Uw zoekacties: Directeur Huis van Bewaring te Groningen, 1831 - 1974
x2012 Directeur Huis van Bewaring te Groningen, 1831 - 1974 ( Groninger Archieven )
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

2012 Directeur Huis van Bewaring te Groningen, 1831 - 1974 ( Groninger Archieven )
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
Deze inventaris maakte oorspronkelijk als afdeling 12 deel uit van: J.J.J. Beek, J. Folkerts, H. de Raad (eindred.), Inventaris van de archieven van de instellingen van het gevangeniswezen in de provincie Groningen (1666) 1670-1961 (1978); Publikaties van het Rijksarchief in Groningen 4 (Groningen, 1988). Het betrof hier de toegang op een fonds. Daarin waren de bestanddelen voorzien van een nummering met een decimale punt. Om praktische redenen is deze toegang nu gesplitst in toegangen op de afzonderlijke archieven. Voor aanhangsel en algemene inleiding behorende bij deze archieven: zie toegangsnr. 83.
In 1826 werd in het daartoe verbouwde Tuchthuis een Burgerlijk en Militair Huis van Verzekering gevestigd, een combinatie van Huis van Arrest, Provoosthuis en Huis van Justitie. De afzonderlijke categorieën gedetineerden werden zoveel mogelijk van elkaar gescheiden, wat door het voortdurend ruimtegebrek in de praktijk vaak niet te realiseren bleek. De populatie van het Huis van Verzekering was conform de landelijke richtlijnen. Vanwege de verplaatsing van de Krijgsraad in 1831 naar Leeuwarden, werden sinds die tijd geen aangeklaagde militairen meer in de gevangenis opgenomen. In het Huis van Verzekering bevonden zich ook gedetineerden die thuishoorden in een Huis van Bewaring *  .
Toen in 1841 de eis gesteld werd dat ieder kanton een eigen Huis van Bewaring diende te bezitten, wilde men aanvankelijk een dergelijke gevangenis combineren met het Huis van Verzekering. Wegens de kosten werd hiervan afgezien en koos men als onderkomen voor het Huis van Bewaring de nog aanwezige gevangenvertrekken in en bij het gerechtsgebouw in de Oude Boteringestraat. Per 1 mei 1844 werd deze gevangenis in gebruik genomen. In 1872 werd het Huis van Bewaring alsnog gecombineerd met het Huis van Verzekering, dat in de tussentijd overigens wel onderdak verschafte aan een bepaalde categorie gedetineerden die in feite thuishoorde in een Huis van Bewaring, namelijk gegijzelden wegens het niet voldoen van boeten en gerechtskosten *  .
In verband met de opheffing van het Gerechtshof in 1877 werd de bestemming van de gevangenis per 1 januari 1878 gewijzigd in Huis van Arrest en Bewaring *  . In 1856 was de cipier van de gevangenis, die men in afwijking van de landelijke regels "conciërge" noemde, de titel van directeur verleend *  . De zittende directeur mocht na 1877 deze titel behouden, maar zijn opvolger werd weer gewoon cipier.
Per 1 september 1886 werd de bestemming van de gevangenis gewijzigd in Huis van Bewaring, dit als gevolg van de invoering van het nieuwe Wetboek van Strafrecht en de oprichting van de cellulaire Strafgevangenis aan de Hereweg te Groningen in 1884 *  . Het Huis van Bewaring "bediende" de kantons Groningen, Zuidhorn, Appingedam en Zuidbroek. De bouwvallige staat van de gevangenis maakte nieuwbouw noodzakelijk. Deze werd in 1903 gerealiseerd op een naast de Strafgevangenis gelegen terrein aan de Hereweg *  . Het nieuwe Huis van Bewaring had een aparte afdeling voor vrouwen en bood aanvankelijk ruimte aan enkele tientallen personen.
Toen van 1933 tot 1935 tijdelijk een deel van het Huis van Bewaring bestemd werd tot Rijkswerkinrichting voor souteneurs, betekende dat een aanmerkelijk ruimteverlies. Een verbouwing bestreed het nijpende ruimtetekort niet afdoende. Administratief viel de Rijkswerkinrichting voor souteneurs onder de directie van de Strafgevangenis. In verband met de uitbreiding van het ressort van de Arrondissementsrechtbank Groningen ten gevolge van de opheffing van de Arrondissementsrechtbank Winschoten in 1933, kreeg het Huis van Bewaring een groter aanbod van gedetineerden te verwerken. Een deel van de voorlopig aangehoudenen werd zelfs in de Strafgevangenis gehuisvest. De vele klachten over het plaatsgebrek, onder meer van de souteneurs, leidden ertoe dat deze op 3 juni 1935 weer vertrokken.
Ze gingen naar Veenhuizen Nr. 2, het tegenwoordige Esserheem. Eind 1938 kwam een aantal souteneurs weer terug naar Groningen, toen er ook in Veenhuizen voor hen geen plaats meer was. In de loop van 1941 vertrokken ze weer. Sinds 1924, toen de directie van Strafgevangenis en Huis van Bewaring werd gecombineerd, was de dagelijkse leiding in handen van de adjunct-directeur van de huisdienst. Tijdens de oorlog was het de commies ter directie C.J.H. Stavenuiter die de feitelijke leiding had in het gesticht.
Meer nog dan de Strafgevangenis leed het Huis van Bewaring onder de gevolgen van de bezetting. Al vanaf mei 1940 werden er en veel politiek verdachte personen door de Duitse autoriteiten in het Huis
van Bewaring ingesloten, en veel preventief gedetineerden op last van de Nederlandse justitie. Door de bezetting was de omvang van het werk in de Strafgevangenis en het Huis van Bewaring zo toegenomen, dat de directeur Van der Meulen in een persoonlijk onderhoud met Dr. J.S. Korteweg, chef van de derde afdeling van het ministerie, er voor pleitte niet alleen de gestichten samen te voegen, maar ze tevens te promoveren tot de "1e klasse", met alle consequenties voor personeel en salariëring van dien *  . Hiertoe werd in 1943 inderdaad besloten.
De bevolkingssterkte in het Huis van Bewaring nam snel toe; van 30 á 40 in vredestijd tot 104 in 1942 en 140 in 1944. Door het ernstige plaatsgebrek werd al in 1941 het grootste deel van de cellen voor dubbele bewoning ingericht. Het aantal politieke gedetineerden nam snel toe, zodat in 1943 vrijwel het gehele Huis van Bewaring gebruikt werd door de Sicherheitspolizei. Deze "Deutsche Abteilung" onttrok zich zoals ook elders in Huizen van Bewaring het geval was, geheel aan het gezag van het Ministerie van Justitie *  . Het jaarverslag over 1944 noemt het Huis van Bewaring "vrijwel geheel een politieke gevangenis". Toen op 1 december 1944 het hele gesticht werd overgenomen door de Sicherheitspolizei kwam dit dan ook bepaald niet onverwacht.
Na de bevrijding van Groningen in april 1945 bleef de sterkte van het Huis van Bewaring nog lange tijd ver boven normaal, nu vanwege de opvang van politieke delinquenten. In 1955 kreeg het Huis van Bewaring weer een eigen directeur. Enkele bijzondere ontwikkelingen in de periode na 1953 waren het toenenemde aantal minderjarigen dat werd opgenomen (30 in 1973) en de sluiting van de vrouwenafdeling per 1 januari 1973. Op deze datum werd ook het Huis van Bewaring te Assen gesloten. Personeel en gedetineerden verhuisden naar Groningen. Op 4 november 1971 vond een opstand plaats in het Huis van Bewaring, op 4 augustus 1974 gevolgd door een grotere, waarbij door een groep gedetineerden een deel van het gesticht in brand werd gestoken en een enorme schade werd aangericht. Het Huis van Bewaring raakte onbruikbaar. De gedetineerden werden ondergebracht te Assen en Veenhuizen.
Het archief werd in meerdere gedeelten overgebracht naar het Rijksarchief, tussen 1966 en 1980. Een deel werd verworven van het Centraal Wervings- en Opleidingsinstituut van het Gevangeniswezen te 's-Gravenhage, andere onderdelen werden overgenomen van het Huis van Bewaring en de Van Mesdagkliniek. Het archief van het Huis van Bewaring in de periode dat het gesticht in gebruik was bij de Sichterheitspolizei (december 1944 tot april 1945) moet geheel als verloren worden beschouwd, dus inclusief de registers van gedetineerden. Van de correspondentie is behalve uit de jaren 1939 en 1940, vrijwel niets over. Over de wijze waarop in het verleden wellicht vernietiging heeft plaats gehad is niets bekend. Klappers op de registers van gedetineerden van voor 1952 ontbreken. Onderzoek in het lacuneuze archief kan voor de periode na 1956 worden aangevuld door het- wel volledig bewaarde-archief van de Commissie van Toezicht te raadplegen.
N.B. In de periode 1924-1955 was de directeur van de (Straf)gevangenis tevens directeur van het Huis van Bewaring. Hoewel de administraties in principe gescheiden bleven, vonden er toch overlappingen plaats, met name in de periode 1943-1955. Voorzover geconstateerd zijn verwijzingen geplaatst.
Inventaris
Kenmerken
Datering:
1831 - 1974
Beschrijving:
Archief van de Cipier cq Directeur van het Huis van Burgerlijke en Militaire Verzekering te Groningen, sinds 1872 Tevens Huis Van Bewaring, sinds 1878 Huis van Arrest en Bewaring, sinds 1886 Huis Van Bewaring
Bewerker:
J.J.J. Beek, J. Folkerts en H. de Raad
Laatste Publicatie:
1988
Omvang:
13,5 m standaardarchiefberging
Bijzonderheden:
Deze inventaris maakte oorspronkelijk als afdeling 12 deel uit van: J.J.J. Beek, J. Folkerts, H. de Raad (eindred.), Inventaris van de archieven van de instellingen van het gevangeniswezen in de provincie Groningen (1666) 1670-1961 (1978); Publikaties van het Rijksarchief in Groningen 4 (Groningen, 1988). Zie voor de inleiding, bijlagen en het algemene aanhangsel: Toegangsnummer 83.
Categorie:
Archiefvormer(s)::
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS