typerend beeld van zo'n Ommelander kerspel-organisatie geeft dat van Slochteren te zien. Als het archief van het kerspel Slochteren van vóór 1808 bewaard zou zijn gebleven, zou dit, in tegenstelling tot het archief van na 1808, stellig een levendig beeld te zien gegeven hebben. De archiefstukken zouden voor bijna elk denkbaar onderzoek gebruikt kunnen worden, vooral omdat men in die oude archieven de meest onverwachte aantekeningen vind.
Hierbij denk ik bijvoorbeeld aan het rekenboek van Roelof Janssen (Kerspel-archief Ulrum, inv. nr. 1), waarin aantekeningen zijn te vinden over zijn reizen per trekschuit naar de stad Groningen, aantekeningen over belasting-ontvangsten van op begrafenissen gedronken bier, zeer uitgebreide aantekeningen over gemaakte onkosten wegens het overlijden van zijn vrouw, aantekeningen over voor zijn verschillende dienstmeiden gemaakte onkosten enz. In zijn rekenboek heeft hij zelfs twee recepten genoteerd; een recept tegen "lammicheyt ende alle pijne in de leden" en een recept "voor 't graviel". * 
Na 1808 blijft er in Slochteren van het oude "levendige" kerspel enkel een organisatie voor het beheer van het vroegere gemeenschappelijke bezit over. Dat bezit bestaat dan uit niet meer dan enkele percelen land, de "oude wegen" genaamd. De schatbeurder is verdwenen. De kerspelvolmachten worden weliswaar nog enige tijd gekozen, maar zij staan niet meer dicht bij de bevolking. Na verloop van enige jaren zijn zij vergeten. Het beheer van de "oude wegen" wordt door gebrek aan belangstelling gevoerd door de burgemeester. En er worden over de opbrengsten zelfs vragen gesteld door dorpsbewoners, die van vroeger meenden te weten dat de opbrengsten ten goede aan de dorpsgemeenschap moesten komen (kerspel-archief Slochteren, inv. nr. 5).
Het archief van de kerspel-organisatie bevat bijna alleen gegevens van financiële aard, koel en zakelijk; een register van inkomsten en uitgaven, en een aantal betalings-bewijzen om de uitgaven te verantwoorden.
Die ontwikkelingslijn van het "levendige" kerspel, van vóór de vorming van de plaatselijke besturen, naar het "langzaam weg kwijnende" kerspel, van na de periode 1795 - 1808, valt niet alleen in Slochteren te constateren. Ook uit andere kerspel-archieven van na 1808 blijkt dat het belang van en de belangstelling voor het kerspel afneemt. De kerspel-vergaderingen worden steeds slechter bezocht en steeds vaker blijkt dat men liever van zijn verplichtingen af wil. Op een gegeven moment verdwijnen ze, terwijl hun lasten en lusten overgaan op de gemeente waarvan hun werkterrein deel uitmaakt. Maar er zijn meer redenen waarom de kerspelen verdwenen zijn. Door oprichting van nieuwe waterschappen of de aanleg van kunstwegen zijn sommige kerspelen geheel of ten dele van hun onderhoudsplicht ontheven. Sommigen hielden daardoor op te bestaan. De kerspelen in de Vierkarspelen- en het Bellingwolderzijlvest, later Vijfkarspelenzijlvest, Beerta, Nieuw-Beerta, Blijham, Bellingwolde en Winschoten gaan samen met het kerspel Finsterwolde in 1864 op in het waterschap Reiderland.
Voor slechts twee kerspelen, Ezinge en Feerwerd, is gebruik gemaakt van de bevoegdheid die art. 217 van de Gemeentewet aan de gemeenten geeft, luidende: "afzonderlijke lasten en inkomsten, in bijzondere afdeelingen eener gemeente, kunnen, waar het nodig is, bij een besluit van den raad, onder Onze goedkeuring, Gedeputeerde Staten gehoord, worden toegelaten. Gedeputeerde Staten regelen, onder Onze goedkeuring, het verband dezer afzonderljke huishoudingen met de algemeene huishouding der gemeente, overeenkomstig het stelsel dezer wet". In 1855 is er zo'n afzonderlijke huishouding in de gemeente Ezinge voor beide kerspelen ingericht. Lang heeft deze instelling echter niet stand gehouden. Op een afrit na, die in onderhoud bij het waterschap Westerkwartier is gekomen, zijn alle objekten in onderhoud naar de gemeente overgegaan.
Aan het begin van deze inleiding stelde ik dat ik zou uitgaan van de Ommelander kerspelen en dat ik de verschillen met de kerspelen in de stadjurisdicties aan het eind zou vermelden.
Deze zijn de volgende:
1 De eigenerfden of volmachten van de Ommelander kerspelen vertegenwoordigen samen met jonkers en hovelingen de drie kwartieren (Hunzingo, Fivelgo en het Westerkwartier) in de Staten van Stad en Lande. Zij hadden dus de mogelijkheid om de landdagen bij te wonen. Voor de bewoners van de kerspelen in de stadsjurisdikties was dit niet mogelijk. Zij misten in hun landrechten de bevoegdheid die het Ommelander landrecht aan het grondbezit gaf.
2 Het gezag van de stad liet zich voor wat betreft wetgeving en bestuur sterker voelen dan in de Ommelanden. Zo bevat het "protocol van het karspel Winschoten" (Archieven van het Vierkarspelen- en van het Bellingwolderzijlvest, later Vijfkarspelenzijlvest, inv. nr. 7) voor een groot deel afschriften van besluiten van Burgemeesters en Raad van Groningen die op dat kerspel betrekking hebben.
3 In tegenstelling tot de Ommelander kerspelen hadden de kerspelen in de stadsjurisdikties de bevoegdheid met of zonder goedkeuring van hoger gezag zogenaamde willekeuren te sluiten, dat zijn uit vrije wil aangegane overeenkomsten tussen kerspellieden. Willekeuren werden vooral gesloten ten aanzien van de regeling van waterschapsbelangen. Ook de Ommelander kerspellieden treffen wel onderlinge overeenkomsten, maar zij konden daar geen rechtsgeldigheid krachtens enig bestuursgezag aan doen toekomen.
4 In de stadsjurisdikties treden sommige kerspelen meer op de voorgrond als zelfstandige en onafhankelijke delen van de grote zijlvestenijen, onder eigen gekozen bestuurders. Zo bijvoorbeeld de kerspelen Beerta, Nieuw-Beerta, Bellingwolde, Blijham en Winschoten, die samen het Vijfkarspelenzijlvest vormden.
Waar kunt u kerspel-stukken tegenkomen? In de eerste plaats, en dat ligt nogal voor de hand, in kerspel-archieven. Voor zover ik deze kerspel-archieven ben tegengekomen, staan ze beschreven, of worden ze althans genoemd, in deze verzameling van inventarissen. In de tweede plaats in de archieven van instanties die brieven, klachten, verzoeken e.d., van de kerspelen hebben ontvangen of van instanties waarvan stukken zijn uitgegaan naar bepaalde kerspelen. Veel van dit soort kerspel-stukken zijn te vinden in de archieven van de provinciale overheden. In de archieven van de Staten van Stad en Lande (1594 - 1798), de Staten van de Ommelanden (1558 - 1796), de gewestelijke besturen (1798 - 1814), het provinciaal archief vanaf 1814 en de archieven van de Hoge Justitie Kamer (1444 - 1811).
Uit deze inleiding zal ook duidelijk zijn geworden dat er een groot aantal kerspel-stukken in de archieven van de voormalige zijlvestenijen en dijkrechten en in de archieven van de waterschappen te vinden zullen zijn. Ten derde kunt u kerspel-stukken tegenkomen in familie- en huisarchieven. Dit zijn dan veelal stukken die eigenlijk niet in die archieven thuis horen. Om een voorbeeld te noemen: in de archieven van de families Heres, Diddens en Uniken zit onder inv. nr 196 een verzoekschrift door de volmachten van Oudeschans aan de inwoners om hulp bij het uitgraven van een oude haven. Dit stuk is doordat bepaalde leden van de familie Heres bij die werkzaamheden betrokken waren, in dat familie-archief terecht gekomen, hoewel het daar duidelijk niet in thuis hoort. Het zou een onbegonnen werk zijn om al dit soort stukken uit die familie- en huisarchieven te lichten en terug te brengen tot de kerspel-archieven waartoe zij behoren. Om nog maar te zwijgen over de vraag of dat wel mag. Ook het maken van verwijzingen naar al dit soort stukken zou te ver voeren.
In deze verzameling van inventarissen van kerspel-archieven, voor zover aanwezig in het Rijksarchief in Groningen, heb ik de reeds bestaande inventarissen, ook al waren ze volgens verschillende systemen ingedeeld, intact gelaten. Het voordeel van één systeem woog niet op tegen het nadeel van omnummering.
Mijn streven bij het samenstellen van deze verzameling van inventarissen is steeds een zo groot mogelijke volledigheid geweest. Zo heb ik niet alleen alle kerspelarchieven vermeld die elders berusten (zie het als ten derde genoemde gedeelte van het kerspelarchief Winschoten, hieronder). Ter verduidelijking wil ik hier noemen het kerspel Winschoten. Onder de kerspel-stukken van Winschten vermeld ik:
1 De stukken afkomstig van de kluftmeesters.
2 Het kerspelarchief Winschoten, onderdeel van de archieven van het Vierkarspelen- en van het Bellingwolderzijlvest, later Vijfkarspelenzijlvest. Deze archieven vormen niet één geheel, maar bestaan eigenlijk uit de afzonderlijke archieven van de kerspelen Beerta, Nieuw-Beerta, Blijham, Bellingwolde en Winschoten, met daarnaast de archieven van het Vierkarspelenzijlvest en van het Vijfkarspelenzijlvest. In 1864 zijn de rechten, plichten en lasten van het Vier-, later Vijfkarspelenzijlvest, waartoe ook behoorde het kerspel Winschoten, overgegaan op het waterschap Reiderland. Dat betekent voor het archief van het kerspel Winschoten dat het beschouwd moet worden als gedeponeerd archief bij het archief van het waterschap Reiderland.
Om toch de zo groot mogelijke volledigheid te krijgen waar ik het over had heb ik de beschrijvingen uit Mr. J.A. Feith's catalogus hier overgenomen. Onder deze beschrijvingen heb ik in een noot het inventarisnummer van de archieven van het Vier-, later Vijfkarspelenzijlvest genoteerd. De betreffende archiefstukken moeten dan ook onder dat nummer ter inzage worden aangevraagd.
Dit opnemen van beschrijvingen onder blanco nummers heb ik op meerdere plaatsen in deze verzameling van inventarissen moeten doen.
3 Het kerspelarchief Winschoten, 2 delen, die nog bij het waterschap Reiderland berusten.
Het streven naar volledigheid betekende ook dat ik de beschrijvingen van een groot deel van de archieven van het Veendammer Beneden Verlaat en van het Wildervankster Participanten Verlaat hier moest opnemen. Namelijk de beschrijvingen van die archiefstukken die ontvangen en/of opgemaakt zijn in de tijd dat de beide verenigingen meer als kerspel dan als waterschap moeten worden beschouwd. In de inleiding bij het archief van het Wildervankster Participanten Verlaat vertel ik waarom dit verlaat tot 1858 meer als kerspel dan als waterschap moet worden beschouwd.
In 1858 gaat het Wildervankster Participanten Verlaat op in het waterschap van die naam, waardoor ook het archief van het Participanten Verlaat als gedeponeerd archief bij het Waterschapsarchief moet worden beschouwd. Om die reden heb ik ook hier met blanco nummers moeten werken.
Uit het voorgaande zult u al wel begrepen hebben dat ik behalve deze algemene inleiding ook bij de meeste inventarissen een inleiding heb geschreven betreffende dat bepaalde kerspel of archief. Op het geheel - algemene inleiding en de verschillende inventarissen, met de daarbij behorende inleidingen - heb ik één index gemaakt.
In 1982 werden de gezamenlijke inventarissen van de kerspelarchieven in druk uitgegeven (C. Tromp, De Groningse kerspelarchieven). Voor de raadpleging op de studiezaal zijn de toegangen van elk kerspelarchief van een eigen toegangsnummer voorzien. Zie daarvoor het Overzicht archiefvormers.
Inventaris
Kenmerken
Datering:
1796 - 1814
Beschrijving:
Inventaris van het archief van het kerspel Aduard
Bewerker:
C. Tromp
Laatste Publicatie:
1982
Omvang:
0,12 m standaardarchiefberging
Vindplaats:
Categorie:
Archiefvormer(s)::
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS